GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.212.655/01 arrest van 13 maart 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de vrouw, advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt te Heerlen , tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz te Landgraaf, op het bij exploot van dagvaarding van 20 april 2016, hersteld bij exploot van 10 oktober 2016, ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 1 februari 2012, 5 juni 2013, 20 mei 2015 en 27 januari 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/165708/HAZA 11-768) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven tevens inhoudende wijziging van eis c.q. aanvulling grondslag vordering met producties; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en eiswijziging met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep en reactie op de eiswijziging met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Op 18 september 1991 hebben partijen gezamenlijk in eigendom verkregen een woning met ondergrond en verdere toebehoren, gelegen aan de [adres 1] (thans [adres 2] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] ) te [plaats] (hierna: de woning). Aan de vrouw is 2/3e gedeelte van het onverdeeld aandeel in de woning geleverd en aan de man 1/3e gedeelte. 3.1.2. Bij de aankoop van de woning is door partijen bij de [bank 1] Bank een hypothecaire geldlening afgesloten van fl. 140.000,-- (thans: € 63.529,--). Deze hypothecaire geldlening is op of omstreeks 30 september 2008 afgelost door aanwending van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde spaarverzekering bij de [bank 1] Bank met een toenmalige waarde van € 17.942,42 en bijbetaling van € 44.701,80. De bijbetaling is geschied met gelden die afkomstig waren van de broer van de vrouw. 3.1.3. Partijen zijn op 22 juli 1992, na het maken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden is iedere gemeenschap van goederen tussen partijen uitgesloten en zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen. 3.1.4. Op 1 oktober 2008 is het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank Maastricht (thans: rechtbank Limburg) ingediend. De rechtbank heeft op 3 maart 2010 de echtscheiding van partijen uitgesproken. Op 23 maart 2010 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 3.2. Tussen partijen is de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen in geschil. 3.2.1. De man heeft de vrouw in rechte betrokken. Hij heeft in conventie, voor zover in hoger beroep van belang – samengevat – gevorderd te bevelen dat de vrouw: 1. aan de man betaalt: a. primair: € 62.168,--; b. subsidiair: € 62.168,-- minus de helft van de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekering, c. meer subsidiair: de helft van de waarde van het spaargedeelte van de spaarhypotheek, zijnde € 8.969,29; 2. aan de man betaalt de helft van de waardevermeerdering door de verbeteringen en verbouwingen aan en van de woning én 1/3e deel van de waarde van de woning. 3.2.2. De vrouw heeft de vorderingen in conventie weersproken. Voorts heeft zij een vordering in reconventie ingediend. Samengevat heeft de vrouw, voor zover in hoger beroep van belang, veroordeling van de man gevorderd: tot betaling aan haar van: € 22.203,09 voor de aflossing van de hypothecaire lening; de waarde van het 1/3e aandeel van de man in de woning; € 24.715,47 voor aan de woning verrichte reparaties en herstellingen; € 19.408,31 voor de aanwending van privévermogen voor de aankoop van een auto van het merk Renault (hierna: de Renault) voor de man en veroordeling van de man om de helft van de waarde van de Renault aan de vrouw te betalen; € 1.162,58 voor door de man op 20 augustus 2008 betaalde advocaatkosten à € 2.325,15. en tot overlegging van bescheiden van twee bankrekeningen; 3.2.3. De man heeft de vordering in reconventie weersproken. 3.2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.3.1. In het tussenvonnis van 1 februari 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. 