Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-002904-16 Uitspraak : 27 maart 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 september 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-820209-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1986, thans gedetineerd in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave. Hoger beroep Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.219,03, respectievelijk € 30.132,50. De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] is bij vonnis, waarvan beroep, toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.719,03 (namelijk € 4.000 ter zake van de immateriële schade en € 1.719,03 ter zake van de materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 4 oktober 2011 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] is bij vonnis, waarvan beroep, toegewezen tot een totaalbedrag van € 27.132,50 (namelijk € 2.500 ter zake van de immateriële schade en € 24.632,50 ter zake van de materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 4 oktober 2011 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu benadeelde partij [benadeelde partij 1] , noch benadeelde partij [benadeelde partij 2] uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de vordering in hoger beroep te willen handhaven, zijn beide vorderingen in hoger beroep nog slechts aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van zowel de bewezenverklaring als de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat de vervolging in de voorliggende zaak dient te worden aangemerkt als ‘onwenselijke dubbele vervolging’. Immers is de verdachte in België reeds vervolgd, berecht en veroordeeld ter zake van feiten die werden gepleegd in dezelfde aaneengeschakelde reeks van criminele handelingen, waarbij sprake was van eenzelfde ‘mindset’ c.q. ‘flow’. In de tweede plaats heeft de verdediging haar pleidooi tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie onderbouwd door te stellen dat de vervolging in Nederland in strijd is met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, nu de verdachte reeds tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld in België. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Onwenselijke dubbele vervolging Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de onderhavige feiten samen met de reeds in België afgestrafte feiten deel uitmaken van één ondeelbaar feitencomplex – al dan niet in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht – stelt het hof vast dat de Belgische en de Nederlandse feiten op cruciale punten van elkaar verschillen. Immers ontbreekt niet alleen feitelijke samenhang tussen de verschillende feiten, bijvoorbeeld waar het gaat om pleegdatum, pleegplaats en de betrokken daders en slachtoffers, maar ook juridische samenhang ontbreekt. Waar het gaat om onder meer een roofmoord in België versus een tweetal gewelddadige woningovervallen, een poging tot afpersing en oplichting in Nederland, kan simpelweg niet worden gesproken van met elkaar vergelijkbare verwijten waarbij dezelfde rechtsgoederen in dezelfde mate en verhouding in het geding zijn. Voorts is sprake van uiteenlopende strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld. Aldus is het hof van oordeel dat op deze grond niet van een dubbele vervolging kan worden gesproken. Voor zover door en namens de verdachte voorts is aangevoerd dat de voorliggende, in Nederland gepleegde feiten dan ten minste als zelfstandige feiten hebben bijgedragen aan de in België opgelegde levenslange gevangenisstraf, overweegt het hof dat uit het arrest van het Hof van Assisen te Antwerpen, België, op geen enkele wijze blijkt dat bij de strafoplegging op welke manier rekening is gehouden met in Nederland gepleegde strafbare feiten. In zoverre refereert het hof in het bijzonder aan de volgende passage, zoals opgenomen op pagina 8 van het arrest van het Hof van Assisen d.d. 28 september 2015, dat als zodanig onderdeel uitmaakt van het dossier. “(…) De in hoofde van [verdachte] bewezen verklaarde feiten A, B, C, D en E [hof: alle gepleegd in de nacht van 19 oktober 2011 op 20 oktober 2011 te Ravels, België] vermengen zich als zijnde gepleegd met éénzelfde strafbaar opzet. De misdaad roofmoord, die strafbepalend is, wordt bestraft met levenslange opsluiting. (…)” Ook op deze grond kan naar het oordeel van het hof aldus niet van onwenselijke dubbele vervolging worden gesproken, zodat het verweer van de verdediging in zoverre faalt. Redelijke en billijke belangenafweging Met betrekking tot de vraag of de vervolging in de voorliggende zaak is gebaseerd op een redelijke en billijke belangenafweging, zoals door de verdediging wordt betwist, overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat het krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel in beginsel aan het openbaar ministerie is om zelfstandig te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. Dit betekent dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie de wenselijkheid van concentratie van strafvervolging van de strafzaken in België en Nederland onderschreven. De officier van justitie heeft zich daarom ingespannen om afspraken te maken met de Belgische autoriteiten omtrent een gezamenlijke afdoening van alle feiten, doch hieraan hebben de Belgische autoriteiten geen medewerking verleend. Om die reden is het openbaar ministerie overgaan tot afzonderlijke strafvervolging in Nederland. Zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gaf, is deze vervolging in Nederland ingezet en voortgezet