GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 26 april 2018 Zaaknummer : 200.231.022/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/321422 / JE RK 16-1747 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Haze, tegen Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI). Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, en [de pleegvader] en [de pleegmoeder], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegouders. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 oktober 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 januari 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI met betrekking tot de uithuisplaatsing af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 februari 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 18 januari 2018; de brief met bijlage van de GI d.d. 9 maart 2018. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ; - de vader; - namens de pleegouders: de pleegmoeder. 2.5. Door de advocaat van de moeder is voorafgaand aan de mondelinge behandeling een aantal keren om uitstel daarvan verzocht. Die verzoeken zijn afgewezen. De moeder en haar advocaat zijn niet ter zitting verschenen. Vervolgens is er een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting opgemaakt en is de advocaat van de moeder in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De advocaat van de moeder heeft bij schrijven d.d. 5 april 2018 gereageerd. 3De beoordeling 3.1. De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). 3.2. [minderjarige] staat sinds 29 november 2013 onder toezicht, thans van de GI. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 28 november 2017 verlengd tot 29 november 2018. 3.3. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds het voorjaar van 2014 uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. 3.4. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 29 november 2017. 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6. Bij beschikking van 28 november 2017 is de in dit hoger beroep bestreden machtiging verlengd tot 29 november 2018. De beschikking van 28 november 2017 ligt in dit hoger beroep niet ter beoordeling voor. Van die beschikking is de moeder ook niet in hoger beroep gekomen. 3.7. De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan. Aan de gronden voor het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing is niet voldaan. De moeder kan [minderjarige] een stabiele thuissituatie bieden en zij kan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan met ondersteuning van de juiste hulpverlening. Ten onrechte is er geen nieuw onderzoek gedaan naar de opvoedcapaciteiten van de moeder, zijn de opvoedvaardigheden van de moeder niet gemonitord en is aan de moeder geen hulp geboden om haar opvoedvaardigheden te verbeteren. Dat acht de moeder in strijd met bepalingen uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). 3.8. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Allereerst heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek omdat de (termijn van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.