Parketnummer : 20-003344-15 Uitspraak : 12 december 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 oktober 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-800090-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met dien verstande dat de bewezenverklaring verbeterd zal worden gelezen en wel in die zin dat in plaats van de pleegdatum ‘op 17 januari 2014’ zal worden gelezen: ‘op of omstreeks 17 januari 2014’. De verdediging heeft: primair bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk zal worden verklaard; subsidiair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken; meer subsidiair -voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring zou komen- bepleit dat een lagere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal thans wordt gevorderd; ten aanzien van de in beslag genomen auto bepleit dat deze teruggegeven dient te worden aan de rechthebbende. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat: hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 21 januari 2014 te Geertruidenberg opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] gewurgd, in elk geval op het lichaam van die [slachtoffer] geweld van buitenaf toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, betoogd dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat te dezen sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van goede procesorde waardoor de met opsporing belaste en/of vervolging belaste ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort hebben gedaan, zodat niet gesproken kan worden van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daartoe heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er sprake is geweest van tunnelvisie door een gebrek aan kennis over de theorie en regelgeving (werkwijze) met betrekking tot het handelen op de plaats delict. De politie heeft een ‘verdachte geleid onderzoek’ uitgevoerd doordat al medegedeeld was dat de bewoner was aangehouden, er op diverse onderdelen onzorgvuldig of onjuist is gehandeld en diverse goederen met dadersporen niet zijn veilig gesteld en/of onderzocht, waardoor bewijsmateriaal verloren is gegaan. In het bijzonder blijkt dit uit: het feit dat de politie op de plaats delict geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd, zodat geen zorgvuldig forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden; de wijze waarop het onderzoek is ingericht, de wijze waarop de sporen zijn veilig gesteld en de keuzes die zijn gemaakt; dit heeft tot gevolg gehad dat belangrijk bewijsmateriaal verloren is gegaan en nader onderzoek niet meer mogelijk was of niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd; de keuzes van de politie om bepaalde goederen op de plaats delict niet te onderzoeken, te weten: de aangetroffen tas en de stoel waarop het slachtoffer zat; het laken dat over het slachtoffer was gelegd is voorts pas onderzocht na opdracht daartoe van de rechtbank; de omstandigheid dat er een ‘splitsing’ heeft plaatsgevonden in het onderzoek op de plaats delict doordat de politie een dag tussen het eerste deel en het tweede deel van het onderzoek heeft ingelast; het gaat daarbij volgens de verdediging om de vraag of door de splitsing onaanvaardbare risico’s worden genomen voor het verloren gaan van sporen; het feit dat geen onderzoek aan de gebitsprothese van het slachtoffer heeft plaatsgevonden; de omstandigheid dat op de verkeerde plaats de hals van het slachtoffer op biologisch materiaal is bemonsterd; weliswaar is de hals op een aantal plekken bemonsterd, maar op de locatie in de nek waar twee delen van het voorwerp dat voor het omsnoerend geweld heeft gezorgd bij elkaar kwamen heeft geen bemonstering plaatsgevonden; de omstandigheid dat de op de plaats delict aangetroffen sieraden op onjuiste wijze zijn veilig gesteld, zodat sporen kunnen zijn verdwenen of zijn gecontamineerd; de omstandigheid dat er onjuist onderzoek heeft plaatsgevonden naar het tijdstip van overlijden van het slachtoffer, in het bijzonder omdat het ‘nomogram van Henssge’ niet is toegepast; de omstandigheid dat op sporendragers aangetroffen in de berging van de woning sporen van een lid van de forensische opsporing van politie zijn aangetroffen, waaruit blijkt dat de regels met betrekking tot het veiligstellen van sporen niet zijn nageleefd; er niet gericht is gezocht naar betrokkenheid van een ander dan verdachte, terwijl DNA-sporen van een derde zijn aangetroffen. Het hof overweegt als volgt. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Met de advocaat-generaal en ook de verdediging is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in ieder geval niet is gebleken dat de betrokken ambtenaren doelbewust de belangen van verdachte hebben geschonden. Met betrekking tot de vraag of bedoelde ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte hebben gehandeld, geldt het volgende. Scenario’s Uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] d.d. 27 februari 2015 blijkt dat de politie tijdens het onderzoek op de plaats delict geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd. Die keuze is gemaakt om het onderzoek ‘breed’ te houden. Dit vindt voorts zijn bevestiging in het verhoor van [verbalisant] door de raadsheer-commissaris op 21 februari 2017, in welk verhoor [verbalisant] heeft verklaard dat er geen scenario’s neergezet kunnen worden als met het onderzoek wordt begonnen, er dient volgens [verbalisant] met een open mind gehandeld te worden en de keuzes die [verbalisant] over het veilig stellen van sporen heeft gemaakt zijn gebaseerd op zijn ervaring. Anders dan de raadsman vermag het hof niet in te zien dat het feit dat de politie op de plaats delict aanvankelijk geen verschillende scenario’s heeft gehanteerd, moet leiden tot de conclusie dat geen zorgvuldig forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van tunnelvisie. Het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] is aangetroffen, afgedekt met een laken, zittend in de werkkamer op een stoel naast een bureau, met daarop een computer, in de flatwoning van de verdachte aan de [adres] te Geertruidenberg. Van de keuze van de politie om het sporenonderzoek in eerste instantie hoofdzakelijk te beperken tot de werkkamer en het in die werkkamer aanwezige lichaam van het slachtoffer, zijnde de directe plaats delict, kan niet gezegd worden dat die keuze duidt op tunnelvisie aan de zijde van de politie. Immers, vervolgens is een tweede onderzoek ingesteld dat zich hoofdzakelijk heeft gericht op het sporenonderzoek in de woning. Voorts is sprake geweest van een buurtonderzoek, het onderzoeken van de alibi’s van een groot aantal personen in de omgeving van het slachtoffer (betrekking hebbend op een alternatief scenario), het oproepen van getuigen in een brief van de politie (zie pagina 654 van het eindproces-verbaal) en uitgebreid onderzoek naar een persoon met een witte [merk personenauto 1] , waarover de verdachte heeft verklaard en welke onderzoek derhalve ook betrekking heeft op het alternatief scenario. Ook heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van diverse onderzoekswensen van de verdediging. Het hof leidt hieruit af dat in de loop van het onderzoek wel degelijk is gekeken naar andere scenario’s en dat voor de conclusie dat sprake is geweest van een te beperkt onderzoek, voortkomend uit tunnelvisie, geen grond bestaat. Onderzoek tas, laken en stoel De verdediging heeft voorts gewezen op een aantal keuzes in het onderzoek waaruit tunnelvisie kan worden afgeleid. Zo is de tas van het slachtoffer welke door de politie in de woonkamer van verdachte op een stoel bij de eettafel is aangetroffen niet op DNA-materiaal onderzocht. Verbalisant [verbalisant] heeft in zijn aanvullend proces-verbaal d.d. 27 februari 2015 gerelateerd dat deze tas niet is onderzocht op DNA-sporen, omdat de plaats en wijze van aantreffen daarvoor geen aanleiding gaf. De tas is op 23 januari 2014 inbeslaggenomen (dossierpagina 93) en op 19 maart 2014 is de inhoud van de tas tactisch onderzocht (dossierpagina’s 1152-1154). Het materiaal van de tas bleek niet geschikt voor dactyloscopisch onderzoek. De verdediging heeft erop gewezen dat de politie de keuze heeft gemaakt geen onderzoek te verrichten aan de stoel waarin het slachtoffer zich bevond. In zijn aanvullend proces-verbaal van 24 februari 2016 heeft verbalisant [verbalisant] naar aanleiding van vragen van de verdediging ter terechtzitting van het hof van 15 december 2015 deze keuze nader toegelicht. Deze toelichting komt erop neer dat de onderhavige stoel niet geschikt was voor onderzoek naar de aanwezigheid van dactyloscopische sporen en dat, omdat een stoel een voorwerp is dat door meerdere personen wordt gebruikt, ervoor is gekozen om niet de stoel, maar het laken dat over het slachtoffer was gelegd veilig te stellen voor eventueel later DNA-onderzoek. Gelet op de wijze waarop het slachtoffer in de stoel werd aangetroffen en de omstandigheid dat het laken dat over het slachtoffer was gelegd zich deels onder een wieltje van de stoelpoot bevond, neemt het hof redelijkerwijs aan dat de dader rechtstreeks contact met de stoel moet hebben gehad, zodat nader onderzoek aan de stoel voor de hand zou hebben gelegen. Het