3.3.2. In het tussenvonnis van 5 juni 2013 heeft de rechtbank de vrouw opgedragen te bewijzen dat de aankoop van de woning voor een bedrag van fl. 182.128,48, althans meer dan fl. 100.000,-- is gefinancierd met gelden afkomstig van haar ouders. Verder is de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands aan te nemen feit dat het saldo op 1 oktober 2008 op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] (Klimrenterekening) is opgebouwd met te verrekenen vermogen. 3.3.3. In het tussenvonnis van 20 mei 2015 heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen ter beantwoording van de vraag wat op het moment van de taxatie de waarde van de woning in het economisch verkeer, onverhuurd en vrij van gebruiksrechten, is. 3.3.4. In het eindvonnis van 27 januari 2016 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld: - de woning is toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting om, na verrekening van de aanspraak van de vrouw op de gemeenschap waartoe de zaak behoorde, uit hoofde van overbedeling aan de man € 66.540,66 te betalen, met dien verstande dat betaling uiterlijk dient plaats te vinden bij gelegenheid van de levering als bedoeld in artikel 3:186 lid 1 BW, met bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de door de man in dit kader op te maken akte of een deel daarvan; de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen: € 14.900,60 voor de door de vrouw verrichte aflossing op de gezamenlijke hypothecaire schuld, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 25 september 2008 tot de dag van voldoening; € 500,-- ter verrekening van het vermogen bestaande uit de waarde van de Renault, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 11 januari 2012 tot de dag van voldoening; en de vrouw is veroordeeld om aan de man: - ter verrekening van het vermogen bestaande uit het saldo op de Klimrenterekening (nummer [rekeningnummer 1] ), te betalen een bedrag ter hoogte van de helft van het saldo per 1 oktober 2008; - stukken te doen toekomen waaruit de hoogte van het saldo van de Klimrenterekening (nummer [rekeningnummer 1] ) per 1 oktober 2008 blijkt op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag na ommekomst van een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. 3.4.1. De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en opnieuw rechtdoende, samengevat: te bepalen dat de woning aan haar wordt toegedeeld, onder de verplichting om, na verrekening van haar aanspraak op de eenvoudige gemeenschap, uit hoofde van overbedeling aan de man € 26.825,20 te betalen, met dien verstande dat betaling uiterlijk dient plaats te vinden bij gelegenheid van de levering (art. 3:186 lid 1 BW), met de bepaling dat het te wijzen arrest in de plaats treedt van de door de man “in dit kader op te maken akte of een deel daarvan” (het hof begrijpt: in de plaats treedt van de vereiste medewerking van de man aan de in dit kader op te maken akte of een deel daarvan); de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen € 22.350,90 voor de door haar verrichte aflossing op de gezamenlijke hypothecaire schuld, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 25 september 2008; primair: de man te veroordelen tot betaling van € 19.408,30 voor een door haar verrichte betaling uit haar privé vermogen voor de aankoop door de man van de Renault, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 11 januari 2012; subsidiair: de man te veroordelen tot betaling van € 900,-- aan de vrouw vanwege verrekening van het vermogen bestaande uit de waarde van de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2012; 4) primair: de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 57.101,39 dan wel een door het hof te bepalen bedrag, voor door de vrouw aan derden betaalde bedragen voor gewoon onderhoud en/of behoud van de woning en voor handelingen die geen uitstel kunnen lijden alsmede een bedrag van € 17.045,-- dan wel een door het hof te bepalen bedrag voor de uren die de broer van de vrouw aan die werkzaamheden heeft besteed en de door hem betaalde kosten, beide bedragen (€ 74.146,39) te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 11 januari 2012; subsidiair: de man te veroordelen tot betaling van een bedrag dat gelijk is aan de waardevermeerdering van de woning, ontstaan door de investeringen van de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) vanaf 11 januari 2012; 5. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag uit hoofde van verrekening van de door de man aan zijn voormalig advocaat betaalde nota voor een bedrag van € 1.162,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2008 althans 25 juli 2012; 6. compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vrouw heeft hiertoe acht grieven en een eiswijziging aangevoerd. 3.4.2. De man heeft de grieven weersproken. Voorts heeft hij incidenteel appel ingesteld en hiertoe twee grieven en een eiswijziging aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de beroepen vonnissen met uitzondering van de beslissingen over de advocaatkosten, de Klimrenterekening en de kosten voor het achterstallig onderhoud van de woning. 3.4.3. De vrouw heeft het incidenteel appel en de eiswijziging weersproken. 3.5. De grieven hebben betrekking op: de woning (grieven I, II, VI, VII, VIII en de wijzing van eis c.q. aanvulling grondslag van de vordering in het principaal appel en wijziging eis in het incidenteel appel); de auto (grieven III en IV in het principaal appel); de advocaatkosten (grief V in het principaal appel, grief 1 in het incidenteel appel); de Klimrenterekening (grief 2 in het incidenteel appel); Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen in het principaal en incidenteel appel toewijsbaar zijn. De achtste grief in het principaal appel betreft een zogenaamde veeggrief die geen afzonderlijke bespreking behoeft. 3.6. De vrouw heeft onder meer vernietiging gevorderd van de vonnissen van 1 februari 2012 en 20 mei 2015. Tegen de daarin neergelegde beslissingen zijn echter geen grieven gericht. Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo heeft ook de man de omvang van het hoger beroep verstaan - dat het hoger beroep zich niet uitstrekt tot deze twee vonnissen. De vrouw is daarom in haar hoger beroep, voor zover zich dit richt tegen de vonnissen van 1 februari 2012 en 20 mei 2015, niet ontvankelijk. Het hof zal achtereenvolgens de grieven bespreken die betrekking hebben op de woning, de auto, de advocaatkosten en de Klimrenterekening. de woning draagplicht voor de hypothecaire geldlening (grief I principaal appel) 3.7.1. De eerste grief in het principaal appel richt zich tegen rov. 4.6.2. van het vonnis van 5 juni 2013. Hierin overwoog de rechtbank: “Op basis van de stelling dat zij voor de bijbetaling ten behoeve van de aflossing van de hypotheeklening zorg heeft gedragen, vordert [appellante] van [geïntimeerde] betaling van de helft van het daarmee gemoeide bedrag, zich daarbij kennelijk baserend op de draagplicht van partijen voor de hypothecaire schuld. Gelet op de ongelijke eigendomsverhoudingen, had het op de weg van [appellante] gelegen om te onderbouwen op grond waarvan de voor verwerving van de woning gesloten hypothecaire lening bij helfte zou moeten worden gedragen. Bij gebreke daarvan heeft [appellante] in zoverre niet voldaan aan haar stelplicht, wat betekent dat de rechtbank uitgaat van een draagplicht voor de hypotheekschuld in de verhouding die gelijk is aan de eigendomsverhouding.” De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.6.4. geoordeeld dat de vrouw voor de aflossing van de hypotheekschuld een vordering op de man heeft van € 14.900,60 (1/3e x € 44.701,60). 3.7.2. De vrouw betoogt met haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de eigendomsverhouding van partijen. Zij voert hiertoe het volgende aan. Uit de hypotheekakte (prod. 19 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie) d.d. 18 september 1991 blijkt dat partijen gezamenlijk fl. 140.000,-- hebben geleend en zij zich voor dat bedrag hoofdelijk hebben verbonden jegens de bank. Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de (interne) draagplicht. De vrouw heeft uit privé vermogen een bedrag van € 44.701,80 afgelost op de hypothecaire geldlening. Aan haar komt daarom de helft van dit bedrag – in plaats van 1/3e deel – toe (€ 22.350,90). 