GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.201.819/01 arrest van 29 mei 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. H.Th.A. Nijkamp te Uden, op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 juli 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3126347, rolnummer 14-5117) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 25 juni 2015. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met vier producties en een vermeerdering van eis; de memorie van antwoord; de akte van [appellant] ; de antwoordakte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . b. [appellant] heeft de woning voor in ieder geval de periode van eind november 2010 tot en met midden oktober 2011 verhuurd althans ter beschikking gesteld aan [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] heeft in die periode met zijn vrouw en kinderen in de woning gewoond. c. In of omstreeks september 2011 is tussen [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gesproken over de mogelijkheid dat [geïntimeerde 1] de woning van [appellant] zou gaan huren. d. [appellant] heeft bij de inleidende dagvaarding een kopie overgelegd van een huurovereenkomst waarop hij als verhuurder is vermeld en [geïntimeerde 1] als huurder. Volgens de tekst van deze overeenkomst heeft [appellant] de woning met ingang van 1 oktober 2011 voor de duur van een jaar, dus tot en met 1 oktober 2012, verhuurd aan [geïntimeerde 1] voor een huurprijs van € 650,-- per maand. Aan het eind van de huurovereenkomst staat dat deze is opgemaakt en ondertekend op 4 oktober 2012, waarmee kennelijk 4 oktober 2011 is bedoeld. Onderaan de huurovereenkomst staan twee handtekeningen. Volgens [appellant] is de huurovereenkomst door hem en door [geïntimeerde 1] ondertekend. [geïntimeerde 1] heeft betwist dat hij de huurovereenkomst heeft ondertekend. e. [geïntimeerde 2] heeft een op 1 oktober 2011 gedateerde handgeschreven verklaring ondertekend waarin het volgende staat: ‘Ik [geïntimeerde 2] geboren op [geboortedatum 1] -1977 te [geboorteplaats 1] sta garant voor [geïntimeerde 1] geboren op [geboortedatum 2] -89 te [geboorteplaats 2] voor de woning op de [adres] [postcode] te [plaats] , voor alle financiën en achterstallige betalingen en voor schade aan het huis en rondom het huis.’ f. [geïntimeerde 1] is vanaf begin oktober 2011 gedurende twee jaar gedetineerd geweest in Marokko, en heeft niet in de woning gewoond. g. Op 28 oktober 2011 heeft de politie in de woning een hennepkwekerij aangetroffen. De energie-aansluiting van de woning stond op dat moment op naam van [appellant] . h. [appellant] heeft een aan hem gerichte aanmaning van Enexis van 28 november 2011 overgelegd. Die aanmaning heeft betrekking op een factuur van 11 november 2011 ten bedrage van € 4.564,18 met betrekking tot gepleegde fraude. i. Bij aangetekende brief van haar advocaat van 28 augustus 2014 heeft de echtgenote van [geïntimeerde 2] de borgstelling van 1 oktober 2011 vernietigd. 3.2.1. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in het geding bij de kantonrechter hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van: € 500,-- aan openstaande huur over de maand oktober 2011; € 6.500,-- aan gederfde huur over de maanden november 2011 tot en met september 2012; € 29.252,32 aan kosten van herstel van de woning; € 5.166,98 ter zake kosten van de elektriciteitsaansluiting; met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellant] na wijziging van zijn stellingen bij akte van 26 februari 2015, kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde 1] heeft de woning met ingang van 1 oktober 2011 voor een jaar, dus tot 1 oktober 2012, gehuurd. [geïntimeerde 1] heeft op de eerste maand huur € 150,-- aanbetaald maar ten onrechte de rest van de huur tot de einddatum van de huurovereenkomst onbetaald gelaten. [geïntimeerde 2] is op grond van de door hem afgegeven borgstelling hoofdelijk aansprakelijk voor de onbetaald gelaten huur. [geïntimeerde 2] heeft bovendien in de woning een hennepkwekerij geëxploiteerd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] moeten de schade vergoeden die [appellant] daardoor geleden heeft. 3.2.3. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.4. In het tussenvonnis van 25 juni 2015 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld: Mede vanwege de tekst van de door [geïntimeerde 2] ondertekende borgstelling moet voorshands bewezen worden geacht dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] de door [appellant] gestelde huurovereenkomst tot stand gekomen is. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] mogen tegenbewijs leveren. Dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrokken zijn geweest bij de op 28 oktober 2011 aangetroffen hennepkwekerij staat niet vast. [appellant] mag daarvoor bewijs leveren. Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter: [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] toegelaten om tegenbewijs te leveren tegen het door de kantonrechter vooralsnog bewezen geachte feit dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] met ingang van 1 oktober 2011 een huurovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de woning; [appellant] toegelaten om te bewijzen dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] de op 28 oktober 2011 in de woning aangetroffen hennepkwekerij hebben ingericht en/of geëxploiteerd en dat hij als gevolg daarvan de door hem gestelde schade tot de door hem gestelde bedragen heeft geleden. 3.2.5. Na gehouden getuigenverhoren heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 7 juli 2016, samengevat, als volgt geoordeeld: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben het door [appellant] aangedragen bewijs voor de door hem gestelde huurovereenkomst voldoende ontzenuwd. Daarom is niet komen vast te staan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] een huurovereenkomst tot stand gekomen is. Er bestaan ernstige aanwijzingen dat de hennepkwekerij in de woning is geëxploiteerd door [geïntimeerde 2] . Of op dat punt voldoende bewijs is geleverd kan echter in het midden blijven omdat [appellant] heeft nagelaten enig nader bewijs te leveren omtrent de omvang van de als gevolg van de hennepkwekerij geleden schade. Reeds om die reden moeten de vorderingen van [appellant] , voor zover gebaseerd op de kwestie van de hennepkwekerij, worden afgewezen. Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van: A. € 7.650,-- ter zake gederfde huur over de maanden oktober 2011 tot en met september 2012 (twaalf maanden maal € 650,-- verminderd met een eenmalige aanbetaling van € 150,--), vermeerderd met wettelijke rente; B. € 29.252,32 ter zake kosten van herstel van de woning, vermeerderd met wettelijke rente; C. € 2.520,28 ter zake kosten van het schoonmaken en leegmaken van de woning na het aantreffen van de hennepkwekerij, vermeerderd met wettelijke rente; D. € 5.166,16 ter zake kosten van de elektriciteitsaansluiting, vermeerderd met wettelijke rente; E. € 1.095,-- ter zake buitengerechtelijke kosten; met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten. Deze eisvermeerdering heeft tijdig plaatsgevonden en is toelaatbaar. Na behandeling van de grieven zal blijken in hoeverre de vermeerderde eis toewijsbaar is. 3.3.2. [appellant] heeft drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van 7 juli 2016. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het toewijzen van zijn vermeerderde vorderingen. Met betrekking tot grief I: is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] ? 3.4.1. Grief I is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het door [appellant] aangedragen bewijs voor de door hem gestelde huurovereenkomst voldoende hebben ontzenuwd en dat daarom niet is komen vast te staan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] een huurovereenkomst tot stand is gekomen. 3.4.2. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat hij met ingang van 1 oktober 2011 een huurovereenkomst heeft gesloten met [geïntimeerde 1] . 3.4.3. De door [geïntimeerde 2] ondertekende borgstelling vormt, zoals de kantonrechter in het tussenvonnis van 25 juni 2015 heeft overwogen, een aanwijzing dat de huurovereenkomst tot stand gekomen is. Tegenover die aanwijzing staan echter de getuigenverklaringen die tijdens de na het tussenvonnis gehouden getuigenverhoren zijn afgelegd door [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [de echtgenote van geïntimeerde 1] , de echtgenote van [geïntimeerde 1] . Die verklaringen houden in dat de mogelijkheid van huur van de woning door [geïntimeerde 1] wel besproken is tussen partijen, maar dat de huurovereenkomst niet tot stand gekomen is en dat de handtekening op de huurovereenkomst niet door [geïntimeerde 1] is geplaatst en ook niet op de handtekening van [geïntimeerde 1] lijkt. Het hof is bij deze stand van zaken, evenals de kantonrechter, van oordeel dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de gestelde huurovereenkomst tot stand gekomen is. Het hof neemt daar ook bij in aanmerking dat [appellant] zelf niet als getuige een verklaring heeft afgelegd over de beweerdelijke totstandkoming van de huurovereenkomst. 3.4.4. In de toelichting op grief I heeft [appellant] zijn stelling herhaald dat de handtekening bij de tekst “(handtekening huurder)” op de bij de inleidende dagvaarding overgelegde huurovereenkomst is geplaatst door [geïntimeerde 1] . Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellant] bij de memorie van grieven een kopie van een overschrijvingsformulier van een voetbalvereniging overgelegd en een kopie van het rijbewijs van [geïntimeerde 1] . Volgens [appellant] is duidelijk dat het drie keer om dezelfde handtekening gaat, waarbij [geïntimeerde 1] volgens [appellant] op het formulier van de voetbalvereniging zijn handtekening op de verkeerde plaats heeft gezet, namelijk niet bij “Handtekening speler” maar bij “Handtekening contactpersoon”. [appellant] heeft aangeboden om met behulp van een handschriftdeskundige nader te bewijzen dat de handtekening onder de huurovereenkomst door [geïntimeerde 1] geplaatst is. 3.4.5. Het hof acht vooralsnog geen redenen aanwezig om op dit punt een deskundigenbericht te gelasten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de drie genoemde handtekeningen, voor zover zichtbaar op de door [appellant] overgelegde kopieën, op het eerste gezicht geenszins op elkaar lijken. Indien [appellant] door middel van een rapport van een deskundige aannemelijk had willen maken dat de drie handtekeningen door dezelfde persoon zijn gezet, had hij een dergelijk rapport zelf kunnen laten opmaken en bij de memorie van grieven kunnen overleggen. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gemotiveerd hebben betwist dat [geïntimeerde 1] zijn handtekening op het overschrijvingsformulier op de onjuiste plaats, bij “Handtekening contactpersoon”, heeft geplaatst. Volgens hen heeft [geïntimeerde 1] op de juiste plaats, bij “Handtekening speler”, zijn handtekening geplaatst. Die stelling komt het hof niet onaannemelijk voor aangezien in de betreffende handtekening de voornaam van [geïntimeerde 1] ( [voornaam geïntimeerde 1] ) leesbaar lijkt. Gelet op de voor een leek zichtbare verschillen tussen de handtekeningen acht het hof het in elk geval op dit moment niet in de rede liggen om nu een onderzoek door een handschriftdeskundige te gelasten. Het voorgaande geldt te meer nu [appellant] niet heeft gesteld onder welke omstandigheden de huurovereenkomst is ondertekend en – meer in het bijzonder – of de handtekening bij “Handtekening huurder” in zijn aanwezigheid is geplaatst. 3.4.6. [appellant] heeft in de door hem in hoger beroep genomen akte aangeboden om door het horen van zichzelf en van zijn broer als getuigen te bewijzen dat de huurovereenkomst tot stand gekomen is en dat hij in verband daarmee van [geïntimeerde 1] een contante aanbetaling van € 150,-- op de eerste maand huur heeft ontvangen. [geïntimeerde 1] heeft betwist dat hij een dergelijke aanbetaling heeft gedaan. Het hof acht dit een relevant bewijsaanbod, mede omdat [appellant] en diens broer in het geding bij de kantonrechter nog niet als getuigen zijn gehoord. Het hof zal [appellant] op de hierna onder “De uitspraak” te melden wijze tot deze bewijslevering toelaten. 3.4.7. Het hof zal elk verder oordeel over grief I aanhouden. Dat geldt ook voor elk oordeel over de door [geïntimeerde 2] ondertekende borgstelling en de verweren die [geïntimeerde 2] daarover heeft gevoerd. Met betrekking tot grief II: schade door de hennepkwekerij 3.5.1. Grief II is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] heeft nagelaten enig nader bewijs te leveren omtrent de omvang van de als gevolg van de hennepkwekerij geleden schade en dat zijn vorderingen, voor zover gebaseerd op de kwestie van de hennepkwekerij, reeds om die reden moeten worden afgewezen. In de toelichting op de grief heeft [appellant] naar de kern genomen betoogd dat hij de door hem gestelde schade voldoende heeft onderbouwd door overlegging van: de offerte van [v.o.f. 1] v.o.f. van 22 december 2011 ten bedrage van € 29.252,32 inclusief btw voor het opknappen van de woning in verband met de gevolgen van de hennepkwekerij (productie 5 bij de inleidende dagvaarding); de (alternatieve) offerte van Timmerbedrijf [v.o.f. 2] v.o.f. van 23 december 2011 ten bedrage van € 32.014,63 voor, kort gezegd, dezelfde werkzaamheden als waar de offerte van [v.o.f. 1] v.o.f. betrekking op heeft (productie 5 bij de inleidende dagvaarding); de aanmaning ter zake de fraudefactuur van Enexis ten bedrage van € 4.564,18 (prod. 6 bij de inleidende dagvaarding); de eindafrekening van Essent van 26 oktober 2011 ten bedrage van € 601,98; 37 foto’s van de schade die door en in verband met de hennepkwekerij in de woning is ontstaan (productie 2 bij de memorie van grieven); een factuur van [v.o.f. 1] v.o.f. van 22 februari 2012 ten bedrage van € 2.520,28 inclusief btw voor het leegmaken van de woning (zand, folie, kabels en draden verwijderen), het schoonmaken van de hele woning en het afvoeren van het vrijgekomen materiaal, inclusief huur en transport van container en inclusief stortkosten (2752
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.