in het belang van speciale preventie en bovendien in het belang van vergelding en genoegdoening voor de slachtoffers. De aan de verdachte in België opgelegde levenslange gevangenisstraf mag hieraan naar het oordeel van de advocaat-generaal niet in de weg staan, te meer omdat thans nog geenszins duidelijk is hoe de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde levenslange straf zich in het concrete geval van de verdachte zal ontwikkelen. Uit voormelde schets van de gang van zaken in eerste aanleg, bezien in samenhang met het relaas van de advocaat-generaal, leidt het hof af dat door het openbaar ministerie bij de beslissing tot (verdere) vervolging in Nederland van de in Nederland gepleegde strafbare feiten een afweging is gemaakt tussen verschillende strafdoeleinden, waarbij kennelijk het belang van vergelding en het belang van genoegdoening aan de verschillende getroffen slachtoffers op de voorgrond hebben gestaan. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts te kennen gegeven uitdrukkelijk rekening te hebben gehouden met de in België opgelegde levenslange gevangenisstraf en het daarmee onlosmakelijk verbonden belang van de verdachte om thans niet nogmaals tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden veroordeeld. Deze belangenafweging en het resultaat daarvan – namelijk vervolging van de verdachte in Nederland – komen het hof, mede gelet op de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten en in het bijzonder gelet op het leed en de (financiële) schade die de slachtoffers hebben ondervonden, geenszins apert onredelijk voor. Mitsdien is het hof van oordeel dat geen sprake is van een schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, zodat het verweer van de verdediging faalt in al zijn onderdelen. Met betrekking tot het verweer van de verdediging, kort gezegd inhoudende dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de onderhavige zaak zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM en dat het openbaar ministerie ook daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, overweegt het hof als volgt. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat artikel 3 van het EVRM eisen stelt aan de oplegging en de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Deze eisen houden onder meer in dat de verdachte door de oplegging en de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf niet ieder perspectief op vrijlating mag worden ontnomen. Hoewel voormelde jurisprudentiële waarborgen de verdachte wel degelijk aangaan, overweegt het hof dat in de voorliggende zaak noch de oplegging van een levenslange gevangenisstraf noch de tenuitvoerlegging van de in België aan de verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf aan de orde is, zodat de jurisprudentie van het EVRM met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf in de voorliggende zaak niet speelt. Het verweer van de verdediging behoeft in zoverre aldus geen nadere bespreking. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met inachtneming van de hierna te noemen wijzigingen en aanvullingen, behalve voor wat betreft de opgelegde hoofdstraf en de strafmotivering. Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen voor wat betreft de opgelegde hoofdstraf aangezien tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep een bevel gevangenneming van kracht is en de tijd in voorarrest doorgebracht voor aftrek in aanmerking komt. Bewijs Het hof verenigt zich met de bewezenverklaring en de door de rechtbank gegeven bewijsmotivering, doch met inachtneming van de volgende wijzigingen: in de kop ‘Feit 2: afpersing Bergen op Zoom’ op pagina 7 van het vonnis, tweede alinea, zal het woord ‘poging’ worden ingevoegd voor het woord ‘afpersing’, zodat deze als volgt komt te luiden: Feit 2: poging afpersing Bergen op Zoom; voetnoot 14 op pagina 7 van het vonnis zal in zoverre worden aangevuld, dat pagina 700 aan de paginaverwijzing zal worden toegevoegd, zodat deze als volgt komt te luiden: 14 Rapport van het NFI van 22 november 2011, zaaknummer 2011.11.08.003 (aanvraag 001), opgemaakt door [deskundige 1] , p. 697-700 van voornoemd proces-verbaal; en met aanvulling van de bewijsmiddelen met de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 maart 2018 ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4: Ik ben schuldig aan alle feiten die aan mij ten laste zijn gelegd. Ik betwist de bewezenverklaring van de rechtbank ten aanzien van de feiten 2 tot en met 4 niet. Ik voel mij voor deze feiten verantwoordelijk. Alle feiten hebben plaatsgevonden in een relatief korte periode. Ik had destijds een relatie met [mededader] . Er was sprake van veelvuldig feesten, gokken en gebruik van drank en drugs. Omdat die zaken bekostigd moesten worden en ik daarvoor eigenlijk geen geld had, heb ik de aan mij ten laste gelegde feiten gepleegd. In eerste aanleg heb ik mij aanvankelijk beroepen op mijn zwijgrecht, maar toen [mededader] een slachtofferrol begon in te nemen, heb ik besloten openheid van zaken te geven. Ik werd gezien als de grote boeman, terwijl wij alles met zijn tweeën of drieën hebben gedaan. [mededader] is ongeveer een kop kleiner dan ik. Op te leggen straf Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een maand schuldig gemaakt aan twee gewapende woningovervallen, een poging tot afpersing in een woning en een oplichting van een oudere dame. Met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten overweegt het hof dat de verdachte samen met zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.