hof stelt echter ook vast dat, op 16 september 2014 in aanwezigheid van de raadsman een schouw is verricht in de woning aan de [adres] te Geertruidenberg en dat als waarneming in het daarvan opgemaakte proces-verbaal is geschreven dat in de kamer waarin het slachtoffer is aangetroffen een vast telefoontoestel werd waargenomen, op het bureau naast de bureaustoel waar het slachtoffer in werd aangetroffen. Het hof begrijpt daar uit dat ten tijde van de schouw de bureaustoel kennelijk nog aanwezig was. De stoel was toentertijd derhalve nog voor onderzoek beschikbaar. Niet is gebleken dat de raadsman om onderzoek van de stoel heeft verzocht. Met de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderzoek aan het laken in een eerder stadium verricht had kunnen worden. Het laken lag over het slachtoffer heen, zodat het een logische keuze was geweest om, naast de kleding van het slachtoffer, ook het laken op sporen te onderzoeken. Deze omissie is echter hersteld tijdens het voorbereidend onderzoek, zodat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Met betrekking tot de keuzes die gemaakt zijn voor wat betreft het onderzoek aan de tas, het laken en de stoel merkt het hof op dat, voor zover gezegd kan worden dat meer onderzoek gedaan had kunnen worden dan in feite is gebeurd, in ieder geval niet gezegd kan worden dat uit de gemaakte keuzes blijkt dat tunnelvisie de leidraad is geweest bij het maken van de keuzes. Met name met het onderzoek aan het laken is het nadeel van het niet onderzoeken van de stoel gecompenseerd. Splitsing onderzoek op de plaats delict De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, door verdeling van het onderzoek op de plaats delict over twee dagen onaanvaardbare risico’s zijn genomen voor het verloren gaan van sporen en potentieel ontlastend bewijsmateriaal kan zijn verdwenen. Het hof begrijpt dat de splitsing van het onderzoek te maken had met het niet onwenselijk lang willen laten doorwerken van het forensische team en de onwenselijkheid om het onderzoek aan een opvolgend team te moeten overdragen terwijl de plaats delict hermetisch kon worden afgesloten. Het hof is van oordeel dat er geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen dat door de splitsing van het onderzoek op de plaats delict, sporen in het ongerede zijn geraakt of dat daardoor het sporenonderzoek op enige wijze is geschaad. Het hof heeft daarbij ook gelet op de verklaring die de bij deze zaak betrokken deskundige dr. [voorletters 1] [deskundige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, inhoudende dat de periode tussen het achterlaten van een spoor en de bemonstering op den duur gevolgen kan hebben voor de uitkomst, maar een periode van drie dagen tussen het overlijden en het bemonsteren te kort is om van invloed te kunnen zijn geweest op de uitkomst. Onderzoek gebitsprothese Tijdens het opsporingsonderzoek is de keuze gemaakt om geen onderzoek te verrichten op de op de plaats delict aangetroffen gebitsprothese van het slachtoffer. Uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] d.d. 27 februari 2015 en de verklaring van de deskundige [deskundige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg, blijkt dat de kans dat er bruikbare epitheelsporen of andere sporen op de gebitsprothese aanwezig waren, verwaarloosbaar klein is vanwege de aanwezigheid van een grote hoeveelheid speeksel op een gebitsprothese. De deskundige [deskundige 1] heeft verklaard dat normaliter een gebit teveel speeksel bevat om deugdelijk sporenonderzoek te kunnen verrichten. Gegeven deze onderbouwing valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat de keuze om geen onderzoek aan dit voorwerp te doen zou zijn gemaakt vanuit een vorm van tunnelvisie. Plaats bemonstering sporen hals/nek van het slachtoffer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de keuze om uitsluitend de hals van het slachtoffer op sporen te bemonsteren volstrekt ten onrechte en onbegrijpelijk is geweest, omdat veel eerder dadersporen waren te verwachten in de nek van het slachtoffer, omdat dat het punt is waar de handen van de dader met kracht moeten hebben gedrukt. De resultaten van de bemonsteringen zijn als gevolg daarvan weinigzeggend, zo meent de raadsman. Het hof merkt op dat het standpunt van de raadsman is gebaseerd op een bepaalde aanname over de wijze waarop het feit door de dader kan zijn uitgevoerd, echter de precieze modus operandi kan op grond van de inhoud van het procesdossier niet worden vastgesteld, te meer niet nu niet is kunnen worden vastgesteld met welk voorwerp het slachtoffer is gewurgd. De