GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.104.152/01 arrest van 19 december 2017 in de zaak van B.V. Exploitatie Maatschappij [exploitatie maatschappij], gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 december 2013, 4 maart 2014, 30 september 2014, 9 juni 2015, 22 maart 2016 en 1 november 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 103039/HA ZA 10-621 gewezen vonnis van 7 maart 2012. Het hof zal de nummering van de eerder gewezen arresten voortzetten. 27Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 1 november 2016; - de constatering op de rol van 5 april 2017 dat het deskundigenbericht is ontvangen en het e-mailbericht van dit hof aan de deskundige en de raadslieden van partijen van 7 april 2017, 13:25; - de memorie na tweede deskundigenbericht/vermeerdering van eis van [exploitatie maatschappij] ; - de memorie na aanvullend deskundigenbericht van [geïntimeerde] ; Partijen hebben gefourneerd waarna het hof een datum voor arrest heeft bepaald. 28De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 28.1.1 Bij het tussenarrest van 1 november 2016 heeft het hof bepaald dat door de reeds benoemde deskundige mr. J.P.M. Burger een aanvullend deskundigenonderzoek wordt verricht. De door het hof in het arrest van 1 november 2016 gestelde zes vragen worden hierna in rov. 28.2 herhaald. De deskundige heeft een conceptrapportage opgemaakt en aan partijen voorgelegd met het verzoek om uiterlijk 17 maart 2017 te reageren. [geïntimeerde] heeft bij brief van 7 maart 2017 laten weten geen aanleiding te zien voor het maken van op- of aanmerkingen. [exploitatie maatschappij] heeft in een reactie van 31 pagina’s d.d. 17 maart 2017 haar mening gegeven over de conceptrapportage. De deskundige heeft vervolgens het conceptrapport definitief gemaakt op 5 april 2017. Dit definitieve conceptrapport heeft als kenmerk “ [kenmerk] /BO3 d.d. 5 april 2017”. Hierna zal dit rapport worden aangeduid als “rapport B03”. De deskundige heeft verder een notitie bespreking reacties partijen op het conceptrapport opgesteld d.d. 5 april 2017. Het hof zal deze notitie hierna “notitie 2” noemen. Het hof roept in herinnering dat in het tussenarrest van 22 maart 2016 in rov. 17.3 het hof de notitie van de deskundige van 4 maart 2015 heeft aangeduid als “de notitie”. In notitie 2 heeft de deskundige vermeld dat notitie 2 de bespreking omvat van de reacties van partijen en dat deze notitie een onlosmakelijk onderdeel vormt van het deskundigenbericht van 5 april 2017. De deskundige heeft vervolgens zijn rapport, bestaande uit rapport BO3 d.d. 5 april 2017, de brief van [geïntimeerde] van 7 maart 2017, de reactie van [exploitatie maatschappij] van 17 maart 2017 en notitie 2, bij het hof ingediend. Het rapport is bij het hof binnengekomen blijkens de daarop staande stempel op 05 april 2017. De deskundige heeft daarna bij e-mailbericht van 7 april 2017 9:19 aan het hof en aan partijen bericht dat hij bij het antwoord op vraag 6.4, de laatste vraag, ten onrechte heeft gerefereerd aan zijn ‘expert judgement variant’. In zijn notitie 2 heeft hij op die vraag geantwoord “Het is onwaarschijnlijk dat de saneringskosten meer dan € 300.000,- zullen bedragen.” Het antwoord, aldus zijn genoemde e-mailbericht van 7 april 2017, moet echter gebaseerd worden op het saneringsplan van 3 april 2009 en staat bij vraag 5.5. Daar is € 554.238,- exclusief btw berekend. Het antwoord op vraag 6 wordt daarom “Het is zeer waarschijnlijk dat de saneringskosten meer dan € 300.000,- zullen bedragen.”, aldus de deskundige. Desgevraagd bij e-mailbericht van [exploitatie maatschappij] van 7 april 2017 9:40 heeft de deskundige bij e-mailbericht van 7 april 2017 10:00 meegedeeld dat zijn bericht van 9:19 uur betrekking heeft op vraag 6 van het hof. [geïntimeerde] heeft op 7 april niet op deze e-mailcorrespondentie gereageerd, naar eigen zeggen omdat zijn advocaat, aan wie de e-mailberichten zijn gestuurd, op 7 april 2017 niet beschikbaar was en geen kennis kon nemen van de e-mailberichten. Bij e-mailbericht van dit hof van 7 april 2017 13:25 aan de deskundige en partijen heeft het hof laten weten de e-mailberichten bij het deskundigenrapport te voegen en dat verdere correspondentie/aanvullingen geen deel meer gaan uitmaken van het rapport. Voormelde e-mailcorrespondentie is opgenomen als productie 73 tot en met 76 bij de door [exploitatie maatschappij] genomen memorie na tweede deskundigenbericht. 