GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.205.581/01 arrest van 8 mei 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. E.Ph. Roelofs te Heerlen, tegen 1 [pensioen B.V.] Pensioen B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. Holding [de holding] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als Pensioen B.V., de Holding en gezamenlijk als de vennootschappen, advocaat: mr. M.C.G. Nijssen te Heerlen, op het bij exploot van dagvaarding van 11 april 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 januari 2010, 17 augustus 2011, 30 september 2015 en 13 januari 2016 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellante] als eiseres en de vennootschappen als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/145992 / HA ZA 09-1452) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties en een eiswijziging; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties en een nieuwe eiswijziging; de akte uitlating eiswijziging in principaal hoger beroep tevens akte uitlating producties in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties. Op de rol van 29 augustus 2017 is door [appellante] bewaar gemaakt tegen laatstgenoemde akte, voor zover het een reactie betreft op de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof ziet geen aanleiding om de laatstgenoemde akte (gedeeltelijk) buiten beschouwing te laten omdat, zoals hierna zal blijken, het hof iedere verdere beslissing zal aanhouden en [appellante] nog de mogelijkheid zal hebben om op die akte te reageren. 3De beoordeling in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellante] en [ex partner van appellante] (hierna: [ex partner van appellante] ), zijn op 19 maart 1964 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. 3.1.2. Zowel [appellante] als [ex partner van appellante] zijn in dienst (geweest) van de Holding, in de functie van directeur. De Holding is de enig aandeelhouder van Pensioen B.V. Deze vennootschappen vormen samen met enkele andere vennootschappen een fiscale eenheid en een groep waarvan de Holding een geconsolideerde jaarrekening opstelt. 3.1.3. Op basis van een daartoe met de Holding gesloten overeenkomst hebben [appellante] en [ex partner van appellante] aanvankelijk bij de Holding pensioen opgebouwd. Deze pensioenaanspraken zijn per 31 december 1993 overgedragen aan Pensioen B.V. Daartoe is besloten in de algemene vergadering van aandeelhouders van de Holding van 20 december 1993. Een overeenkomst ter zake tussen de Holding en Pensioen B.V. is op dezelfde datum gesloten. In die overeenkomst is vastgelegd dat de Holding uiterlijk op 31 december 1993 een bedrag ter hoogte van de waarde van de pensioenverplichtingen op dat moment (fl. 104.312,-) zou betalen aan Pensioen B.V. en verder dat de Holding vervolgens ieder jaar een nader bedrag zou betalen ten behoeve van de pensioenopbouw in Pensioen B.V. De Holding heeft de betaling van de waarde van de pensioenverplichtingen per 31 december 1993 niet voldaan en evenmin heeft de Holding de jaarlijkse bijdragen betaald. Deze verplichtingen zijn bij de Holding als schulden en bij Pensioen B.V. als vorderingen opgenomen in de jaarstukken. 3.1.4. [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1945, heeft op [geboortedatum] 2005 de overeengekomen pensioenleeftijd (60 jaar) bereikt. [appellante] heeft met ingang van die datum recht op ouderdomspensioen. 3.1.5. Het huwelijk tussen [appellante] en [ex partner van appellante] is op 19 mei 2006 ontbonden door inschrijving op die dag van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 3.1.6. [ex partner van appellante] , geboren op [geboortedatum] 1944, heeft op 16 mei 2006 de overeengekomen pensioenleeftijd bereikt. [ex partner van appellante] heeft met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 62 jaar bereikt, recht op ouderdomspensioen, dus per 1 juni 2006. Het dictum van het eindvonnis 3.2. [appellante] heeft de vennootschappen gedagvaard tot kort gezegd nakoming van de pensioenverplichtingen aan haar. Vanwege de in hoger beroep gewijzigde eis, zal het hof hier niet nader ingaan op de vorderingen zoals die in eerste aanleg waren geformuleerd. Het dictum van het