GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.218.426/01 arrest van 22 mei 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als de vrouw, advocaat: mr. L.N. Geerman te Sittard, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. J.W.E.M. Guzik te Echt, op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 april 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5565799 \ CV EXPL 16-11568) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de door de man betaalde partneralimentatie van onverschuldigd is betaald en dientengevolge op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Partijen zijn gehuwd op 7 mei 2000. Zij zijn staande huwelijk op 29 april 2008 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Deze huwelijkse voorwaarden hielden – kort gezegd – een uitsluiting van iedere gemeenschap in. Bij verzoekschrift van 3 maart 2015 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding van partijen uit te spreken. 3.1.2 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 6 februari 2015 heeft de rechtbank (zaaknummer C/03/201513 / FA RK 15-220) bepaald dat de man met ingang van 6 februari 2015 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 835,-- per maand moet betalen. 3.1.3. Op 1 juni 2016 heeft de man een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen ingediend. 3.1.4. Bij beschikking van 13 juli 2016 (zaaknummer C/03/203049 / FA RK 15-676) heeft de rechtbank de echtscheiding van partijen uitgesproken. De rechtbank heeft daarbij de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw bepaald op een bedrag van € 68,-- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tegen de echtscheidingsbeschikking is door partijen geen hoger beroep ingesteld. De echtscheiding is op 29 juli 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 3.1.5. Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 14 juli 2016 (zaaknummer C/03/221383 / FA RK 16-1861) heeft de rechtbank bepaald dat de man per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw moet betalen: met ingang van 28 mei 2015 een bedrag van € 218,88; met ingang van 1 januari 2016 € 69,25. De rechtbank heeft daarbij over een eventuele terugbetalingsverplichting van partneralimentatie in rov. 2.6. overwogen: “Op het verweer van de vrouw dat zij zich verzet tegen een eventuele terugbetalingsverplichting van partneralimentatie hoeft de rechtbank niet in te gaan nu de man een dergelijk verzoek niet heeft gedaan.” 3.2.1. De man heeft de vrouw gedagvaard. Hij vordert veroordeling van de vrouw tot betaling van € 7.571,71, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. In de beschikking van 14 juli 2016 is bepaald dat het door de man bij te dragen bedrag in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met terugwerkende kracht is verlaagd. De door de man te veel betaalde alimentatie is vanaf mei 2015 onverschuldigd betaald. 3.2.2. De vrouw heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd. De man heeft te lang, ruim anderhalf jaar, gewacht om een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 februari 2015 te verzoeken, terwijl hij nooit in onderling overleg kenbaar heeft gemaakt dat hij de alimentatie niet (meer) kon dragen. De behoefte van de vrouw is niet gewijzigd. Zij heeft de reeds ontvangen alimentatie verbruikt. Het thans vorderen van terugbetaling daarvan is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. 3.3. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de man toegewezen. Hij heeft hiertoe in rov. 4.2. als volgt overwogen: “De beschikking op een verzoek tot voorlopige voorzieningen is een ordemaatregel met een voorlopig karakter. Gezien de prejudiciërende werking van de voorlopige vaststelling van de uitkering voor levensonderhoud op de vaststelling van de definitieve alimentatie is het zaak te allen tijde rekening te houden met een mogelijke afwijkende definitieve alimentatieverplichting. Dit geldt zowel diegene die de bijdrage dient te betalen als voor diegene die de bijdrage ontvangt. Tussen partijen staat vast dat achteraf is gebleken dat de alimentatieverplichting van de man niet meer bedroeg dan € 68,00 per maand. De vrouw heeft dan ook met ingang van 28 februari 2015 teveel aan bijdrage van de man ontvangen. Op grond van de beschikkingen van 13 en 14 juli 2016 heeft de man het thans gevorderde onverschuldigd aan de vrouw betaald”. De proceskosten zijn door de kantonrechter gecompenseerd. 