GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 15/00430 tot en met 15/00458 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 januari 2015, nummers AWB 12/7201 tot en met 12/7214 en 12/7216 tot en met 12/7230, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de na te noemen (navorderings)aanslagen en de daarbij opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffingsrente. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting (navordering) Boete Heffings- rente IB/PVV 1990 H08 15/00430 f 9.018 9.018 4.232 VB 1991 K18 15/00449 f 3.696 3.696 1.733 1.2. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting (navordering) Boete Heffings- rente IB/PVV 1991 H18 15/00431 f 13.329 13.328 5.206 IB/PVV 1992 H28 15/00432 f 12.689 12.688 4.201 IB/PVV 1993 H38 15/00433 f 11.560 11.559 3.244 IB/PVV 1994 H48 15/00434 f 9.089 9.089 2.146 VB 1992 K28 15/00450 f 3.622 3.622 1.408 VB 1993 K38 15/00451 f 3.712 3.712 1.225 VB 1994 K48 15/00452 f 3.737 3.737 1.046 VB 1995 K58 15/00453 f 3.651 3.651 861 VB 1996 K68 15/00454 f 4.160 4.160 870 VB 1997 K78 15/00455 f 4.096 4.096 770 1.3. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2000 H06 15/00440 f 11.104 11.104 1.001 1.4. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 6 juni 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met boetes. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting (navordering) Boete Heffings- rente IB/PVV 1996 H67 15/00436 f 9.108 9.108 1.857 IB/PVV 1997 H77 15/00437 f 9.386 9.386 1.773 IB/PVV 1998 H87 15/00438 f 9.506 9.506 1.486 IB/PVV 1999 H97 15/00439 f 10.329 10.329 1.305 VB 1998 K87 15/00456 f 4.151 4.151 649 VB 1999 K97 15/00457 f 4.095 4.095 517 VB 2000 K07 15/00458 f 4.578 4.578 412 1.5. Aan belanghebbende is met dagtekening 17 juni 2003 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting (navordering) Boete Heffings- rente IB/PVV 1995 H57 15/00435 f 9.351 9.351 1.976 1.6. De in 1.1 tot en met 1.5 bedoelde belastingaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 23 juli 2004 gehandhaafd. 1.7. Belanghebbende is van de in 1.6 bedoelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep, bij uitspraak van 10 december 2010 met nummer 04/01606 gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, de zaak teruggewezen naar de Inspecteur en hem opgedragen om opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van deze uitspraak. 1.8. Belanghebbende heeft tegen de in 1.7 bedoelde uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, bij arrest van 14 oktober 2011 met nummer 11/00343, met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard. 1.9. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 3 december 2004 aanslagen in de IB/PVV opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslagen en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2001 H16 15/00441 € 4.421 4.421 414 IB/PVV 2002 K26 15/00442 € 4.408 4.408 268 1.10. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 december 2006 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2003 H36 15/00443 € 4.421 4.421 546 1.11. Aan belanghebbende is met dagtekening 20 december 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2004 H46 15/00444 € 4.420 4.420 609 1.12. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 december 2008 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2005 H56 15/00445 € 4.458 4.457 629 1.13. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2009 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2006 H66 15/00446 € 5.028 5.028 790 1.14. Aan belanghebbende is met dagtekening 17 december 2010 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2007 H76 15/00447 € 5.193 5.152 708 1.15. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 april 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen: Belasting- Soort Jaar Aanslag- nummer [aanslagnummer] Kenmerk Hof Belasting Boete Heffings- rente IB/PVV 2008 H86 15/00448 € 2.716 2.716 253 1.16. Nadat belanghebbende op 20 juni 2012 is gehoord, heeft de Inspecteur op 30 november 2012 uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1991 tot en met 2000. Het bezwaar is deels gegrond en deels ongegrond. De Inspecteur heeft een kostenvergoeding van € 654 toegekend en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.17. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft: het beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 1993 en VB 1991 tot en met VB 1993 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boeten vernietigd; en de belastingaanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1994 tot en met VB 1999 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boeten zoals deze bij de ambtshalve verleende verminderingen zijn komen te luiden, gehandhaafd. 