eindvonnis van 13 januari 2016 luidt als volgt: “3.1. veroordeelt Pensioen B.V. en de Holding om aan [appellante] te betalen de pensioentermijnen van € 887,- bruto per maand vanaf [geboortedatum] 2005 tot het moment dat voldaan is hetgeen waartoe Pensioen B.V. en de Holding onder 3.2 worden veroordeeld, 3.2. veroordeelt Pensioen B.V. en de Holding om op eerste verzoek van [appellante] op een door haar op te geven bankrekening van een verzekeringsmaatschappij (het bedrag ter hoogte van) de voor [appellante] resterende pensioenvoorziening af te storten of te doen storten, 3.3. veroordeelt Pensioen B.V. en de Holding om aan [appellante] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 3.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, 3.4. veroordeelt Pensioen B.V. en de Holding in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 1.929,98, 3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.” De (gewijzigde) eisen in hoger beroep 3.3. [appellante] heeft, na eiswijziging, in hoger beroep geconcludeerd (samengevat) tot vernietiging van de tussenvonnissen van 27 januari 2010, 17 augustus 2011 en 30 september 2015 en het eindvonnis van 13 januari 2016 en opnieuw rechtdoende tot: primair a. veroordeling van de vennootschappen om aan [appellante] te betalen haar pensioenaanspraken vanaf [geboortedatum] 2005 tot 19 mei 2006 zijnde een bedrag van € 12.189,- en haar geconverteerde pensioenaanspraken vanaf 19 mei 2006 tot en met 31 december 2016; b. vaststelling van de onder a geconverteerde pensioenaanspraken door middel van een deskundigenonderzoek; c. vaststelling dat op de onder a genoemde betalingsverplichting in mindering strekt een bedrag van € 30.497,94, dan wel een door het hof vast te stellen bedrag; d. veroordeling van de vennootschappen om aan [appellante] maandelijks haar geconverteerde pensioenaanspraak te voldoen vanaf 1 januari 2017, welk bedrag jaarlijks dient te worden geïndexeerd, voor het eerst per 1 januari 2018, welke maandelijks geconverteerde pensioenaanspraak eveneens dient te worden vastgesteld door middel van een deskundigenonderzoek; subsidiair e. veroordeling van de vennootschappen om aan [appellante] te betalen haar pensioenaanspraken vanaf [geboortedatum] 2005 tot 19 mei 2006 zijnde een bedrag van €12.189,- en haar pensioenaanspraken na verevening over de periode [geboortedatum] 2005 tot en met 31 december 2016 zijnde een bedrag van bruto € 157.444,-; f. vaststelling dat op de verplichting onder e in mindering strekt € 30.497,49, dan wel een door het hof vast te stellen bedrag; g. veroordeling van de vennootschappen om aan [appellante] € 1.148,42 per maand te betalen vanaf 1 januari 2017, jaarlijks te indexeren voor het eerst per 1 januari 2018, ter zake verevende pensioenaanspraken; zowel primair als subsidiair h. met in stand lating van de overige oordelen van de rechtbank onder 3.2. tot en met 3.6 van het eindvonnis van 13 januari 2016; i. veroordeling van de vennootschappen in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente daarover. 3.4. De vennootschappen hebben in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot (samengevat) vernietiging van het eindvonnis voor zover met de zinsnede “resterende pensioenvoorziening” in 3.2. van het dictum is bedoeld afstorting van de commerciële waarde, en voorts, zo begrijpt het hof, vernietiging van 3.3 tot en met 3.5 van het dictum, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties. Enkele uitgangspunten 3.5. [appellante] is in hoger beroep gekomen van de tussenvonnissen van 27 januari 2010 en 17 augustus 2011, maar zij heeft geen grieven geformuleerd tegen die vonnissen. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van die vonnissen. 3.6. De vennootschappen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen in hoger beroep. Recht zal worden gedaan op de (laatstelijk) gewijzigde eis van [appellante] , die het hof hiervoor heeft weergegeven. 3.7. Partijen zijn het erover eens dat de pensioenaanspraken niet verevend hoeven te worden, maar dat deze dienen te worden geconverteerd. Om die reden behoeft de subsidiaire vordering van [appellante] geen nadere bespreking. 