3.4.1. De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad: de vordering van de man af te wijzen; de man te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de man in verzuim is deze kosten te voldoen, althans in ieder geval vanaf de datum van betekening van het te wijzen arrest. De vrouw heeft hiertoe zes grieven aangevoerd. De man heeft de grieven weersproken. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, zo nodig met verbetering of aanvulling van de gronden, van het bestreden vonnis. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van de vrouw toewijsbaar zijn. 3.4.2. De grieven hebben betrekking op: de betaalde partneralimentatie (grief 1); het stilzitten van de man gedurende de echtscheidingsperiode (grief 2); het karakter van de voorlopige voorzieningen (grieven 3, 4 en 5); de terugbetalingsverplichting van de vrouw (grief 6). De eerste grief heeft betrekking op de door de kantonrechter ten onrechte genoemde datum “28 februari 2015” (in plaats van 28 mei 2015 – hof). Nu de man de datum van 28 mei 2015 in zijn dagvaarding tot uitgangspunt heeft genomen, heeft de vrouw geen belang bij deze grief. De eerste grief faalt derhalve. Gelet op de onderlinge samenhang van de overige grieven zal het hof deze gezamenlijk behandelen. 3.5. Het gaat in deze zaak om de vraag of de door de man in de periode van mei 2015 tot mei 2016 aan de vrouw betaalde partneralimentatie van € 7.571,71 onverschuldigd is betaald en dientengevolge op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust. Niet in geschil is dat de man dit bedrag aan de vrouw, ten titel van partneralimentatie, heeft betaald. 3.5.1. Volgens de man heeft hij in de periode van mei 2015 tot en met december 2015 € 835,-- partneralimentatie per maand betaald terwijl hij slechts € 218,88 per maand diende te betalen. In de periode van januari 2016 tot en met mei 2016 heeft hij € 835,-- per maand betaald in plaats van het verschuldigde bedrag van € 69,25 per maand. In totaal heeft hij € 7.571,71 (te vermeerderen met rente en kosten) onverschuldigd betaald. 3.5.2. De vrouw voert met haar grieven – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. In de wijzigingsprocedure voorlopige voorzieningen heeft de vrouw verweer gevoerd tegen toepassing van de terugwerkende kracht en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting. Nu de rechtbank hierover geen beslissing heeft genomen, had de kantonrechter dit moeten doen. De kantonrechter heeft nagelaten de toelaatbaarheid van een eventuele terugbetalingsverplichting aan de hand van de wet, vaste jurisprudentie en het door haar gevoerde verweer te toetsen. De vrouw heeft de verklaring van de man voor het “te lang stilzitten” en het ontbreken van onderling overleg, anders dan de kantonrechter heeft vastgesteld, wél weersproken (randnummers 13 tot en met 20 conclusie van dupliek). De man heeft zich niet ingespannen om de echtscheidingsprocedure sneller te laten verlopen, terwijl hij wist dat de rechtbank de procedure had gesplitst in een “echtscheidingsdeel” en een “verdelingsdeel”. Voor zover uit het vonnis van de kantonrechter moet worden afgeleid dat een terugbetalingsverplichting volgt wanneer bij de echtscheidingsbeschikking een lager bedrag wordt vastgesteld dan bij de beschikking voorlopige voorzieningen is dat onjuist omdat de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde alimentatie pas ingaat op de datum van inschrijving van de echtschedingsbeschikking. Toepassing van terugwerkende kracht is dan ook niet aan de orde en zelfs in strijd met de wet De beschikking voorlopige voorziening behoudt haar geldigheid tot de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Alimentatiebetalingen op grond van de beschikkingen voorlopige voorzieningen zijn daarom niet onverschuldigd voldaan. Overigens kan van een onderhoudsgerechtigde niet worden verwacht dat deze gedurende de periode waarin de voorlopige voorzieningen gelden, immer rekening houdt met een wijzigingsverzoek en derhalve een terugbetalingsverplichting. Dit strookt niet met het consumptieve karakter van alimentatie, zeker wanneer de behoefte aan alimentatie vaststaat. Dit geldt temeer nu tegen de beschikking voorlopige voorzieningen geen hoger beroep openstaat. Een onderhoudsgerechtigde kan pas rekening houden met een wijziging wanneer deze bekend raakt met de omstandigheden waaruit die wijziging kan voortvloeien of wanneer een wijzigingsverzoek wordt ingediend. De man heeft die omstandigheden tot het laatst verzwegen. 