28.1.2 [geïntimeerde] heeft in zijn memorie na aanvullend deskundigenbericht aangevoerd dat de e-mailberichten van 7 april 2017 geen onderdeel uitmaken van de aanvullende deskundigenrapportage van 5 april 2017 (nr. 1.6 en onder “3. E-mailberichten van 7 april 2017”). Hij stelt niet de gelegenheid te hebben gehad om te reageren op die e-mailberichten. Verder, aldus [geïntimeerde] , heeft de deskundige zelf zijn door het hof op 5 april 2007 ontvangen rapport definitief genoemd en waren de betreffende e-mailberichten niet gevoegd bij het door hem op de voet van art. 198 lid 4 Rv opgevraagde en ontvangen rapport. Een en ander is verder niet conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken. 28.1.3 Het hof stelt voorop dat een als definitief rapport door de deskundige ingestuurd rapport in beginsel ook daadwerkelijk definitief moet zijn. Van dit uitgangspunt behoort in dit geval te worden afgeweken, aangezien de deskundige van mening is een fout te hebben gemaakt en dit heeft ontdekt en gemeld in een zodanig stadium van de procedure dat herstel nog zonder strijd met de goede procesorde mogelijk is en partijen nog een adequate mogelijkheid hebben om op het rapport inclusief de herstelde passage te reageren. Het hof acht het niet acceptabel dat anders recht zou worden gedaan op een stuk van de deskundige waarvan deze naderhand vond dat het een fout bevat. Het hof wijst vergelijkenderwijs op de mogelijkheid die een rechter heeft om fouten in een uitspraak te herstellen krachtens art. 31 Rv en op de mogelijkheid om terug te komen op bindende eindbeslissingen. Aldus behoort de e-mailcorrespondentie tot het deskundigenrapport. Het hof heeft partijen in het e-mailbericht van 7 april 2017 13:25 meegedeeld dat de e-mailberichten bij het deskundigenrapport worden gevoegd. Voor zover die e-mailberichten per abuis niet waren gevoegd bij het door [geïntimeerde] op de voet van art. 198 lid 4 Rv ontvangen rapport, had, gelet op de inhoud van het e-mailbericht van het hof van 7 april 2017 13:25, van [geïntimeerde] verwacht kunnen worden dat deze terstond na ontvangst van het deskundigenbericht zonder die e-mailcorrespondentie het hof daarop had gewezen en/of om nadere informatie had gevraagd. Voor zover [geïntimeerde] bedoelt aan te voeren dat het beter was geweest als hij ook de mogelijkheid had gekregen per mailbericht te reageren op bedoeld mailverkeer van 7 april 2017, geldt het volgende. Hij heeft die mogelijkheid gekregen in zijn memorie na aanvullend deskundigenbericht en heeft daarvan ook uitputtend gebruik gemaakt (par. 3.3. en 3.4.). Hetgeen hij daarbij heeft aangevoerd, leidt er niet toe dat het hof alsnog in afwijking van bovenstaande overwegingen over de foutmelding door de deskundige tot het oordeel komt dat de e-mailberichten van de deskundige van 7 april 2017 buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Het antwoord op de vraag welke waarde die e-mailberichten hebben komt hierna aan de orde. Gelet op dit alles is er geen reden om [exploitatie maatschappij] , zoals zij bij H16 bericht van 12 juni 2017 voor de rol van 20 juni 2017 heeft gevraagd, te laten reageren op de stellingen van [geïntimeerde] voor zover inhoudende dat het hof de e-mailcorrespondentie buiten beschouwing zou moeten laten. Voor zover [exploitatie maatschappij] bij genoemd H16 bericht heeft laten weten te willen reageren op hetgeen [geïntimeerde] inhoudelijk heeft aangevoerd omtrent die e-mailberichten, staat de twee-conclusieregel daaraan in de weg. 28.2 Het hof zal in deze rechtsoverweging per vraag achtereenvolgens de door het hof aan de deskundige gestelde vragen vermelden, de door de deskundige daarop in zijn rapport B03 gegeven antwoorden, de door de deskundige in zijn notitie 2 gegeven antwoorden en de antwoorden in zijn e-mailbericht van 7 april 2017. Het hof merkt hierbij op dat nu [geïntimeerde] in zijn brief van 7 maart 2017 heeft laten weten geen aanleiding te