1.18. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.19. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.20. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.21. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 oktober 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , advocaat te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , de heer [C] en de heer [D] . Het hoger beroep van de echtgenote van belanghebbende, mevrouw [echtgenote] , kenmerk 15/00459, is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld. 1.22. Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten. 1.23. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1947, is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). 2.2. Belanghebbende was voor onderhavige jaren beschreven voor de inkomsten- en vermogensbelasting en heeft aangifte voor die middelen gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL). 2.3. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KBL. 2.4. Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. 2.5. Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels: “JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994 (…) [nummer 1] TER LDO [belanghebbende] - [echtgenote] OU [E] 109.317,16 (…) [nummer 2] VUE [belanghebbende] - [echtgenote] OU [E] -16,30” 2.6. Door [F] is op 25 maart 2010 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts belanghebbende, gehuwd met de echtgenote, als enige rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking. 2.7. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. 2.8. De Inspecteur heeft met dagtekening 15 januari 2002 aan belanghebbende een rappel vragenbrief gezonden. 2.9. Belanghebbende heeft bij ongedateerde brief geantwoord dat hij zich niet kan herinneren een bankrekening in het buitenland te hebben aangehouden en vraagt om de gegevens waarop de vraag over de buitenlandse bankrekeningen is gebaseerd. 2.10. De Inspecteur heeft bij brief van 23 januari 2002 nogmaals gerappelleerd. 2.11. Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2002 verzocht om een WOB-besluit. 2.12. Bij brief van 5 april 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) nogmaals verzocht de bij brief van 8 januari 2002 gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft de Inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. 2.13. De gemachtigde heeft per brief van 8 mei 2002 een klacht ingediend omdat de Inspecteur, in reactie op de brief van de gemachtigde van 25 januari 2002, nog geen WOB-besluit heeft genomen. 2.14. De Inspecteur heeft bij brief van 13 mei 2012 het WOB-verzoek van belanghebbende afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar is eveneens afgewezen. 2.15. Bij brief van 25 september 2002 heeft de Inspecteur zijn voornemen met betrekking tot het opleggen van onder meer de belastingaanslagen IB/PVV 1990, 1994, 1997 en 1999 en VB 1991, 1995 en 2000 te kennen gegeven. 2.16. De gemachtigde heeft op de in 2.15 bedoelde brief gereageerd bij brief van 1 oktober 2002 en heeft nogmaals om informatie verzocht. 2.17. De Inspecteur heeft bij brief van 28 november 2002 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten aangekondigd. 2.18. De gemachtigde heeft op de in 2.17 bedoelde brief bij brief van 11 december 2002 gereageerd. 2.19. De Inspecteur heeft bij brief van 18 december 2002 aan gemachtigde de boeten behorende bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g en 67k van de AWR aangekondigd. Hiernaast heeft de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid gesteld de aangiften in te zien. 2.20. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten zijn op 31 december 2002 opgelegd (zie 1.1). 2.21. De gemachtigde heeft namens belanghebbende bij brief van 7 januari 2003 bezwaar ingesteld tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991. Het bezwaar is bij brief van 20 februari 2003 gemotiveerd. 2.22. De Inspecteur heeft bij brief van 22 april 2003 aangegeven dat de termijn voor het doen van een uitspraak één jaar na ontvangst van het bezwaar is, dat hij voorlopig nog geen uitspraak op bezwaar zal doen in verband met de lopende procedures en dat de uitspraaktermijn met nog één jaar verlengd kan worden. 2.23. De Inspecteur heeft bij brief van 24 april 2003 de gemachtigde in kennis gesteld van de op te leggen belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000, alle met een bestuurlijke boete. 