GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 19 april 2018 Zaaknummer : 200.233.847/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/340058 / JE RK 18-45 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Juzt te [verblijfplaats] , appellante hierna te noemen: [appellante] advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster hierna te noemen: de GI. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader); - [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio [regio] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 februari 2018, waarin de ondertoezichtstelling van [appellante] is verlengd van 2 februari 2018 tot 2 februari 2019, en een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend met ingang van 2 februari 2018 tot uiterlijk 2 mei 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2018, heeft [appellante] verzocht de voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de verleende machtiging gesloten jeugdhulp. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep af te wijzen en de beschikking van 1 februari 2018 in stand te laten. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellante] , bijgestaan door mr. N.P.C.C. Langenberg; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; - de moeder. 2.3.1. De vader en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 3De beoordeling 3.1. [appellante] is op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] geboren uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader. 3.2. [appellante] staat sinds 02 februari 2017 onder toezicht van de GI. 3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de ondertoezichtstelling van [appellante] verlengd tot 2 februari 2019 en tevens een machtiging verleend aan de GI om [appellante] met ingang van 2 februari 2018 tot uiterlijk 2 mei 2018 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. 3.4. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan, voor zover het de beslissing ter zake de machtiging gesloten jeugdhulp betreft, in hoger beroep gekomen. 3.5. [appellante] voert in het beroepschrift - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking ten onrechte bepaald dat een gesloten machtiging noodzakelijk is en heeft dan ook ten onrechte de machtiging verleend. De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2017 een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend. Uiteindelijk is [appellante] toch gesloten geplaatst omdat haar gedrag volgens de GI zou zijn ontspoord en zij zich dus niet aan de voorwaarden zou hebben gehouden. Erkend wordt dat het in december 2017 minder goed ging. De beslissing dat zij toen alsnog gesloten werd geplaatst, kan [appellante] wel volgen. [appellante] ging echter ervan uit dat het een ‘time-out’ betrof en dat ze snel weer terug zou gaan naar de open afdeling. Er is immers, met uitzondering van de terugval in december, een stijgende lijn te zien. Een verblijf op de open afdeling is van belang voor het werk bij Karwei, voor de mogelijkheden om naar school te gaan en voor haar motivatie om iets van het leven te maken. [appellante] heeft geleerd van de periode van gesloten plaatsing en zij wil de stijgende lijn verder doortrekken. 3.5.1. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] aanvullend nog het volgende gesteld. Inmiddels zijn er verdere positieve ontwikkelingen. Zo is de individuele PMT bij [medewerker van PMT] in gang gezet, is het contact met de moeder verbeterd, werkt [appellante] sinds begin maart een hele dag per week bij Karwei (wat ze overigens nog te weinig vindt) en heeft zij meer vrijheden, zoals onbegeleide computertijd en bezoek van vriendinnen. Ook mag [appellante] een uur per week onbegeleid naar de stad. Verder heeft zij ook weer contact met haar halfzus [halfzus van appellante] . [appellante] wil niet terug naar Montreal, maar zij wil het liefst, via het “fasehuis” naar zelfstandigheidstraining. [appellante] heeft niet het gevoel zij iets aan de PMT behandeling heeft; zij ziet het nut er niet zo van. [appellante] volgt de PMT behandeling - hoofdzakelijk - omdat die haar wordt opgelegd en omdat dit kennelijk een voorwaarde is om vrijheden te krijgen en om weer toe te werken naar een open setting. 3.6. De GI heeft in het verweerschrift, - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De machtiging gesloten plaatsing is noodzakelijk gebleken. [appellante] heeft tot nu toe, ook na 1 februari 2018, telkens laten zien dat zij afhaakt als haar diepliggende emoties worden geraakt. Alleen met het privilege van een halve dag per week werken bij de Karwei is er nu enige motivatie te zien voor individuele PMT. Er is wel wat groei te zien maar de periode is nog te kort om te kunnen spreken van een intrinsieke motivatie of probleembesef. Daardoor is er nog een te groot risico van onttrekking aan hulpverlening en terugval in een gedrag dat in het verleden tot onwenselijke situaties heeft geleid. 3.6.1. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI aanvullend nog het volgende gesteld. De ontwikkelingen zijn inmiddels zodanig dat men erg tevreden is: er is positieve groei zichtbaar, inderdaad zijn er nu meer vrijheden en werkt [appellante] inmiddels een hele dag per week. De GI wil tot aan de afloop van de lopende machtiging, dus tot 2 mei 2018, de gesloten plaatsing handhaven en van daaruit [appellante] direct laten doorstromen naar een open groep. Indien er plaats is, kan [appellante] terecht in een fasehuis. Het risico op terugval is thans beduidend minder. De enige reden om de gesloten plaatsing nu te handhaven is feitelijk dat [appellante] alleen in dat kader te motiveren is voor PMT, en deze behandeling heeft ze wel nodig. 3.7. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het nu veel beter met [appellante] gaat maar dat de zorgen nog wel blijven en dat het zonder begeleiding nog niet kan. De moeder wil vooral dat goed gekeken wordt naar wat [appellante] nodig heeft. 3.8. Het hof overweegt het volgende. 3.9. Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [appellante] een zelfstandig recht van hoger beroep toe. 3.10. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: er bij [appellante] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en; de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellante] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.11. Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.