3.7.3. De man heeft de grief weersproken. Hij stelt dat de hypothecaire geldlening niet los kan worden gezien van de eigendomsakte. De hypotheekakte regelt slechts de rechtsverhouding tussen de bank en partijen en niet (ook) de rechtsverhouding van partijen. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij iedere maand de helft van de kosten van hypothecaire lening heeft voldaan. Zij heeft tijdens het huwelijk nauwelijks inkomen kunnen verwerven. De man heeft altijd deze kosten en de premies van de twee kapitaalverzekeringen voldaan. 3.7.4.1. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in rov. 4.6. van het vonnis van 5 juni 2013 geoordeeld dat de hypothecaire geldlening is afgelost door aanwending van de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekeringen en een bijbetaling van € 44.701,80. Vervolgens overwoog de rechtbank: “Vast staat dat de bijbetaling is geschied met gelden die afkomstig zijn van de broer van [appellante] .” en in rov. 4.6.3.: “ [geïntimeerde] (de man – hof) heeft in dit kader volstaan met te benadrukken dat de gelden waarmee is afgelost afkomstig zijn van de broer van [appellante] ”. Tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht, zodat dit daarmee is komen vast te staan. In het licht hiervan kan het betoog van de man dat niet de vrouw maar juist hij het is geweest die de kosten van de hypotheek heeft voldaan, geen doel treffen. 3.7.4.2. Het gaat derhalve om de vraag of de vrouw regres op de man heeft ter grootte van 1/2e dan wel 1/3e gedeelte van het door haar afgeloste bedrag van € 44.701,80. Het hof is van oordeel dat de vrouw regres op de man heeft ter grootte van 1/3e gedeelte van het door haar afgeloste bedrag. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Allereerst dient te worden opgemerkt dat art. 3:172 BW geen grondslag biedt voor toewijzing van de vordering. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1991, NJ 1992, 600 m.nt. W.M. Kleijn en met name rov. 3.2 daarvan: “Ook echter indien moet worden aangenomen dat de uit die [hypothecaire] leningen verkregen geldmiddelen zijn aangewend ter financiering van de aankoop respectievelijk verbouwing van het gemeenschappelijk pand, brengt dit niet mee dat het aangaan van de leningen kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijke pand verrichte handeling. Mocht K. een groter gedeelte van de krachtens die geldleningen verschuldigde bedragen aan rente en aflossing hebben voldaan dan D., dan kan de eventueel uit het door partijen met betrekking tot de leningen overeengekomene voortvloeiende verplichting van D. om ter vereffening van het verschil een betaling aan K. te doen, niet worden aangemerkt als een in het kader van de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen op het aandeel van D. toe te rekenen schuld.” Het hof overweegt voorts als volgt. Partijen waren, zo staat als onweersproken vast, hoofdelijk verbonden voor de hypothecaire geldlening. Artikel 6:10 BW is van toepassing op hoofdelijk verbonden schuldenaren zoals de man en de vrouw in deze zaak. Volgens dit artikel zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Hierbij staat het volgende voorop. “Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108, voetnoten weggelaten.) De grootte van ieders bijdrageplicht hangt dus in de eerste plaats af van hetgeen partijen omtrent die bijdrageplicht zijn overeengekomen alsmede van hun onderlinge rechtsverhouding op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden. Het bestaan van uitdrukkelijk of stilzwijgend gemaakte afspraken over de draagplicht van partijen voor de hypothecaire schuld is niet komen vast te staan. Op grond van het bepaalde in art. 3:172 BW zijn partijen derhalve in beginsel ieder voor de helft van de hypothecaire schuld draagplichtig. Echter, op basis van de onderlinge rechtsverhouding van partijen op grond waarvan zij zich onderling hebben verbonden alsmede de eisen van redelijkheid en billijkheid die deze rechtsverhouding (ook na beëindiging van het huwelijk) beheersen en op grond waarvan zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (vergelijk art. 6:2 BW en HR 19 oktober 2007 NJ 2007,565), is het hof van oordeel dat de onderlinge draagplicht 1/3e ten laste van de man en 2/3e ten laste van de vrouw bedraagt. Partijen hebben, om hen moverende redenen, bij de overdracht van de woning uitdrukkelijk gekozen voor een eigendomsverhouding die een ongelijk aandeel (1/3e versus 2/3e) van partijen in de woning behelst. Het hof verwijst hiervoor naar de notariële akte van levering van de woning (productie 4 bij inleidende dagvaarding). De hypotheekakte (productie 19 bij conclusie van antwoord in conventie), die op dezelfde dag is gepasseerd als de leveringsakte van de woning (d.d. 18 september 1991) en waartoe de woning als onderpand diende, is naar het oordeel van het hof onlosmakelijk verbonden met de woning en de daarop rustende eigendomsrechten van partijen, nu deze slechts betrekking op de woning (en niet op andere vermogensbestanddelen) en de daarvoor benodigde financiering. Gelet op de omstandigheid dat de eigendomsrechten van partijen in hun onverdeeld aandeel in de woning 1/3e respectievelijk 2/3e bedragen, dient derhalve deze onderlinge verhouding ook aan de draagplicht voor de hypothecaire schuld ten grondslag te liggen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat bij verdeling van de woning de waarde van het goed de deelgenoten naar evenredigheid toekomt (hier: 2/3e voor de vrouw en 1/3e voor de man), aldus HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU8938, NJ 2007, 395. Zou de vrouw slechts de helft van de hypotheekschuld behoeven te voldoen, dan zou zij met een geringere investering een hoger rendement behalen en in die zin zou dan sprake zijn van een wanverhouding. De vrouw heeft derhalve een vordering van (1/3e x € 44.701,80) € 14.900,60 op de man. De eerste grief faalt mitsdien. staat van onderhoud van de woning (grief II principaal appel en eiswijziging incidenteel appel) 3.8.1. De tweede grief richt zich tegen de afwijzing van de vordering van de vrouw tot betaling door de man van 1/3e deel van de door haar gemaakte kosten voor het onderhoud van de woning na het uiteengaan van partijen. Het gaat om werk dat door derden is uitgevoerd voor een bedrag van € 57.101,39 en om werkzaamheden die de broer van de vrouw tegen een loon van € 35,-- per uur heeft verricht voor in totaal € 17.045,--. De rechtbank overwoog in het vonnis van 5 juni 2013: “4.9.2. [appellante] (de vrouw – hof) heeft geen grondslag gesteld voor haar vordering. De verplichting om naar evenredigheid van het aandeel in een gemeenschappelijk goed bij te dragen in uitgaven ten behoeve van een gemeenschappelijk goed kan worden gebaseerd op hetgeen is bepaald in de artikelen 3:170 lid 1 BW en 3:172 BW. Op dit punt heeft [appellante] echter geen of onvoldoende concrete stellingen ontwikkeld. Dit betekent dat haar vordering – wat daar verder ook van zij – zal worden afgewezen.” 3.8.2. Ter onderbouwing van haar grief heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Na het uiteengaan van partijen heeft zij kosten gemaakt die behoren tot het gewoon onderhoud of behoud van de woning (art. 3:170 lid 1 BW) alsmede handelingen die geen uitstel konden lijden. Partijen moeten op grond van het bepaalde in art. 3:172 BW naar dezelfde evenredigheid als hun aandeel bijdragen aan de kosten die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk voor de (eenvoudige – hof) gemeenschap zijn verricht. Het gaat, samengevat, om de volgende werkzaamheden en kosten: het slechte onderhoud van de woning (brief advocaat vrouw aan deskundige d.d. 3 september 2015 over de gebreken aan de woning en lijst verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten door derden productie 25 en door de broer van de vrouw productie 26); het noodzakelijk aanbrengen van nieuwe daken (€ 30.047,--); de douche op de bovenverdieping was onbruikbaar vanwege een lekkage van de douche en de ingebouwde waterleiding. Sprake was een gevaarlijke situatie en de woning was onbewoonbaar verklaard; zonder ingrijpen en het daadwerkelijk op orde brengen van de woning