← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2018:1564

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 12 april 2018 Zaaknummer : 200.228.770/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/333952 / JE RK 17-1455 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.W.A. Verhaard, tegen de gecertificeerde instelling Stichting Intervence, gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI. In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. G.W.J. Van Dijke. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 augustus

  1. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 30 november 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te herzien en het verzoek tot plaatsing van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] bij zijn oom en tante, alsnog af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder wordt geplaatst. 2.
  3. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 12 januari 2018, heeft de vader verzocht het beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep ongegrond te verklaren. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 maart
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Verhaard. Voor de moeder is de heer S. Rezvanovic opgetreden als tolk in de Albanese taal (tolknummer: 5404); - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ; - de vader, bijgestaan door mr. Van Dijke; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de stukken van de eerste aanleg, overgelegd bij V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 8 januari 2018; de aan de vader gerichte brief met bijlagen van de GI d.d. 9 januari 2018, betreffende de beëindiging van de uithuisplaatsing; de brief met bijlagen van de GI d.d. 21 februari 2018; het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 5 maart 2018; 3De beoordeling 3.
  7. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren. 3.
  8. [minderjarige] staat sinds 3 mei 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 3 mei
  9. 3.
  10. Bij beschikking van 11 juli 2016 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend met ingang van 11 juli 2016 tot 3 mei
  11. Deze machtiging is bij beschikking van 2 mei 2017 verlengd tot 3 mei
  12. 3.
  13. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 10 augustus 2017 tot uiterlijk 3 mei 2018 uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin. 3.
  14. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  15. Alvorens op de inhoud van de grief van de moeder in te gaan, beoordeelt het hof de ontvankelijkheid van de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep. De moeder betoogt dat het beroepschrift tijdig is ingediend, aangezien uit de stempel op de beschikking blijkt dat de bestreden beschikking eerst op 30 augustus 2017 aan de moeder is verzonden. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. 3.5.
  16. Ingevolge het bepaalde in artikel 806 lid 1 aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 358 Rv, van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. 3.5.
  17. De bestreden beschikking dateert van 10 augustus
  18. De laatste dag van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel in de onderhavige zaak door de moeder, belanghebbende aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, was derhalve, anders dan namens de moeder is betoogd, 10 november
  19. 3.5.
  20. Het eerste exemplaar van het beroepschrift is door het hof ontvangen op 30 november 2017, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn. 3.5.
  21. Namens de moeder is aangevoerd dat de moeder de bestreden beschikking pas laat heeft ontvangen en dat haar advocaat daarbij niet direct beschikte over de stukken van de eerste aanleg. De advocaat van de moeder was daardoor niet in staat de bezwaren en grieven tegen de bestreden beschikking te formuleren. Het hof is echter van oordeel dat, nog daargelaten de juistheid van deze stelling, op basis van de inhoud van de bestreden beschikking (summiere) grieven hadden kunnen worden geformuleerd die later, na ontvangst van het procesdossier van de eerste aanleg, aangevuld c.q. toegelicht hadden kunnen worden. Het hof stelt vast dat (ook overigens) geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (vergelijk HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682). 3.
  22. Uit het voorgaande volgt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 augustus
  23. Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens, M.L.F.J. Schyns en is op 12 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.