GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.192.131/01 zaaknummer rechtbank : C/02/298111 FA RK 15-2569 beschikking van de meervoudige kamer van 23 februari 2017 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. H.H.C. van de Kerkhof te Helmond, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.M.G. Cox te Tilburg, voorheen mr. N.W. Verbruggen-van Heijst. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De man is op 19 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 februari 2016. 2.2. De vrouw heeft op 13 juli 2016 een verweerschrift ingediend. 2.3. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: het schrijven van de advocaat van de man van 8 juni 2016, ingekomen op 9 juni 2016, met als bijlage de bestreden beschikking; een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op 5 januari 2017. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Partijen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Beide advocaten zijn wel verschenen. 2.5. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 3De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ). De man heeft [minderjarige 1] erkend. De vrouw oefent alleen het gezag over haar uit. 3.3. De man is vervolgens gehuwd met mevrouw [nieuwe partner] . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: [minderjarige 2] (op [geboortedatum] 2010), [minderjarige 3] (op [geboortedatum] 2012) en [minderjarige 4] (op [geboortedatum] 2015). Tussen partijen is niet in geschil dat voor deze drie kinderen uitgegaan kan worden van een totale behoefte van € 1.287,= per maand (€ 429,= per kind per maand). Dat het aandeel van de man in de behoefte van deze kinderen, zoals becijferd bij de bestreden beschikking, € 705,= per maand bedraagt (€ 235,= per kind per maand), is tussen partijen evenmin in geschil. 3.4. Bij beschikking van 11 mei 2009 heeft de rechtbank, op basis van een dienaangaande door partijen bereikte overeenstemming, bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] € 150,= per maand dient te voldoen. Deze alimentatie bedraagt met ingang van het jaar 2016 ingevolge de wettelijke indexering € 164,35 per maand. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 11 mei 2009, de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 1 mei 2015 nader bepaald op € 133,= per maand. 4.2. De man verzoekt het hof om vernietiging van de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 23 september 2010, althans met ingang van 4 september 2012, althans met ingang van 1 januari 2015, althans met ingang van het moment waarop het verzoek bij de rechtbank is ingediend, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag dat het hof juist acht. Voor zover het hof van oordeel is dat de kinderalimentatie dient in te gaan op een eerder tijdstip dan door de rechtbank is bepaald, verzoekt de man het hof te bepalen dat de vrouw als gevolg van de verzochte wijziging de door de man teveel betaalde kinderalimentatie aan de man dient te restitueren. 4.3. Het hof constateert dat de draagkracht van de man niet ter discussie staat. Dat de man in staat is om de door de rechtbank gewijzigde kinderalimentatie ten bedrage van € 133,= per maand te betalen, staat dan ook vast. De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw becijferd op € 70,= per maand, hetgeen evenmin in geschil is. 4.4. De grieven van de man zien op de ingangsdatum en de behoefte van [minderjarige 1] . Tevens heeft de man een voorwaardelijke grief gericht tegen de aan de vrouw door de rechtbank opgelegde terugbetalingsverplichting indien het hof de ingangsdatum vaststelt op een datum gelegen vóór 1 mei 2015. 5De motivering van de beslissing Ingangsdatum 5.1.1. De man stelt in zijn eerste grief dat de vrouw vanaf 2009 onafgebroken een WWB-uitkering (thans genaamd een uitkering krachtens de participatiewet) ontvangt. Zij zal geen financieel nadeel ondervinden van een wijziging van de door de man te betalen kinderalimentatie op één van de door de man genoemde data gelegen vóór het moment van indiening van zijn inleidend verzoekschrift. Het door de vrouw te ontvangen bedrag aan kinderalimentatie wordt volledig in mindering gebracht op haar uitkering. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en is van mening dat de rechtbank terecht 1 mei 2015 als ingangsdatum heeft genomen. Het hof overweegt als volgt. 5.1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad laat artikel 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het verzoekschrift en de datum van de beschikking. Bij het voorgaande moet in het algemeen als uitgangspunt gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik maakt. De rechter zal moeten oordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw, kan worden verlangd dat deze is gehouden tot terugbetaling van hetgeen reeds is verbruikt. Het verzoekschrift van de man in eerste aanleg, waarin hij verzoekt om nihilstelling, althans verlaging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , dateert van 21 april 2015 en is ingekomen bij de rechtbank op 22 april 2015. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de ingangsdatum terecht heeft vastgesteld op 1 mei 2015. Het hof ziet in de argumenten van de man geen reden om af te wijken van de gebruikelijke lijn, omdat hij vanaf dat moment rekening kon houden met een eventuele verlaging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De omstandigheid dat een verlaging van de kinderalimentatie geen invloed heeft op de feitelijke inkomenssituatie van de vrouw, omdat zij een WWB-uitkering ontvangt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Een WWB-uitkering is immers een aanvullende uitkering voor zover daarin door de onderhoudsplichtigen niet in de kosten van verzorging en opvoeding is en kan worden voorzien. Daarbij komt dat een eventuele terugbetalingsverplichting niet op de gemeente maar op de vrouw rust en er niet zonder meer van uit kan worden gegaan dat de gemeente de vrouw hiervoor zal compenseren, mede gezien het tijdsverloop sinds de door de man voorgestane wijzigingsdata gelegen voor 1 mei 2015. De man heeft nagelaten zijn andersluidende stellingen tegenover het gemotiveerde verweer van de vrouw nader te onderbouwen. Behoefte van [minderjarige 1] 5.2.1. De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige 1] vastgesteld aan de hand van de richtlijn die de Expertgroep Alimentatienormen geeft voor een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. Uit de bestreden beschikking blijkt dat partijen het erover eens waren dat in beginsel het jaar 2003 als uitgangspunt heeft te gelden voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige 1] . Voor de man is de rechtbank uitgegaan van zijn inkomen over het jaar 2002 van € 18.927,= op jaarbasis, hetgeen resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 1.280,= en een daarmee corresponderende behoefte van [minderjarige 1] van € 191,= per maand in het jaar 2003; Voor de vrouw is de rechtbank uitgegaan van een geschat inkomen over het jaar 2003 uit WW, zijnde € 1.470,= bruto per maand (70% van haar laatstgenoten inkomen van € 2.100,= bruto per maand). Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is door de rechtbank vastgesteld op € 1.222,= per maand, waarmee de behoefte van [minderjarige 1] in het jaar 2003 neerkomt op € 162,= per maand; Geïndexeerd naar het jaar 2016 becijfert de rechtbank de behoefte van [minderjarige 1] op € 219,= per maand. 5.2.2. De man stelt in zijn appelschrift onder aanvoering van de grieven 2 t/m 8 de (becijfering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.