was deze feitelijk onbewoonbaar. De vrouw heeft in totaal € 74.146,39 betaald aan onderhoudskosten van de woning. Daarvan dient zij 2/3e gedeelte te dragen en de man 1/3e gedeelte. Zij heeft derhalve een vordering van € 24.715,46 op de man. Het hof begrijpt het petitum van de vrouw aldus dat zij geen veroordeling van de man tot betaling van € 57.101,39 en € 17.045,-- vordert, maar, overeenkomstig randnummer 16 van haar memorie van grieven, € 24.715,46. De vrouw biedt uitdrukkelijk aan door middel van getuigen de noodzaak van de verrichte werkzaamheden en de desolate toestand van de woning destijds te bewijzen. Voor wat betreft de door de man gevorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad (wijziging van eis in incidenteel hoger beroep) stelt de vrouw dat zij de woning, na het vertrek van de man, op peil heeft gehouden in vergelijking met de onderhoudstoestand destijds en daarbij het nodige onderhoud heeft verricht. De man toont niet aan waarom de onderhoudstoestand waarin de woning verkeerde ten tijde van de taxatie (november 2015) alleen voor rekening en risico moet komen van de vrouw. Het vereiste causaal verband ontbreekt. 3.8.3. De man heeft de grief weersproken. Hij voert hiertoe het volgende aan. De vrouw heeft hem nimmer toestemming gevraagd voor uitvoering van de bedoelde werkzaamheden noch hem daarover geïnformeerd. De slechte staat van onderhoud van de woning wordt betwist. Op het moment dat de man de woning verliet, verkeerde de woning in een prima staat. Een eerste melding van schimmelvorming is pas gedaan ter zitting van de rechtbank op 11 januari 2012. Het dak was in orde. In 2003 hebben partijen energiebesparende maatregelen genomen, waaronder isolatie van het dak. Het dak voldeed aan de daaraan te stellen “afschot-eis” en bestond uit houtwolcementplaten. Deze platen en de onderliggende constructie waren van degelijke kwaliteit. In 2005 is een nieuwe aansluiting op het hoofdriool gerealiseerd en de oude gresbuis vervangen door een pvc buis. Partijen hebben in de periode van 1997 tot en met 2008 werkzaamheden aan de woning altijd laten uitvoeren door bedrijven. De vrouw levert geen enkel bewijs dat de werkzaamheden geen uitstel dulden. De hoogte van de gestelde kosten (€ 74.146,39) wordt betwist evenals de door de broer gewerkte uren en de daarvoor in rekening gebrachte kosten. Wanneer deze werkzaamheden al door de broer zouden zijn verricht, dan is sprake van kosteloze hulp in familieverband. De vrouw heeft de woning slordig gebruikt. Hierdoor heeft de man schade geleden. Uit het taxatierapport (productie 2 bij conclusie na enquête en contra-enquête alsmede deskundigenbericht aan de zijde van de vrouw) blijkt dat de woning in verband met achterstallig onderhoud 10% minder waard (€ 24.500,--) is geworden. Dit achterstallig onderhoud komt voor rekening van de vrouw. Zij heeft onrechtmatig jegens de man gehandeld. Zij dient derhalve 1/3e deel (€ 8.250,--) van de totale waardedaling aan hem te vergoeden. 3.8.4.1. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. De man heeft de woning op 27 augustus 2008 verlaten. De eenvoudige gemeenschap van de woning die tussen partijen bestaat, was op dat moment nog onverdeeld. Zolang de (eenvoudige) gemeenschap niet is ontbonden zijn partijen gebonden aan het in de artt. 3:170 en 3:172 BW bepaalde: “Artikel 170 1 Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten. (…) Artikel 172 Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.” In geschil is of de verrichte werkzaamheden strekten tot gewoon onderhoud of behoud van de woning of in het algemeen geen uitstel konden lijden. De vrouw beroept zich op de rechtsgevolgen van het bepaalde in de artt. 3:170 juncto 3:172 BW. Op haar rust krachtens het bepaalde in art. 150 Rv de stelplicht (en bij voldoende betwisting ook de bewijslast) van de feiten die ten grondslag liggen aan haar stelling dat sprake was van kosten veroorzaakt door het gewoon onderhoud of behoud van de woning dan wel handelingen die geen uitstel konden lijden. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw verwezen naar een door haar opgesteld memo over de staat van onderhoud van de woning (productie 24 bij conclusie van antwoord in conventie), een door haar opgesteld overzicht van “werk door derden en bonnetjes van Materialen” (productie 25) en een veelheid aan bonnen, facturen en een offerte van “ [bedrijf 1] ” (productie 26). De door de vrouw zelf opgestelde overzichten (productie 25) kunnen, mede gelet op de – gemotiveerde – betwisting door de man niet dienen ter onderbouwing van haar stelling. Dit heeft ook te gelden voor de bonnen, facturen en overgelegde offerte. Uit productie 26 volgt immers wel dat kennelijk werkzaamheden zijn verricht, maar niet dat die werkzaamheden moeten worden begrepen als “handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden”. De vrouw heeft derhalve haar vordering onvoldoende onderbouwd. Zij had bijvoorbeeld haar stelling dat de woning onbewoonbaar was verklaard met verificatoire bescheiden kunnen onderbouwen (de door haar overgelegde brief van [bedrijf 2] d.d. 17 december 2015 – productie 2 bij memorie van grieven – is daartoe onvoldoende omdat de facturen etc. waar de vrouw een beroep op doet dateren van (ruim) vóór 2015, zodat aan het door haar gedane bewijsaanbod niet kan worden toegekomen. De tweede grief faalt derhalve. Het primair onder 4 door de vrouw in hoger beroep gevorderde wordt daarom afgewezen. 3.8.4.2. De vordering van de man – veroordeling van de vrouw tot betaling van een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad – moet om dezelfde reden worden afgewezen. Voor toekenning van een schadevergoeding op die grond moet worden vastgesteld dat sprake is van in ieder geval onrechtmatig handelen en een causaal verband tussen dat onrechtmatig handelen en de gestelde schade (art. 6:162 BW). Krachtens art. 150 Rv rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze vordering op de man. Ook de man heeft niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan, zodat het hof niet kan vaststellen dat sprake is van een onrechtmatige daad, gepleegd door de vrouw. Voor zover de man zijn vordering heeft willen onderbouwen met de twee uitgevoerde taxaties van de woning, kunnen die taxaties gelet op de inhoud daarvan, niet dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij schade heeft geleden door slordig gebruik van de woning. De door de vrouw geraadpleegde taxateur [taxateur] constateert in zijn taxatierapport d.d. 2 november 2015 (waardepeildatum 22 oktober 2015) dat sprake is van schimmelvorming in de woning. Hij schrijft: “Aan de binnenzijde is extreem veel schimmelvorming zichtbaar op de binnenmuren in nagenoeg alle ruimtes. Duidelijk is in het pand de schimmelgeur waarneembaar. Volgens verklaring van mevrouw [appellante] zijn de vochtproblemen actueel, de oorzaak ervan is onbekend en dus ook niet verholpen. Op diverse plekken is het stucwerk door het vocht aangetast of zit los. Het beste zou het zijn om het gehele stucwerk in de woning te vervangen. Daarvoor dient echter de oorzaak van het vocht eerst te worden achterhaald en door bouwkundige aanpassingen te worden weggenomen. O dit moment is het absoluut onmogelijk om een oorzaak aan te wijzen. Derhalve is er op dit punt sprake van een grote mate van onzekerheid.” (…) Gezien de grote mate van onzekerheid inzake de vochtproblemen ben ik gekomen tot de afgegeven lage marktwaarde. Op het moment dat de oorzaak van de vochtproblemen en de noodzakelijk te maken kosten om deze te verhelpen met zekerheid bekend zij, kan deze marktwaarde naar boven of beneden worden bijgesteld.” De oorzaak van de schimmelvorming is volgens de taxateur onbekend. Het hof kan derhalve op basis van deze taxatie niet vaststellen dat de schimmelvorming is veroorzaakt door slordig gebruik van de woning door de vrouw dat (daardoor) als onrechtmatig jegens de man moet worden aangemerkt. Het door de door rechtbank benoemde deskundige, B.H.J. Mordang (hierna: de deskundige) uitgebrachte deskundigenrapport kan ook niet tot dat oordeel leiden. De deskundige vermeldt in zijn taxatierapport d.d. 8 september 2015 (waardepeildatum 22 juli 2015) dat in de waardebepaling