hebben om op- of aanmerkingen te maken op het rapport B03, notitie 2 alleen een inhoudelijke reactie geeft op hetgeen [exploitatie maatschappij] in haar reactie van 17 maart 2017 op dat rapport heeft aangevoerd. a. Vraag 1 luidt als volgt: Hoe waarschijnlijk dan wel onwaarschijnlijk is het dat bij toepassing van de maatregelen genoemd in het saneringsplan van 3 april 2009, bezien vanuit dat moment, niet na tien jaar de saneringsdoelstelling zal zijn gehaald? In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “dit is onwaarschijnlijk. De saneringstermijn van tien jaar in de kostenraming is door mij als worst case aangehouden. De daadwerkelijke saneringsduur zal naar verwachting korter zijn. De saneringsduur van twee jaar in het saneringsplan is plausibel.” In zijn notitie 2 heeft de deskundige het volgende vermeld: 1.1. Vraag : aangeven of ik de variant uit paragraaf 5.2 of 5.3 heb beoordeeld. Antwoord : ik heb de gekozen variant in het saneringsplan van 3 april 2009 beoordeeld: variant 2, beheersing. Deze variant is in beide deskundigenberichten beoordeeld. Andere rapporten zijn niet beoordeeld. Dit is in het eerste deskundigenbericht expliciet vermeld. De termijn die genoemd is om een stabiele eindsituatie te bereiken is mijn eigen inschatting. Die inschatting was nodig voor het berekenen van in de praktijk daadwerkelijk te maken kosten. Ik snap nu dat dit verwarring kan oproepen, aangezien de termijnen soms overeenkomen met een andere variant. Op pagina 3 van het concept aanvullend deskundigenonderzoek is duidelijk dat voor de berekening van de saneringskosten uitgegaan is van de oorspronkelijke opgenomen raming voor geohydrologisch scherm van 10 jaar. 1.2. Vraag : ben u nog altijd van mening dat het saneringsplan van 3 april 2009 voldoet. Antwoord : ik ben nog altijd van mening dat het saneringsplan van 3 april 2009 voldoet. In de beantwoording van uw vorige vragen heb ik aangegeven de meerwaarde van (computer)modellering in dit geval, naar mijn verwachting, gering te vinden. 1.3. . Vraag : wat is naar uw oordeel de saneringsdoelstelling van 3 april 2009. Antwoord : het doel van het saneringsplan (3 april 2009) is beschreven in paragraaf 6.1: “Saneringsdoel”. 1.4. Vraag : verzoek is om een passage te corrigeren. Antwoord: momenteel (althans in 2008) kon “niet worden uitgesloten dat sprake is van een actueel verspreidingsrisico, derhalve is sprake van een spoedeisende sanering.”(Cursieve tekst is door auteur cursief gemaakt). Het is niet zo dat een actueel verspreidingsrisico was vastgesteld. Aan de hand van monitoring (“vinger aan de pols”) van het grondwater kan dit worden beschouwd. 1.5. Vraag : staat uw motivering dat sanering 2 jaar kan duren niet haaks op het saneringsplan. Antwoord : ik denk dat het reëel is dat binnen 10 jaar een stabiele eindsituatie kan worden bereikt. De 30 jaar kostenberekening heb ik alleen toegevoegd als theoretische exercitie, omdat binnen 30 jaar op basis van de wet- en regelgeving een stabiele eindsituatie moet zijn bereikt. Voor het inschatten en berekenen van saneringskosten ga ik uit van een termijn van maximaal 10 jaar. Dat een eventuele kortere termijn niet contrair is aan 10 jaar is te verklaren uit het feit dat “niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een actueel verspreidingsrisico”, dat er sprake zou zijn van een verspreidingsrisico staat niet vast.” b. Vraag 2 luidt als volgt: Hoe waarschijnlijk dan wel onwaarschijnlijk is dat bij toepassing van de maatregelen genoemd in het saneringsplan van 3 april 2009, bezien vanuit dat moment, pas na 30 jaar de saneringsdoelstelling zal zijn gehaald? In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “dit is zeer onwaarschijnlijk. De saneringsdoelstelling van stabiele eindsituatie wordt waarschijnlijk eerder gehaald. Deze periode van 30 jaar is genoemd, omdat men volgens wetgeving 30 jaar de tijd heeft om tot een stabiele eindsituatie te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.” In notitie 2 heeft de deskundige het volgende vermeld: 2.1. Vraag : aangeven of ik uitsluitend variant 5.2 uit het saneringsplan van 3 april 2009 heb behandeld. Antwoord : zie vraag 1. Herhaling: ik heb uitsluitend