stelling dat in de nek van het slachtoffer meer dadersporen te verwachten zouden zijn geweest dan in de hals, is slechts een aanname van de verdediging waarvoor geen bevestiging kan worden gevonden in het dossier. Door de politie werden in de hals van het slachtoffer sporen van strangulatie en insnoering waargenomen en op basis van die bevindingen heeft men de hals van het slachtoffer in de directe omgeving van de bloeduitstortingen in de hals bemonsterd. Voorts werd onder meer de huid rond de mond bemonsterd. Dergelijke keuzes zijn niet onbegrijpelijk en konden redelijkerwijs worden gemaakt. Niet valt in te zien dat uit deze wijze van bemonstering zou blijken van tunnelvisie. Wijze veiligstellen sieraden De op de plaats delict aangetroffen sieraden zijn door de politie in eerste instantie gezamenlijk veilig gesteld en pas later van elkaar gescheiden. De raadsman meent dat daardoor het onaanvaardbare risico is genomen dat sporen verdwijnen of vermenging van sporen ontstaat (contaminatie), waardoor het uiteindelijke resultaat van het onderzoek aan die sieraden onbruikbaar/nutteloos is geworden. Wat er echter ook zij van de wijze waarop de sieraden zijn veilig gesteld, daaruit kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat dit is gedaan vanuit de gedachte bij de politie dat uitsluitend naar DNA-sporen van verdachte moest worden gezocht. Van enige tunnelvisie is in dit verband niet gebleken. Onderzoek naar het tijdstip van overlijden/het nomogram van Henssge Uit het procesdossier blijkt dat er zeer uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden naar het tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Gebruikmaking van de methode van Henssge vereist een diep rectaal gemeten temperatuur en mogelijk zou deze werkwijze hebben kunnen leiden tot sporenvernietiging. Bovendien blijkt uit het rapport d.d. 3 juli 2014 van NFI-deskundige [voorletters 2] [deskundige 2] , forensisch arts KNMG, dat er reeds beginnende rottingsverschijnselen aanwezig waren zodat aangenomen kan worden dat de lichaamstemperatuur van het slachtoffer gedaald was tot de omgevingstemperatuur. Bij een dermate gevorderde postmortale afkoeling is de methode van Henssge volgens de deskundige niet meer bruikbaar om het tijdstip van overlijden te berekenen. De keuze van de politie om de lichaamstemperatuur van het slachtoffer op een andere wijze te meten, is een keuze die men naar het oordeel van het hof redelijkerwijs heeft kunnen maken en dit geeft geen blijk van het ontbreken van kennis of van onkunde. Sporendragers berging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de politie bij het onderzoek naar sporen in de berging bij de woning van verdachte onzorgvuldig en onjuist heeft gehandeld, doordat daar in eerste instantie niet is gezocht naar strangulatievoorwerpen, maar pas in een later stadium alsnog een drietal sporendragers zijn aangetroffen die mogelijk het voorwerp waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht konden zijn. Op die later aangetroffen sporendragers bleek zich bovendien nog DNA-materiaal van een lid van de forensische opsporing te bevinden, waaruit blijkt dat de regels niet zijn nageleefd, aldus de raadsman. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de politie niet onmiddellijk, maar pas op een later moment in de berging van de woning van de verdachte heeft gezocht niet leidt tot de conclusie dat onzorgvuldig is gehandeld of dat sprake is geweest van tunnelvisie. Op het moment dat bekend werd dat het slachtoffer mogelijk met een voorwerp was gewurgd is hier in de berging naar gezocht en heeft verder onderzoek plaatsgevonden. Het tijdstip waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden lijkt niet relevant te zijn geweest voor de uitkomst daarvan. De omstandigheid dat op één van de sporendragers DNA-materiaal van één van de betrokken politiefunctionarissen is aangetroffen en waarover is gerelateerd hoe dit is gebeurd, betreft een onzorgvuldigheid, maar heeft niet geleid tot enig nadeel voor de verdachte. Het vorenstaande kan niet leiden tot het oordeel dat om deze reden sprake is geweest van een tunnelvisie. Conclusie Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier niet is gebleken dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen en het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging, nu ook overigens niets is gebleken dat daaraan in de weg staat. Voorwaardelijk verzoek van de verdediging De verdediging heeft in eerste aanleg aangevoerd dat sprake is van gebrek aan transparantie in het onderzoek doordat politie en justitie de zogenaamde werkjournaals en het FIT-verslag niet aan de verdediging hebben verstrekt, nu juist deze stukken een belangrijke bron zijn voor de controle van de door politie gehanteerde werkwijze en gemaakte keuzes. Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2015 heeft het hof het opnieuw gedane verzoek tot voeging van het forensische intakegesprek en de werkjournaals, afgewezen, omdat de noodzaak daarvan niet is gebleken. Ter terechtzitting van het hof van 14 november 2017 heeft de verdediging nogmaals om toevoeging van deze stukken aan het procesdossier verzocht, voor het geval het hof het niet-ontvankelijkheidsverweer zou verwerpen. Het hof acht zich echter op grond van de inhoud van het procesdossier, in het bijzonder in de zich daarin bevindende aanvullende processen-verbaal waarin uitleg is gegeven over de door de politie gemaakte keuzes tijdens het opsporingsonderzoek, voldoende voorgelicht omtrent het door de verdediging opgeworpen vraagpunt. Het hof acht het daarom niet noodzakelijk dat de werkjournaals en het FIT-verslag alsnog aan het dossier zullen worden toegevoegd. Partiële vrijspraak Met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte met voorbe-dachten rade het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Ten aanzien van dat onderdeel zal derhalve vrijspraak volgen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 18 januari 2014 te Geertruidenberg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] gewurgd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn als bijlage aan dit arrest gehecht. De inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn ingevoegd. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs I. Feiten en omstandigheden van de zaak Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof de navolgende feiten en omstandigheden af. I-a. De verdachte heeft vanaf november 2012 een relatie gehad met het (latere) slachtoffer [voorletters 3] [voornaam/roepnaam] ) [slachtoffer] . Vanaf december 2012 is de verdachte met [slachtoffer] gaan samenwonen in de flatwoning van de verdachte aan de [adres] te Geertruidenberg. Getuigen omschrijven de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] als een ‘knipperlichtrelatie’, waarin laatstgenoemde meerdere keren de woning tijdelijk heeft verlaten. Bovendien heeft de verdachte gedurende de relatie [slachtoffer] volgens door haar gedane meldingen bij de politie of getuigen meerdere keren gewelddadig bejegend, als gevolg waarvan zij lichamelijk letsel, bestaande uit blauwe plekken op verschillende plaatsen van haar lichaam, heeft opgelopen. In de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] zijn ook kort voorafgaand aan de dood van het slachtoffer problemen ontstaan. [slachtoffer] heeft op 2 januari 2014, na een hevige ruzie tussen de verdachte en haarzelf, waarbij de politie bij de woning van de verdachte is verschenen, de woning van de verdachte verlaten en is toen door de politie naar een vriendin in Breda gebracht. De verdachte heeft daarbij tegen de politie gezegd dat hij van de flat af wilde springen, omdat hij het niet meer zag zitten. De verdachte heeft daarbij de sleutels en de telefoon van [slachtoffer] ingenomen. I-b. Het slachtoffer [slachtoffer] is op dinsdag 21 januari 2014 omstreeks 14.30 uur dood aangetroffen in de woning van de verdachte op het adres [adres] in Geertruidenberg. Het slachtoffer bevond zich in de studeerkamer c.q. het kantoor van de woning, zittend in een bureaustoel, naast een bureau waarop een ingeschakelde computer stond die zich in de slaapstand bevond, met de rugzijde naar de toegangsdeur en haar gezicht in de richting van het raam. De computer was op vrijdag 17 januari 2014 om 13.13 uur in de slaapstand gegaan. Het slachtoffer was afgedekt met een laken, dat door de verdachte is herkend als een laken (tafelkleed) afkomstig uit een kast in de betreffende kamer. Eén van de wieltjes van de bureaustoel stond op een hoek van het laken. Nadat het slachtoffer door de politie uit de bureaustoel was genomen, werden op de zitting van de stoel, bij de aansluiting van de zitting met de rugleuning, twee slotjes van oorknopjes aangetroffen. In de rechter oorlel van het slachtoffer bevond zich een zilverkleurig oorknopje met twee transparante steentjes. Het slotje van dit oorknopje ontbrak. Tijdens het ontkleden van het slachtoffer door de politie viel uit de gehaakte trui een tweede zilverkleurig oorknopje met twee transparante steentjes. Het slotje van dit oorknopje ontbrak. Dit oorknopje was identiek aan het oorknopje aangetroffen in de rechter oorlel. Tevens werd geklemd onder de kleding van het