GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.155.498/01 arrest van 19 december 2017 in de zaak van [appellant] en [appellante] , wonenden te [woonplaats] , appellanten in principaal appel en geïntimeerden in incidenteel appel, advocaat: mr. H.A.W. van Wel te Weert, tegen [geïntimeerde 1] , en [geïntimeerde 2] , wonenden te [woonplaats] , geïntimeerden in principaal appel en appellanten in incidenteel appel, advocaat: mr. A.P.C. Houben te Weert, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 mei 2016, 30 augustus 2016 en 4 juli 2017 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Roermond van 6 augustus 2014, gewezen tussen appellanten in het principaal appel - ieder afzonderlijk [appellant] en [appellante] , tezamen [appellanten c.s.] - als eisers in conventie en verweerders in reconventie en geïntimeerden in het principaal appel - ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tezamen [geintimeerden c.s.] - als gedaagden in conventie en eisers in reconventie. Het hof zal de nummering van het tussenarrest van 4 juli 2017 voortzetten. 9Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - voornoemd tussenarrest van 4 juli 2017; - de door beide partijen op 29 augustus 2017 genomen aktes, telkens met producties; - de door beide partijen op 26 september 2017 genomen antwoordakte, waarbij [geintimeerden c.s.] in hun antwoordakte producties hebben overgelegd; Nadat partijen de stukken hebben gefourneerd, is bepaalt dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 10De beoordeling in het principaal en incidenteel appel: 10.1 Het hof heeft in het tussenarrest van 4 juli 2017 bepaald dat cassatie kan worden ingesteld. Geen der partijen heeft het hof laten weten dat cassatie is ingesteld, waaruit het hof afleidt dat geen cassatie is ingesteld, zodat de procedure niet is geschorst ex art. 404 Rv. 10.2 Het hof heeft in het tussenarrest van 4 juli 2017 voor zover hier van belang geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat er wordt afgerekend op basis van liquidatie conform art. 13, lid 1 van het v.o.f.-contract als [geintimeerden c.s.] de (of een) horeca-onderneming zouden hebben voortgezet onder dezelfde naam [naam] in hetzelfde pand, met hetzelfde personeel en met dezelfde inventaris. Hierbij is het volgens het hof relevant dat de inbreng in de onderneming van [geintimeerden c.s.] bestond uit de horeca-inventaris ter waarde van € 125.000,- en € 25.000,- aan goodwill, terwijl de inbreng van [appellanten c.s.] bestond uit € 150.000,- aan geld. Het hof heeft als voldoende vaststaand aangenomen dat [geintimeerden c.s.] de horeca-onderneming onder de naam [naam] met hetzelfde personeel, maar zonder medewerking van [appellanten c.s.] , in elk geval vijf maanden hebben voortgezet in dezelfde vorm als tijdens de v.o.f., en dat in elk geval ook heden ten dage de horeca-onderneming [naam] nog steeds door hen wordt gedreven. [geintimeerden c.s.] hebben, zo heeft het hof begrepen, dus in elk geval het gebruik van de volledige inventaris kunnen voortzetten evenals de naam [naam] en zijn het genot blijven hebben van de goodwill van de onderneming. Anderzijds, aldus het hof in het arrest van 4 juli 2017, hebben [geintimeerden c.s.] aangevoerd dat zij in feite alleen maar op een zo goedkoop mogelijke wijze en zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was afscheid hebben genomen van het in dienst zijnde personeel. Volgens [geintimeerden c.s.] zijn zij na voormelde vijf maanden gestopt met het restaurant op hoog niveau dat zij voorheen samen met [appellanten c.s.] exploiteerden, daarna is er 1,5 jaar een sluiting geweest en vervolgens zijn [geintimeerden c.s.] onder de naam [naam] een volledig andere horecaonderneming gaan exploiteren, zoals zij die voorheen voerden totdat ze met [appellanten c.s.] gingen samenwerken. Indien dit door [geintimeerden c.s.] aangevoerde juist is, aldus het hof, kan van [geintimeerden c.s.] niet zonder meer worden verlangd dat zij met [appellanten c.s.] afrekenen conform art. 14 van het v.o.f.-contract. 