2.24. De Inspecteur heeft bij brief van 19 mei 2003 aan de gemachtigde van belanghebbende ex artikel 67g van de AWR mededeling gedaan van de boeten behorende bij de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met 2000.. 2.25. De Inspecteur heeft met dagtekeningen 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003 de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 met boeten (zie 1.2 tot en met 1.5) opgelegd. 2.26. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 21 mei 2003, 10 juni 2003 en 27 juni 2003 tegen de belastingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 en de daarbij behorende boeten tijdig bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschriften heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met het aanhouden van de bezwaarschriften in afwachting van de onherroepelijke uitspraak van, onder andere, de procedure [G] . 2.27. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 januari 2004 meegedeeld dat hij op 6 januari 2004 toestemming heeft gekregen van de staatssecretaris van Financiën om de uitspraaktermijn met een jaar te verlengen ex artikel 25, lid 2 van de AWR tot 7 januari 2005. 2.28. De Inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2004 voor alle cliënten van de gemachtigde een aanspreekpunt aangewezen en een informatieset naar de gemachtigde verstuurd. 2.29. In juni en juli 2004 hebben partijen over en weer schriftelijk en telefonisch contact gehad over de inhoudelijke motivering van de Inspecteur en het eventueel te houden hoorgesprek tussen partijen. 2.30. De Inspecteur heeft bij brief van 23 juli 2004 in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000 en boeten. De bezwaren zijn ongegrond verklaard. 2.31. De Inspecteur heeft bij brieven van 16 november 2004 aangekondigd van de aangifte IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 af te wijken en een boete op te leggen. 2.32. De aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 en boeten zijn met dagtekening 3 december 2004 opgelegd (zie 1.9). 2.33. De gemachtigde heeft namens belanghebbende op 9 december 2004 tegen de aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 bezwaar gemaakt. 2.34. De Inspecteur is ook afgeweken van de aangiften IB/PVV 2003 tot en met IB/PVV 2008 en heeft hiervoor de onder 1.10 tot en met 1.15 vermelde aanslagen opgelegd. 2.35. De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de aanslagen IB/PVV 2003 tot en met IB/PVV 2008 tijdig bezwaar gemaakt. De bezwaarschriften zijn aangehouden in afwachting van het resultaat van het door belanghebbende ingestelde beroep betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1991 tot en met 2000. 2.36. Bij uitspraak met nummer 04/01606 van 10 december 2010 (zie 1.7) heeft het Hof het beroep betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1991 tot en met VB 2000 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de zaak teruggewezen naar de Inspecteur en hem opgedragen om opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende met inachtneming van deze uitspraak. 2.37. Bij arrest met nummer 11/00343 van 14 oktober 2011 (zie 1.8) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard. 2.38. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote op 20 juni 2012 gehoord. 2.39. De Inspecteur heeft bij brief van 30 november 2012, gevolgd door verminderingsbeschikkingen met dagtekening 15 december 2012, uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de belastingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2008 en VB 1991 tot en met VB 2000 (zie 1.16). 2.40. Nadat de Inspecteur in kort geding gegevens over de buitenlandse bankrekening heeft gevorderd, heeft de gemachtigde bij brief van 1 juli 2013 geconstateerd dat belanghebbende en zijn echtgenote rekeninghouder waren bij de KBL. Naar aanleiding van de nadien door belanghebbende overgelegde gegevens heeft de Inspecteur nieuwe berekeningen van de belastingaanslagen gemaakt en de belastingaanslagen ambtshalve verminderd op 11 februari 2014 (IB/PVV 2007), 12 februari 2014 (IB/PVV 2008) en 15 februari 2014. Dit resulteert in het volgende overzicht voor belanghebbende: IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2000, in guldens: Procedure Jaar [aanslagnummer] belastbaar inkomen belasting boete heffingsrente 12/7201 1990 H08 20.000 0 0 0 12/7202 1991 H18 83.275 0 0 0 12/7203 1992 H28 83.275 0 0 0 12/7204 1993 H38 89.884 0 0 0 12/7205 1994 H48 88.869 1.500 1.080 355 12/7206 1995 H57 94.760 1.500 