3.8. Uit de grieven in principaal hoger beroep blijkt dat het hoger beroep betrekking heeft op de hoogte van de toegewezen bedragen. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft slechts betrekking op 3.2 van het dictum. Tegen hun beider veroordeling hebben de vennootschappen geen grieven gericht. Tegen de in hoger beroep gewijzigde eis hebben de vennootschappen ook niet meer het verweer gevoerd dat slechts Pensioen B.V. aansprakelijk is. Voor het geval de gewijzigde eis van [appellante] toewijsbaar is, zal het hof dus zowel de Holding als Pensioen B.V. veroordelen. Voorlopig oordeel over de vorderingen 3.9. Het is het hof niet duidelijk waarom het partijen niet lukt om tot overeenstemming te komen. Kennelijk zijn partijen heel ver gevorderd in het maken van afspraken. Het hof zal een comparitie van partijen bepalen om alsnog een regeling in der minne te beproeven. Deze comparitie zal tevens worden benut om nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen, met name over de vraag welke geschilpunten nog beantwoord moeten worden. Door de herhaalde wijziging van eis in hoger beroep, bestaat bij het hof onvoldoende duidelijkheid daarover. Het hof zal hieronder uiteenzetten waarover nadere informatie van partijen wordt verlangd. Vordering a en c 3.10. De vordering onder a bestaat uit twee onderdelen: a1. de pensioenaanspraken van [geboortedatum] 2005 tot 19 mei 2006 bedragende € 12.189,- en a2. de geconverteerde pensioenaanspraken vanaf 19 mei 2006 tot en met 31 december 2016. 3.11. De vordering a1 betreft de eigen aanspraak van [appellante] op ouderdomspensioen. [appellante] heeft op [geboortedatum] 2005 vanwege het bereiken van de pensioenleeftijd recht gekregen op ouderdomspensioen. Op dat moment had [ex partner van appellante] nog geen recht op pensioen. Het pensioen is berekend tot 19 mei 2006, zijnde de datum van echtscheiding. De vennootschappen hebben de juistheid van dit bedrag niet betwist. 3.12. De vordering a2 betreft een nog nader te berekenen bedrag. Partijen zijn het erover eens dat de geconverteerde aanspraak berekend dient te worden door een deskundige. Het hof begrijpt dat de reden om dat te laten berekenen tot en met 31 december 2016 daarin is gelegen, dat de memorie van grieven in januari 2017 is genomen, zodat het mogelijk was te becijferen wat er tot en met 31 december 2016 feitelijk door [appellante] was ontvangen, maar niet mogelijk om te becijferen wat nadien is betaald. Indien daarvoor een andere reden is, dan verlangt het hof een toelichting van [appellante] . 3.13. Volgens [appellante] heeft zij tot en met 31 december 2016 in totaal € 30.497,94 ontvangen. Volgens de vennootschappen is er in totaal tot en met december 2016 € 52.578,67 bruto verloond (zie nr. 19 memorie van antwoord). Het hof begrijpt dat laatst genoemd bedrag is gebaseerd op conversie (uiteraard vanaf datum echtscheiding) en dat in dat bedrag ook is begrepen hetgeen waarop [appellante] voor de echtscheiding recht had. Dat dit bedrag is verloond, betekent echter niet dat dit ook is betaald aan [appellante] . Wat er is verloond en wat er is betaald, zal het hof niet zelf berekenen. Dat zal dienen te gebeuren door een deskundige. De vennootschappen hebben in diezelfde memorie (nummer 21) aangevoerd dat er nog een fiscale correctie op de verloning tot en met 2015 moet plaatsvinden en nog een uitbetaling moet volgen, maar dat daarvoor de middelen ontbreken. Volgens de vennootschappen is er echter niettemin bij beide partijen duidelijkheid over de aanspraken van zowel [appellante] als van [ex partner van appellante] , wat er verloond is en wat er nog verloond moet worden. De vennootschappen hebben dat echter in deze procedure niet geconcretiseerd. Volgens [appellante] zijn de betreffende bedragen onjuist, want niet geïndexeerd. Ook heeft [appellante] aangevoerd dat niet blijkt of de verschuldigde inhoudingen daadwerkelijk zijn afgedragen aan de fiscus. Het hof wenst duidelijkheid te verkrijgen in die zin dat het hof wil weten of partijen (inmiddels) over de aanspraken tot en met 2016 overeenstemming hebben bereikt. Indien dat niet het geval is, dan dienen partijen duidelijk te maken over welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.