10.3 Het hof heeft partijen vervolgens in staat gesteld om een eindafrekening op te stellen aan de hand van door hen ingenomen feitelijke en deugdelijke onderbouwde stellingen. Bij die opstelling moesten partijen in acht nemen: a. de wijze waarop de arbeidsbeloning in de eindafrekening moet worden verwerkt zoals het hof in het tussenarrest van 4 juli 2017 in rov. 7.2.3 heeft vastgesteld; b. dat [appellanten c.s.] de in eerste instanties gevorderde correcties op basis van huur en op basis van goodwill hebben laten varen (zie pag. 6 van hun memorie van grieven); c. dat het in rov. 7.3.5 in het tussenarrest van 4 juli 2017 door het hof gegeven onaanvaardbaarheidsoordeel met zich brengt dat niet zal worden afgerekend volgens de letter van art. 13, lid 1 van het v.o.f.-contract; d. dat van [geintimeerden c.s.] in elk geval wordt verlangd dat zij voldoende onderbouwen dat het in dienst zijnde personeel toen [naam] nog door [geintimeerden c.s.] en [appellanten c.s.] tezamen werd gedreven, inderdaad na enige maanden is afgevloeid en [geintimeerden c.s.] toen zijn gestopt met het restaurant zoals zij dat voorheen met [appellanten c.s.] exploiteerden, en dat [geintimeerden c.s.] enige tijd daarna onder de naam [naam] een volledig andere horecaonderneming zijn gaan exploiteren zonder het personeel dat in elk geval tot 1 januari 2013 in dienst was. Kort gezegd, zo heeft het hof toegevoegd, zullen [geintimeerden c.s.] voldoende duidelijk moeten maken dat [naam] na het vertrek van [appellanten c.s.] is veranderd van een horeca-onderneming met bijna een ster of met sterambities, naar een onderneming met zaalverhuur en een cafédeel waarin simpele zaken als broodjes konden worden genuttigd. 10.4 Het hof heeft partijen vervolgens allereerst in staat gesteld om gezamenlijk aan het hof over te leggen één definitieve eindafrekening waarin zij zich allen kunnen vinden. Partijen zijn daarin niet geslaagd. 10.5.1 Partijen hebben wel ieder voor zich overgelegd een eindafrekening volgens liquidatie en een eindafrekening volgens voortzetting met inachtneming van, aldus elke partij, de hiervoor in rov. 10.2 genoemde punten. 10.5.2 [appellanten c.s.] komen uit op een aan hen te betalen liquidatiewaarde van € 12.979,- (nr. 25 van hun akte d.d. 29 augustus 2017: € 6.490,- voor dhr. [appellant] en € 6.489,- voor mevr. [appellante] ). Zij komen uit op een aan hen te betalen voortzettingswaarde van € 70.067,- (nr. 23 van hun net genoemde akte: € 35.034,- voor dhr. [appellant] en € 35.033,- voor mevr. [appellante] ). 10.5.3 [geintimeerden c.s.] komen uit op een aan hen te betalen liquidatiewaarde van € 19.889,- (nr. 26 van hun akte d.d. 29 augustus 2017). Zij komen uit op een door hen te betalen voortzettingswaarde van € 5.325,- (nr. 27 van hun net genoemde akte). 10.5.4 Het verschil in de uitkomst ter zake de berekening van de liquidatiewaarde is hoofdzakelijk te vinden in de volgende posten: i. de waardering van goodwill aan het einde van de samenwerking; ii. de aanvangswaarde van bepaalde zaken (volgens [geintimeerden c.s.] kostte de muziekinstallatie geen € 18.000,- maar € 8.000,- en stellen [geintimeerden c.s.] dat de volgens [appellanten c.s.] aangeschafte wijnkoelsystemen zijn gehuurd); iii. het aantal jaren waarover moet worden afgeschreven (twee jaar volgens [appellanten c.s.] , drie jaar volgens [geintimeerden c.s.] (nr. 24 akte [appellanten c.s.] ); iv. de berekening van de executiewaarde van onder meer de verbouwing die volgens [geintimeerden c.s.] 30% is van de onderhandse waarde, maar volgens [appellanten c.s.] minstens 50% is van de onderhandse waarde. 10.6 Uit het inmiddels over en weer aangevoerde en met inachtneming van de door partijen overgelegde producties, waaronder menu’s en wijnkaarten van vóór de verbreking van de samenwerking en van na de verbreking van de samenwerking en schriftelijke verklaringen van [getuige 1] (productie 5 akte 29 augustus 2017 [geintimeerden c.s.] ) en [getuige 2] (productie 7 akte 29 augustus [appellanten c.s.] ), beiden (ex-)werknemers, komt het hof tot het oordeel dat noch kan worden gesproken van liquidatie in de zin van art. 13 van de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie rov. 4.1 sub a en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.