1.080 314 12/7207 1996 H67 97.875 1.575 1.134 320 12/7208 1997 H77 98.626 1.650 1.188 311 12/7209 1998 H87 97.042 1.725 1.242 269 12/7210 1999 H97 101.718 1.802 1.297 227 12/7211 2000 H06 94.796 1.732 1.247 155 IB/PVV 2001 tot en met IB/PVV 2008, in euro’s: Procedure Jaar [aanslagnummer] b.i. box 1 b.i. box 3 belasting boete heffingsrente 12/7212 2001 H16 39.605 9.307 412 295 39 12/7213 2002 H26 43.069 9.301 417 299 25 12/7214 2003 H36 43.980 8.969 448 322 55 12/7215 2004 H46 47.148 5.496 468 336 64 12/7217 2005 H56 32.108 9.386 490 352 69 12/7218 2006 H66 49.033 9.229 494 355 77 12/7219 2007 H76 47.353 7.061 467 335 64 12/7220 2008 H86 56.383 5.222 333 239 31 VB 1991 tot en met VB 2000, in guldens: Procedure Jaar [aanslagnummer] belastbaar vermogen belasting boete heffingsrente 12/7221 1991 K18 117.000 0 0 0 12/7222 1992 K28 120.000 0 0 0 12/7223 1993 K38 125.000 0 0 0 12/7224 1994 K48 196.000 480 346 134 12/7225 1995 K58 218.000 464 334 109 12/7226 1996 K68 222.000 472 340 99 12/7227 1997 K78 219.000 424 305 79 12/7228 1998 K87 301.000 420 302 65 12/7229 1999 K97 307.000 427 307 53 12/7230 2000 K07 306.000 392 282 35 2.41. Op 20 juni 2007 heeft de heer [H] als getuige ter zitting van het gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende verklaard (zie de bijlage bij het beroepschrift): Vraagsteller: “3.4. In uw proces-verbaal schrijft u vanaf pagina 4 over uw contacten met buitenlandse collegae. Deze contacten dateren van april, mei 2001 alsmede januari 2002. Zijn deze gesprekken vastgelegd? (…)”. [H] : “Ik heb daar notities van gemaakt, op basis daarvan heb ik een ambtshandeling gemaakt na afloop van het bezoek. Die notities heb ik niet meer. Vraagsteller: “3.7. Is het juist dat de BBI (Bijzondere belastinginspectie) fiscaal strafrechtelijke onderzoeken verricht in België (m.a.w. de tegenhanger is van de FIOD in Nederland)?”. [H] : “Voor zover ik weet wel.”. Vraagsteller: “3.8. Verschillende Belgische ambtenaren, waaronder de heer [K] , hebben u geattendeerd op een politieman die nauw bij het onderzoek betrokken was, de heer [L] . Waarom heeft u hem nooit gesproken? Zijn er wel pogingen ondernomen hem te spreken?”. [H] : “Ik had daar geen behoefte aan. Hij was niet meer werkzaam op het kantoor in [plaats 3] waar ik toentertijd ben geweest. Op uw vraag waarom ik daar geen behoefte had, antwoord ik dat de personen met wie wel contact had, mij van voldoende informatie konden voorzien.”. 2.42. Op 23 mei 2014 heeft de heer [K] als getuige ter zitting van de Rechtbank op vragen van de heer [A] onder meer het volgende verklaard: [A] : “17. Herinnert u zich dat u, in het kader van KB-Lux op enig moment, met de heer [H] , ambtenaar van de Nederlandse Belastingdienst, hebt gesproken?”. [K] : “Ja.”. [A] : “18. Wanneer was dat? Als u geen herinnering aan een datum hebt, kunt u het gesprek met [H] plaatsen in het verloop van het KB-Lux onderzoek tot dan toe? Was er, toen u de heer [H] sprak, al gepubliceerd over de witwas van onrechtmatig verkregen bewijs?”. [K] : “Dat was in 2001/2002.”. [A] : “20. Hebt u hem telefonisch gesproken of hebt u hem ook ontmoet?”. [K] : “Ik zal hem eerst wel telefonisch hebben gesproken en ik heb hem eenmalig ontmoet.”. [A] : 21. “Wist u, vooraf, waarover hij met u wilde spreken?”. [K] : “Hij was teamleider van Rekeningenproject en ik wist dat hij daarover wilde spreken.”. [A] : “22. Hoe lang hebben die gesprekken ongeveer geduurd?”. [K] : “Het was 1 gesprek en het duurde circa. 1 uur tot 1,5 uur.”. [A] : 23. “Wat vroeg de heer [H] ?”. [K] : “Hij had een aantal vragen over de stand van zaken over het strafrechtelijk onderzoek in België en over de discussie die er gaande was over de wijze waarop de documenten in handen waren gekomen van de Belgische justitie.”. [A] : “24. Wat hebt u hem verteld?”. [K] : “Ik kan mij niet precies herinneren wat wij hebben besproken.”. [A] : “25. Hebt u de heer [H] geïnformeerd over het verloop van het KB-Lux-onderzoek tot dan toe? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”. [K] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”. [A] : “26. Hebt u de heer [H] geïnformeerd over voornoemde ‘witwas’ van onrechtmatig verkregen bewijzen? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?” [K] : “nee de term witwassen is niet gevallen. Er is wel gesproken over de discussie die er was over de rechtmatigheid van het bewijs.”. [A] : 27. “Hebt u, op enig moment, de heer [H] over de gang van zaken willen informeren en heeft de heer [H] gezegd: “Ik wil het niet weten”.?”