Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003722-17 Uitspraak : 5 juni 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-700112-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] wonende te [adres] Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring, zal vernietigen ten aanzien van de strafoplegging en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 2.738,38 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde bepleit. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan alsmede de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In hoger beroep is van de zijde van de verdachte betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het slachtoffer de letsels (deels) niet door toedoen van verdachte, maar door de val met zijn fiets zou hebben opgelopen en dat sprake zou zijn van een opwelling als contra-indicatie voor het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans. De door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverweging. De verweren worden derhalve verworpen. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld, alsmede een taakstraf. De verdediging heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede op het feit dat verdachte uit een opwelling zou hebben gehandeld. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met kracht te slaan en te schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer, een destijds 16-jarige jongen [slachtoffer] . Toen verdachte zag dat het kind van zijn toenmalige vriendin samen met deze jongen bij een valpartij betrokken was, heeft verdachte, terwijl hij de valpartij zelf niet heeft gezien en dus zonder de oorzaak van de valpartij te kennen, zich niet bekommerd om het kind van zijn vriendin of [slachtoffer] , maar direct fors geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . Dit is een ernstig feit, te meer nu de verdachte een volwassen man is met een groot en stevig postuur en het slachtoffer, [slachtoffer] , een minderjarige met een tenger figuur betreft. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze geschonden. Dergelijk handelen leidt in de regel bij de slachtoffers tot gevoelens van angst en onveiligheid, hetgeen ook blijkt uit de door de vader van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring. Het incident vond bovendien plaats in het openbaar – een skatebaan, een locatie die een veilige speelplaats voor kinderen/jongeren behoort te zijn – en in het bijzijn van andere kinderen/ jongeren, hetgeen ook in de samenleving tot gevoelens van angst en onveiligheid kan leiden. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan. Het hof heeft bij de beoordeling van de straf acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2018, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Het hof heeft tevens acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 8 augustus 2017, het reclasseringsadvies d.d. 17 mei 2018 alsmede hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoon van verdachte. Nu de aard en ernst van het feit de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zonder meer rechtvaardigen, is het hof van oordeel dat niet, zoals door de verdediging is verzocht, met gevangenisstraf kan worden volstaan waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden noodzakelijk is. Gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoon van verdachte, in het bijzonder het feit dat het bewezenverklaarde verdachte in mindere mate toe te rekenen valt en het risico op recidive als verminderd wordt ingeschat, ziet het hof echter aanleiding een deel daarvan, te weten twaalf maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt het mogelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een locatie- en contactverbod op te leggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering benadeelde partij [slachtoffer] De wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van € 2.954,20, bestaande uit een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 454,20 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - Aanschaf pijnstiller paracetamol € 2,80 - Spoelmiddel om de mond te ontsmetten € 8,85 - Aanschaf Blender € 64,95 - aanschaf Playstation € 111,50 - gemiste inkomsten vakantiewerk € 193,60 - totaal reiskosten € 58,40 - parkeerkosten € 14,10 +/+ Totaal € 454,20 Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.649,10, bestaande uit een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 149,10 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag waarop de schade is ontstaan. Het toewijsbare gedeelte aan materiële schade bestaat uit de volgende posten: - Aanschaf pijnstiller paracetamol € 2,80 - Spoelmiddel om de mond te ontsmetten € 8,85 - Aanschaf Blender € 64,95 - totaal reiskosten € 58,40 - parkeerkosten € 14,10 +/+ Totaal: € 149,10 De wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering in hoger beroep is verminderd met een bedrag van € 111,50 ter zake de Playstation; de post ‘gemiste inkomsten vakantiewerk’ is verminderd tot een bedrag van € 89,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.