3.5.3. De man bestrijdt de grieven. Hij stelt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende. Het was onduidelijk waarom de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank stil lag en hoe lang dit zou duren. Medio 2015 is de inkomenspositie (de hoogte van zijn inkomen was gedaald en de hoogte van zijn huur gestegen) van de man gewijzigd. Zijn financiële problematiek belemmerde hem, vanwege de daarmee gemoeide kosten, wijziging van de voorlopige voorzieningen te verzoeken. De vrouw was bekend met de gewijzigde inkomenspositie en had dus rekening kunnen houden met een eventueel wijzigingsverzoek. De geldigheid van de voorlopige voorzieningen tot de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking betekent het volgende. Indien uit de in de bodemprocedure overgelegde bescheiden blijkt dat de inkomenspositie van de alimentatieplichtige na het geven van de beschikking voorlopige voorzieningen substantieel is gewijzigd: kan de alimentatiegerechtigde een lagere alimentatie in de definitieve beschikking verwachten; is de alimentatieplichtige gerechtigd, op grond van het bepaalde in art. 826 Rv., om tot aan de datum van inschrijving een wijziging van de voorlopige voorzieningen te verzoeken. Het is mogelijk om met terugwerkende kracht een wijziging van de voorlopige voorzieningen te vragen, alsook dat de honorering van dit verzoek een terugbetalingsverplichting tot gevolg kan hebben. Uit de op 14 juli 2016 door de rechtbank gegeven beschikking wijziging voorlopige voorzieningen, welke beslissing onherroepelijk is, vloeit voort dat het door de man gevorderde bedrag van € 7.571,71 onverschuldigd is betaald. Door zijn inkomensachteruitgang van circa 25% was de draagkracht van de man substantieel afgenomen. De vrouw daarentegen was vermogend omdat de echtelijke woning haar eigendom was en deze een overwaarde vertegenwoordigde van meer dan € 50.000,-- en de vrouw over een premiedepot beschikte van € 40.000,--. Verder had zij een arbeids-ongeschiktheidsuitkering en enkele bij haar inwonende dochters konden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding. In de loop van 2016 is de vrouw gaan samenwonen met haar huidige echtgenoot. Vanaf dat moment rustte op de man gelet op het bepaalde in art. 1:160 BW geen onderhoudsverplichting meer. Voor zover een belangenafweging zou moeten worden gemaakt, dient deze in het voordeel van de man uit te vallen. 3.6. Het hof oordeelt als volgt. 3.6.1. In deze zaak is sprake van een drietal beslissingen van de rechtbank over de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie. Die beslissingen kunnen als volgt schematisch worden weergegeven. datum aard beslissing periode bedrag betaald 06-02-2015 voorlopige voorziening v.a. 06-02-2015 € 835,-- € 835,-- 13-07-2016 echtscheidingsbeschikking v.a. 29-07-2016 € 68,-- niet relevant 14-07-2016 wijziging voorlopige voorziening (wijzigingsverzoek ingediend op 01-06-2016) v.a. 28-05-2015 v.a. 01-01-2016 € 218,88 € 69,25 € 835,-- (tot mei 2016) 3.6.2. Het door de man betaalde bedrag van € 835,-- per maand gedurende de periode van mei 2015 tot en met mei 2016 vindt zijn grondslag in de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 februari 2015. 3.6.3.1. Een beslissing voorlopige voorzieningen kan ex art. 821 Rv door echtgenoten worden verzocht in het licht van een echtscheidingsprocedure. De rechter kan bij beschikking voor de duur van het geding (onder meer) het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot (art. 822 lid 1 onder e Rv). 3.6.3.2. De voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat de voorlopige voorziening bedoeld in art. 822 lid 1 onder e Rv, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 BW, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat (art. 826 Rv). Op een verzoek van de echtgenoten of van één van hen kan een beschikking, als bedoeld in art. 822 Rv, door de rechtbank die (of het gerechtshof dat) de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. De beslissing op het wijzigingsverzoek verliest haar kracht op het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 3.6.3. In dit geval heeft de rechtbank aan haar beslissing op het wijzigingsverzoek voorlopige voorzieningen terugwerkende kracht verbonden. 3.6.4. Bij wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht is krachtens vaste rechtspraak van de Hoge Raad behoedzaamheid vereist. In zijn arrest van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:871) overwoog de Hoge Raad als volgt: “3.4. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 – gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.