. [K] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”. [A] : “28. Zijn er andere punten die u over de besprekingen met de heer [H] wil zeggen?”. [K] : “Nee.”. [A] : “Is uw bekend dat er strafaangiften zijn gedaan tegen de onderzoeksrechter en een aantal van uw collega’s” en “was dat voor of na uw bespreking met de heer [H] ”. [K] : “enkele jaren daarna”. 2.43. Het Hof van Cassatie in België heeft op 31 mei 2011 beslist dat het Brusselse Hof van Beroep op 10 december 2010 terecht had geoordeeld dat de strafvervolging tegen werknemers van KBL niet-ontvankelijk was en dat alle verdachten in die zaak daarom moesten worden vrijgesproken. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig en heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Heeft de Inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen? Zijn de boeten ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag vastgesteld? Heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange behandelduur van het hoger beroep? Heeft de Rechtbank belanghebbende ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding toegekend? Belanghebbende is van mening dat de vragen a en b ontkennend en de vragen c, d en e bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. In hoger beroep is, naar partijen ter zitting van het Hof desgevraagd nadrukkelijk hebben verklaard, niet meer in geschil: de toerekening zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de KBL-correcties; en de vraag of de door belanghebbende verstrekte informatie is gevorderd in strijd met artikel 52a van de AWR. 3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en vermindering van de aanslagen met de KBL-correcties, toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange behandelduur van het hoger beroep en toekenning van een proceskostenvergoeding gebaseerd op werkelijke kosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Ten aanzien van vraag a (rechtmatigheid bewijs en op de zaak betrekking hebbende stukken) 4.1.1. Belanghebbende beklaagt zich over de vaststelling door het Hof van de feiten in eerdere, soortgelijke, zaken, waarin het Hof uitspraak heeft gedaan en waar de Rechtbank naar verwijst. Tevens stelt hij dat in de onderhavige zaak de Rechtbank de feiten niet juist heeft vastgesteld. Het Hof overweegt in dat verband dat belanghebbende zijn eigen stellingen als feiten vastgesteld wil zien, maar dat die stellingen, voor zover niet onder de feiten opgenomen, door de Inspecteur zijn weersproken. Voor zover van belang voor de beoordeling van de onderhavige vraag, zal het Hof hierna bewijsoordelen geven over de desbetreffende stellingen van belanghebbende. 4.1.2. Belanghebbende stelt dat de uit België ontvangen afschriften van microfiches niet door de Inspecteur mogen worden gebruikt. Daartoe neemt belanghebbende de volgende standpunten in: de Belgische autoriteiten hebben niet vermeld dat de gegevens in België onder onrechtmatige omstandigheden zijn verkregen; de Belgische autoriteiten hebben zodanig onrechtmatig gehandeld dat de gegevens om die reden van bewijs moeten worden uitgesloten; de Inspecteur heeft geen kennis willen nemen van de onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België en handelt daarmee in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tegenover belanghebbende; en de Inspecteur heeft, tegen beter weten in, gesteld niet van de onrechtmatige verkrijging door de Belgische autoriteiten en de verstrekking van de gegevens in strijd met de goede trouw op de hoogte te zijn. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunten enkele artikelen uit publicaties overgelegd alsmede verklaringen van de heer [H] (zie 2.41) en de heer [K] (zie 2.42). Volgens belanghebbende kunnen de microfiches niet tot bewijs dienen. 4.1.3. De Inspecteur heeft hiertegen het volgende ingebracht: de heer [H] heeft wel degelijk gerapporteerd over de inhoud van het gesprek met de heer [K] en het feit dat met de heer [K] over de verkrijging en de juridische strijd in België is gesproken; en de Inspecteur heeft de voornoemde informatie wel degelijk aan het dossier toegevoegd. 4.1.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. De desbetreffende regels gelden nog steeds, gezien het arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173 (hierna: het arrest BNB 2015/173). Dat beoordelingskader is in het arrest BNB 2015/173 als volgt weergegeven: “2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak. 2.3.2. Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken. 2.3.3. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.