slachtoffer een zilverkleurige halsketting aangetroffen. Deze halsketting was bij de aansluiting van het slotje gebroken. I-c. Het slachtoffer vertoonde ernstige bloeduitstortingen aan de hals en nek. Bij de sectie is geconstateerd dat in de hals en de nek van het slachtoffer zich een vrijwel circulair verlopend bandvormig gebied met wisselende breedte bevond, bestaande deels uit huidbeschadigingen en onderhuidse bloeduitstortingen van allerlei aard. Verder zijn daarbij geconstateerd uitgebreide bloeduitstortingen in de mondbodem en de tong, bloeduitstortingen rond het strottenhoofd en het tongbeen en een breuk aan het strottenhoofd. Het overlijden van het slachtoffer kan zonder meer worden verklaard door verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals (strangulatie). Het rapport van de forensisch arts dr. [deskundige 2] van 8 januari 2015, houdt -zakelijk weergegeven- met betrekking tot het tijdstip van overlijden in dat: het waarschijnlijker is dat het overlijden van [slachtoffer] op vrijdag 17 januari 2014 heeft plaatsgevonden dan dat het overlijden op maandag 20 januari 2014 heeft plaatsgevonden; het waarschijnlijker is dat het overlijden van [slachtoffer] op vrijdag 17 januari 2014 heeft plaatsgevonden dan dat het overlijden op zondag 19 januari 2014 heeft plaatsgevonden; de hypothese dat het slachtoffer is overleden op vrijdag 17 januari 2014 (ongeveer) even waarschijnlijk is als de hypothese dat zij op zaterdag 18 januari 2014 is overleden. I-d. Zes bemonsteringen van de hals en mond van het slachtoffer werden onderzocht op DNA-sporen. Geconcludeerd werd dat alle bemonsteringen DNA-mengprofielen bevatten. Bij de sporen aan de hals AAFW1808NL, AAFW1809NL en AAFW1811NL werd een DNA-mengprofiel aangetroffen, afkomstig van minimaal twee donoren. Bij spoor AAFW1808NL kon het slachtoffer niet uitgesloten worden als donor. Bij de aanname dat het slachtoffer donor van celmateriaal in de bemonstering is geweest, resteerden er nog een gering aantal DNA-kenmerken, welke overeen kwamen met het DNA-profiel van verdachte. Ten aanzien van spoor AAFW1809NL matcht het DNA-hoofdprofiel met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het DNA-nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De frequentie van het DNA-nevenprofiel is kleiner dan één op één miljoen. Ten aanzien van de sporen AAFW1810NL (hals) en AAFW1832NL (mond) werd er een mengprofiel aangetroffen, afkomstig van minimaal drie donoren. Het DNA-hoofdprofiel van deze sporen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. Verdachte kan niet worden uitgesloten als donor van celmateriaal in de bemonstering. Forensisch DNA-deskundige dr. [deskundige 1] heeft de bemonsteringen van het laken dat over het slachtoffer heen hing, onderzocht. De opgestelde DNA-profielen van bemonsteringen van het laken zijn vergeleken met de DNA-profielen van het slachtoffer en verdachte. Bij twee bemonsteringen kon verdachte niet worden uitgesloten als donor en twee bemonste-ringen matchen met het DNA-profiel van verdachte. De bemonsteringen van de trui, de spijkerbroek en de riem van het slachtoffer zijn eveneens door forensisch DNA-deskundige dr. [deskundige 1] onderzocht. Ten aanzien van de bemonsteringen aan de trui betreffen het in alle gevallen mengprofielen van minimaal twee, drie of vier donoren. Verdachte is bij geen enkele bemonstering uit te sluiten als donor. In de bemonsteringen AAFW1815NL#03, #04 en #06 van de trui zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte aangetoond in het DNA. Ten aanzien van de veertien bemonsteringen aan de spijkerbroek en de riem betreffen het in alle gevallen mengprofielen van minimaal drie donoren. Bij elf sporen is verdachte niet uitgesloten als donor. In de bemonsteringen AAFW1821NL#01, #05 en #11 zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte aangetoond in het DNA-mengprofiel. I-e. In de woning van de verdachte zijn negen schoensporen veiliggesteld, die na onderzoek allemaal overeen bleken te komen met het profiel van de zolen van de schoenen van de verdachte of van betrokken politieambtenaren. I-f. Er bestaan in totaal vier sleutels waarmee via de voordeur toegang kan worden verkregen tot de woning van verdachte. Bij zijn aanhouding op 21 januari 2014 had de verdachte één van die sleutels in zijn bezit, twee van deze sleutels zijn door de politie aangetroffen in de woning van verdachte en de vierde sleutel was in bezit van [getuige 1] , de broer van verdachte, die deze sleutel heeft gebruikt bij het openen van de voordeur op dinsdagmiddag 21 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.