de onderhoudstoestand van de woning – de woning verkeert in een matige staat van onderhoud – is meegewogen. Voorts merkt de deskundige op dat het object slordig wordt gebruikt, maar is er geen ernstige gebruiksschade geconstateerd. Hierover heeft de deskundige na opmerkingen hierover van partijen vermeld: “Voor wat betreft ernstige gebruiksschade heb ik dit gewijzigd in achterstallig onderhoud. In de hele woning is geen onderhoud meer gepleegd. Opmerking betreffende “slordig gebruik” is dat voor ondergetekende de woning intern geen frisse opgeruimde indruk geeft.” Het slordig gebruik van de woning door de vrouw – en hierop baseert de man zijn vordering – betreft derhalve de door de deskundige geconstateerde omstandigheid dat de woning geen frisse, opgeruimde indruk geeft. De man heeft nagelaten te onderbouwen waarom het ontbreken van een frisse, opgeruimde indruk als onrechtmatig jegens hem moet worden gekwalificeerd. Ook overigens kan het hof uit de gedingstukken noch uit de stellingen van partijen vaststellen dat anderszins sprake is van onrechtmatig handelen van de vrouw jegens de man dat noopt tot toewijzing van een vordering tot schadevergoeding. De vermeerdering van eis in incidenteel appel wordt daarom afgewezen. financiering van de woning (grief VI in het principaal appel) 3.9.1. De rechtbank heeft in rov. 2.2.6. van het vonnis van 27 januari 2016 overwogen dat de vrouw niet is geslaagd te bewijzen dat de woning voor méér dan fl. 100.000,-- is gefinancierd met gelden verkregen van haar ouders. Tegen dat oordeel richt zich de zesde grief van de vrouw. De grief heeft betrekking op de bewijswaardering door de rechtbank en het door de rechtbank buiten beschouwing laten van de schriftelijke verklaring van de broer van de vrouw, die is overgelegd bij de conclusie na getuigenverhoor. Volgens de vrouw is die verklaring van doorslaggevend belang. In haar memorie van grieven biedt zij uitdrukkelijk aan “het onder ede horen van de broer van [appellante] als getuige die kan verklaren omtrent de exacte gang van zaken destijds betreffende de verschaffing van de gelden en de financiering van de aangekochte woning door [appellante] en [geïntimeerde] ”. 3.9.2. De man heeft de grief weersproken. Hij stelt dat het voor rekening en risico van de vrouw komt dat zij in eerste aanleg haar broer niet als getuige heeft doen horen. In de periode van 1987 tot en met 1991 heeft de man veel geld kunnen sparen (productie 1 bij memorie van antwoord in principaal appel). Hij heeft al zijn spaargeld besteed aan de woning. 3.9.3. Het hof overweegt als volgt. getuigenbewijs 3.9.3.1. Het verweer van de man dat de vrouw in hoger beroep niet haar broer kan doen laten horen, kan geen doel treffen. Het hoger beroep heeft immers mede ten doel om partijen de gelegenheid te geven verzuimen uit de eerste aanleg te herstellen. Dat laat evenwel onverlet dat, alvorens te kunnen komen tot het horen van de broer als getuige, sprake moet zijn van een – in hoger beroep – voldoende gespecificeerd bewijsaanbod. Op grond van vaste rechtspraak (onder meer HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49) geldt voor het bewijsaanbod in hoger beroep het navolgende. Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. Het door de vrouw gedane bewijsaanbod is niet voldoende gespecificeerd, nu, het mede in het licht bezien van de duidelijke bewijsopdracht van de rechtbank (“draagt [appellante] op te bewijzen dat de aankoop van de in deze procedure bedoelde woning voor een bedrag van fl. 182.128,48, althans meer dan fl. 100.000,00 is gefinancierd met gelden afkomstig van haar ouders”) als te vaag moet worden aangemerkt. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet voldoende specifiek bewijs aangeboden van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Zij heeft slechts volstaan met de stelling dat haar broer kan verklaren omtrent “de exacte gang van zaken destijds betreffende de verschaffing van de gelden en de financiering van de aangekochte woning”. Hieruit blijkt niet dat hij kan verklaren dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.