GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.221.728/01 arrest van 20 maart 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de vrouw, advocaat: mr. H.K. Jap A Joe te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 mei 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5111776 CV EXPL 16-4164) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep; de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Partijen zijn op 18 augustus 1993 te Nador, Marokko, met elkaar gehuwd buiten gemeenschap van goederen. 3.1.2. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 augustus 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen deze echtscheidingsbeschikking bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij beschikking van 9 juni 2016 heeft het hof de echtscheidingsbeschikking bekrachtigd. Op 21 november 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage en is het huwelijk van partijen ontbonden. 3.1.3. De voormalige echtelijke woning van partijen is een huurwoning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Partijen hebben samen in deze woning gewoond. De man was de huurder, de vrouw was medehuurster. Partijen waren hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de huurtermijnen. 3.1.4. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2014 is het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van het echtscheidingsgeding aan de vrouw toegewezen. De vrouw verblijft sindsdien met de kinderen van partijen in de woning. Bij de echtscheidingsbeschikking van 12 augustus 2015 is bepaald dat de vrouw vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woning. 3.1.5. De man heeft in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 de volgende lasten voldaan. woonlasten juli 2014 – december 2014 € 3.550,44 gemeentelijke belastingen 2014 € 263,67 woonlasten eerste helft 2015 € 3.550,44 huur juli 2015 € 471,83 gemeentelijke belastingen 2015 € 286,60 verhoogde voorschotten Essent april 2015-juni 2015 € 276,00 afrekening Essent maart 2015 € 1.053,37 Totaal € 9.452,35 De vrouw heeft aan deze lasten (hierna: de woonlasten) niet meebetaald. Het inkomen van beide partijen was in de periode van 1 juli 2014 tot en met 1 september 2015 vergelijkbaar met een bijstandsuitkering. 3.2.1. De man heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 9.452,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en compensatie van de proceskosten. De man heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd. De vrouw woont sinds eind augustus 2014 alleen met de kinderen in de woning, zodat de woonlasten vanaf dat moment volledig voor haar rekening komen. De man heeft in de periode vanaf juli 2014 tot en met september 2015 deze lasten voldaan, zodat de vrouw ten koste van de man met een bedrag van € 9.452,35 is verrijkt. Subsidiair stelt de man dat hij een regresvordering heeft op de vrouw. De vrouw is in de interne rechtsverhouding van partijen vanwege het voortgezet gebruik volledig draagplichtig voor de door de man voldane woonlasten. 3.2.2. De vrouw heeft de vordering weersproken en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Zij heeft de ongerechtvaardigde verrijking betwist. De man heeft met de betaling van de woonlasten voldaan aan de wettelijke verplichting van echtgenoten om elkaar het nodige te verschaffen. De vrouw heeft betwist dat zij (volledig) draagplichtig is voor de door de man gestelde betalingen. 3.2.3. De kantonrechter heeft – samengevat – geoordeeld dat de man de lasten gedurende het huwelijk heeft betaald. Hij was hiertoe krachtens art. 1:81 BW gehouden zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is. De betaling van de woonlasten moet worden aangemerkt als voldoening van de kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW. In de interne verhouding was de vrouw voor de helft draagplichtig voor deze door de man betaalde lasten. Voor zover de man meer dan de helft daarvan heeft voldaan, heeft hij regres op de vrouw. Niet in geschil is dat de man de lasten volledig heeft voldaan, zodat de vrouw hem de helft daarvan € 4.726,17 (€ 9,452,35 / 2) moet voldoen. De proceskosten zijn gecompenseerd. 3.3.1. De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de man. De vrouw heeft hiertoe één grief aangevoerd. 3.3.2. De man heeft de grief weersproken. Voorts heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering in eerste aanleg. De man heeft hiertoe twee grieven aangevoerd. 3.3. Het hof zal de grieven in het principaal appel en incidenteel appel gezamenlijk behandelen. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. De vrouw heeft in haar grief aangevoerd dat de man bij dagvaarding feiten heeft gesteld maar daarbij geen rechtsgrondslag heeft aangegeven voor zijn vordering en dat de kantonrechter niet ambtshalve de rechtsgrond kon aanvullen. Dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 25 Rv bepaalt immers dat de rechter verplicht is ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. In zoverre faalt de grief van de vrouw. Het gaat in deze zaak om twee vragen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.