het saneringsplan van 3 april 2009 beoordeeld, zoals uitdrukkelijk de expliciete bedoeling is van het Hof. 2.2. Vraag : motiveren specifieke motivering en algemene uitleg. Antwoord : als (hypothetisch) de 30 jaar gehaald zou worden, dan kan dat (alleen) zijn door nalevering. Dat zou daarvoor een verklaring zijn. Zoals eerder gezegd verwacht ik echter dat de nalevering gering is. 2.3. Vraag : hoe zou het antwoord op vraag 2 luiden als wel sprake is van nalevering. Antwoord : ik acht met een verwachte geringe nalevering een saneringstermijn van 10 jaar haalbaar (expert judgment).” c. Vraag 3 is door de deskundige in delen beantwoord. Het eerste deel van de vraag heeft de deskundige als volgt geformuleerd: “Wilt u bij de beantwoording van de vorige twee vragen aandacht schenken aan punt 3 van de tweede pleitnota van [exploitatie maatschappij] , geciteerd in rechtsoverweging 17.12.1 van het tussen arrest van 22 maart 2016.” In de door het hof aan de deskundige gestelde vraag was hier aan toegevoegd “en aan de stellingen van [exploitatie maatschappij] in de processtukken/vindplaatsen (nummers 45 t/m 49, 77 t/m 82 en 131 t/m 138 van de memorie na deskundigenbericht) genoemd in de nummers 34 en 35 van de akte na tussenarrest van [exploitatie maatschappij] van 19 april 2016? Daarbij vraagt het hof u niet om in zijn algemeenheid 'de opinie van Arcadis' bij uw beantwoording te betrekken. Het hof vraagt u om, voor zover relevant, acht te slaan op de specifieke verwijzingen naar de opinie van Arcadis in bedoelde vindplaatsen.” In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “de concentratie nikkel in het grondwater in het brongebied is inmiddels lager dan in de pluim waardoor geconcludeerd wordt dat de nikkelconcentratie in het grondwater in het brongebied ‘uitdooft’. Het principe achter een “stabiele eindsituatie na x jaar” is dat binnen die x jaar de concentraties (zelfs) mogen toenemen, waarna ze na x jaar stabiel zijn (en uiteindelijk kunnen afnemen). De Wet bodembescherming stelt dat sprake is van een onaanvaardbaar verspreidingsrisico indien de omvang van sterke grondwaterverontreiniging met meer dan 1.000 m3 per jaar toeneemt. Anders gezegd: indien de omvang van de sterke grondwaterverontreiniging met minder dan 1.000 m3 per jaar toeneemt, is er geen sprake van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s en dus sprake van een stabiele eindsituatie.” Het tweede deel van de door het hof gestelde vraag 3 luidt als volgt: Wilt u bij deze beantwoording tevens aandacht schenken aan de stelling van [geïntimeerde] dat IDDS uit de verontreinigingscontour mocht afleiden dat nalevering beperkt zou zijn en dat de meting van 23 april 2013 (productie 50 van [geïntimeerde] ) een aanwijzing vormt dat, dan wel steun geeft aan, de stelling dat deze aanname van IDDS correct is gebleken? In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “ja, dit is juist. Uit de verontreinigingscontour blijkt een geringe mate van nalevering. De meting van 23 april 2013 in het grondwater uit peilbuis 103a vormt een aanwijzing voor geringe nalevering; deze concentratie is lager dan 15 ug/l, dit is lager dan de streefwaarde voor nikkel in grondwater. Normaliter spreek je bij bodemsanering van nalevering, indien sterke verontreiniging wordt gemeten.” In notitie 2 heeft de deskundige het volgende vermeld: 3.1. Vraag : u lijkt het verkeerde tussenarrest als uitgangspunt te hebben genomen. Antwoord : ik heb de vragen uit het tussenarrest van 22 maart 2016 beschouwd en beantwoord in mijn conceptrapport aanvullend deskundigenonderzoek van 24 februari 2017. Op dit moment is het grondwater in het centrum (brongebied) minder verontreinigd dan aan de rand, de bronconcentratie nikkel in het grondwater neemt af. IDDS stelt: “het kon niet worden uitgesloten dat sprake is van een actueel verspreidingsrisico”. (cursief door auteur). Eerder is de verontreiniging wel verspreid, maar in hoeverre dit nu nog plaats vindt/vond kon niet worden gesteld. Doordat de grootste vracht aan nikkel in de grond boven het grondwater aanwezig is, zal deze vracht niet (langdurig) in contact komen met grondwater en daardoor niet uitspoelen. Er zijn ten opzichte van de grondgehalten aan nikkel relatief lage grondwaterconcentraties vastgesteld, wat dit bevestigt. Dit duidt op een geringe nalevering in de huidige situatie. Aangezien de bron niet wordt aangereikt met nikkel en de concentraties in het grondwater in het brongebied lager zijn dan daarbuiten, wordt er van uit gegaan dat het adsorptie- evenwicht (evenwicht tussen grond- en grondwaterverontreiniging) is ingesteld en dat de grondwaterconcentraties nikkel zullen afnemen. 