GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.226.131/01 arrest in kort geding van 17 april 2018 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] (VS),
(16)keer € 3.300,00, derhalve een bedrag van in totaal € 52.800,00 aan onbetaalde huurtermijnen zijn verstreken. Zoals bij het pleidooi van de zijde van [appellant] en [appellante] bij wijze van ‘terme de grâce’ aangeboden, zal het hof bepalen binnen welke termijn betaling kan plaatsvinden, waarbij het hof op grond van de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in appel gestelde privé-omstandigheden het billijk acht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het te betalen bedrag in twee termijnen van € 26.400,00 voldoen. Het hof ziet geen aanleiding en grond om het toe te wijzen bedrag aan onbetaalde huurtermijnen te vermeerderen met de gevorderde rente, boete en buitengerechtelijke (incasso)kosten, reeds omdat in dit kort geding – zoals hiervóór is overwogen – niet met de daarvoor vereiste (voldoende) mate van zekerheid kan worden bepaald en vastgesteld aan wie van partijen, op welke wijze en vanaf wanneer de bestaande problemen in het gehuurde kunnen en moeten worden toegerekend. 3.
- De gevorderde ontruiming zal worden afgewezen. [appellant] en [appellante] baseren deze vordering op de stelling dat de huurachterstand in een bodemprocedure voldoende grond zal kunnen opleveren voor de ontbinding van de huurovereenkomst. Op het moment van de beoordeling van dit hoger beroep bestaat, net zoals ten tijde van het wijzen van het vonnis, echter onvoldoende zekerheid dat in een bodemprocedure een door [appellant] en [appellante] ingestelde vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst als zodanig en zonder meer zal worden toegewezen. 3.
- De vordering tot het verlenen van toegang tot de woning zal worden toegewezen. De heer [geïntimeerde 1] heeft ter zitting de in de memorie van antwoord opgenomen bereidverklaring in dit opzicht met zoveel woorden en zonder voorbehoud herhaald. Deze bereidheid staat niet in de weg aan de toewijsbaarheid van de vordering nu [appellant] en [appellante] aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de toegang tot de woning aan hun en aan de door hen ingeschakelde derden hebben ontzegd dan wel met voorwaarden beperkt (terwijl zij daartoe op grond van art. 11.1 van de algemene bepalingen wel gehouden zijn). De opstelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in appel geeft het hof daarentegen aanleiding om, op dit moment, de gevorderde dwangsom af te wijzen. 3.
- De vordering van [appellant] en [appellante] tot terugbetaling van hetgeen uit hoofde van het vonnis is betaald komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat niet is toegelicht of er betaald is op grond van het vonnis, hetgeen wel in de rede had gelegen, te meer omdat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. 3.
- Gezien de uitkomst zijn beide partijen als in conventie in eerste aanleg en in hoger beroep als gedeeltelijk in het ongelijk gesteld te beschouwen. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd. De grieven 3 en 4 behoeven geen afzonderlijke bespreking. 4De uitspraak Het hof: 4.
- vernietigt het vonnis, voor zover in conventie gewezen, en, opnieuw rechtdoende in conventie: 4.
- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om aan [appellant] en [appellante] te betalen een bedrag van € 3.300,00 per maand, met ingang van de maand mei 2018, bij vooruitbetaling te voldoen voor of op de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft; 4.
- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om aan [appellant] en [appellante] te betalen een bedrag van € 52.800,00 en bepaalt dat dit zal kunnen geschieden in twee termijnen van € 26.400,00, waarvan de eerste termijn te voldoen binnen 4 weken na heden en de tweede termijn binnen 8 weken na heden; 4.
- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om [appellant] en [appellante] en hun hulppersonen toegang te verlenen tot het gehuurde, gelegen te [plaats] aan de [adres] , binnen 3 dagen na betekening van dit arrest, teneinde [appellant] en [appellante] in staat te stellen de waterschade in het souterrain en kelder van het gehuurde te inventariseren en weg te nemen; 4.
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.
- compenseert de proceskosten van de gedingen in conventie in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. H.AE. Uniken Venema, J.P. de Haan en M.E. Bruning en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 april
- griffier rolraadsheer