3.2. Vraag : is de nalevering voldoende onderzocht. Antwoord : ik noem een voor mij belangrijke overweging dat de concentratie nikkel in het grondwater in het brongebied aantoonbaar afneemt (uitdooft), zodanig dat de concentratie in het grondwater in de pluim inmiddels hoger is. Als dan de pluim wordt beheerst, kan een stabiele eindsituatie zich instellen. Het gaat om een dalende trend in de grondwaterconcen- traties in de tijd, door monitoring vast te stellen. Het gaat er hierbij niet om of er nu (ge- ringe) nalevering is, maar of/dat de nalevering afneemt in de tijd, de trend. Bij gelijkblij- vende omstandigheden schat ik op basis van ervaring in dat de nalevering afneemt in de tijd. Een afnemende trend in de nalevering aan het grondwater leidt tot een stabiele eindsituatie, het doel van de sanering.” d. Vraag 4 luidt als volgt: Moeten de mogelijke kosten van leges voor lozing, elektriciteit en extra peilbuizen (zie rechtsoverweging 17.14 van het tussenarrest van 22 maart 2016) naar uw deskundig oordeel tot de uit het saneringsplan van 3 april 2009 voortvloeiende saneringskosten worden gerekend? In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “ja, deze kosten kunnen tot het totaal aan saneringskosten worden gerekend. Indien een overheid saneert, worden deze kosten niet aan zichzelf in rekening gebracht, maar voor het bedrijfsleven zijn het daadwerkelijke kosten.” In notitie 2 heeft de deskundige vermeld: “Vraag: wilt u de legeskosten ook bij het antwoord op vraag 4 vermelden. Antwoord : bij het antwoord op vraag 4 van het aanvullend deskundigenonderzoek moet ook worden gerekend de legeskosten voor het onttrekken van grondwater van de provincie Lim- burg.” e. Vraag 5 luidt als volgt: Indien u de vorige vraag met ja hebt beantwoord, kunt u een gemotiveerde inschatting van die kosten geven (per periode en in totaal)? In zijn rapport B03 heeft de deskundige geantwoord: “de kosten voor de extra peilbuizen zijn onzeker, omdat niet zeker is dat meer peilbuizen nodig zullen zijn, verwacht wordt van niet. De kosten voor elektriciteit zijn, uitgaande van circa 3,5 KW, bij continue pompen, circa € 5.000 per jaar (bron: offerte van de saneringsaannemer [saneringsaannemer] ). Er is in het saneringsplan voor gekozen om het grondwater ongezuiverd op het riool te lozen. In dat geval zijn legeskosten verschuldigd. Bij lozen op het riool is de recentste verordening rioolheffing van de gemeente Venlo van toepassing: € 172,98 per jaar voor de eerste 1.000 m3 en € 0,28 per m3 vanaf 1001 m3. Normaal gesproken vormen de kosten voor leges en energie een relatief geringe kostenpost bij een betrekkelijk korte saneringsduur. Nu gevraagd wordt naar concrete kosten hiervoor wordt de concrete, geschatte tijdsduur van saneren en pompen bepalend voor de daadwerkelijk te maken kosten. In het saneringsplan wordt een stabiele eindsituatie na twee jaar verwacht. De peilbuizen worden zeven jaar bemonsterd, namelijk (verplicht) nog 5 jaar na de sanering voor het aantonen dat sprake is van een stabiele eindsituatie. Uitgangspunten voor de berekening: Een tijdsduur van sanering van twee jaar (saneringsplan) wordt plausibel geacht; Voor de berekening wordt een marge van 100% aangehouden: vier jaar saneren; Stel dat overdag actief wordt gepompt en ’s avonds de pomp (automatisch) wordt uitgeschakeld (intermitterend pompen), dan is de pompduur 1/3 x 4 jaar = 1,32 jaar; Het maximale pompdebiet is 10 m3/uur. Stel dat in praktijk gemiddeld 8 m3/uur gehaald wordt. In 1 jaar wordt dan gepompt: 365 dagen x 8 uur x 8 m3/uur = 23.360 m3/jaar. De kosten per jaar zijn daarvan € 172,98 + € 6.540,80 (namelijk 23.360 m3 x € 0,28/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.