← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2018:2370

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.172.806/01 arrest van 5 juni 2018 in de zaak van 1 [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna aan te duiden als [appellante 1] , appellante (voor zover het betreft de procedure inzake de vorderingenvan de geïntimeerden als eisers in conventie in eerste aanleg),advocaat: mr. H. Knotter te ’s-Hertogenbosch, 2. [appellant 2], 3. [appellant 3], beiden wonende te [woonplaats] , appellanten (voor zover het betreft de procedure inzake de vorderingenvan [appellante 1] als eiseres in reconventie in eerste aanleg), hierna aan te duiden als [appellant 2] c.s., advocaat: mr. J.W.B. van Till te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] , 3. [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats] , 4. [geïntimeerde 4], wonende te [woonplaats] , 5. [geïntimeerde 5], geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als de franchisenemers, de geïntimeerden 2., 3. en 4. gezamenlijk als [geïntimeerde 2] c.s., en de geïntimeerden afzonderlijk als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] respectievelijk [geïntimeerde 5] , advocaat: mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop, op het bij exploot van dagvaarding van 1 juni 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 3 september 2014 en 13 mei 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellante 1] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de franchisenemers als eisers in conventie, verweerders in reconventie. 1 1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers C/03/194708 / HA ZA 14-463, C/03/1974722 / HA ZA 14-467 en C/03/194718 / HA ZA 14-465) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van [appellante 1] ; de memorie van grieven van [appellante 1] met producties; de akte van [appellant 2] c.s.; de memorie van antwoord in reconventie van de franchisenemers; het pleidooi, waarbij [appellante 1] niet is verschenen, waarbij is gepleit door mr. Van Till namens [appellant 2] c.s. en door mr. Loeffen namens de franchisenemers en waarbij pleitnotities zijn overgelegd; de voorafgaand aan het pleidooi door de franchisenemers toegezonden producties (het arrest van dit hof van 27 augustus 2015 houdende faillietverklaring van [appellante 1] , de concept-jaarstukken van [appellante 1] over 2010 en 2011, de jaarrekening van [appellante 1] over 2012, het faillissementsverslag inzake [appellante 1] d.d. 26 maart 2016), die de franchisenemers bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De feiten 3.1. In r.o. 2.1. van het vonnis van 13 mei 2015 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is door partijen niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen daarom in hoger beroep het uitgangspunt. Daarnaast staan andere feiten tussen partijen vast.Het hof zal hierna een overzicht geven van de tussen partijen vaststaande feiten. a.

  1. a)[appellante 1] legde zich in de periode van 2008 tot in 2012 toe op het (doen) aanbieden van opleidingen en trainingen aan bedrijven, overheden en instellingen door middel van een door haar opgezette franchiseorganisatie.
  2. b)[appellante 1] heeft met de franchisenemers franchiseovereenkomsten gesloten. De overeenkomst met [geïntimeerde 2] is gesloten op 11 december 2008, met [geïntimeerde 3] op 17 december 2008, met [geïntimeerde 1] op 10 februari 2009, met [geïntimeerde 4] op 10 april 2009 en met [geïntimeerde 5] op28 juni 2010.Bij de franchiseovereenkomsten zijn de franchisenemers toegetreden tot de franchiseorganisatie van [appellante 1] (hierna ook: de [appellante 1] -organisatie), teneinde in die hoedanigheid opleidingen en trainingen te geven.
  3. c)De met [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] gesloten franchiseovereenkomsten (prod. 1 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s. en prod. 2 inl. dagv. [geïntimeerde 1] ), luiden, voor zover relevant, als volgt: ‘(…) Artikel 3: verplichtingen franchisegever 1. De franchisegever verbindt zich jegens de franchisenemer om hem naar beste weten en kunnen regelmatig adviezen te verstrekken omtrent de werking van het franchisesysteem en hem regelmatig informatie te verschaffen over de omvang, de activiteiten en de resultaten van de franchiseketen. 2. De franchisegever stelt aan de franchisenemer de bij hem aanwezige ervaring, kennis en vaardigheid, zulks in de ruimste zin des woords, ter beschikking. 3. De franchisegever verplicht zich jegens de franchisenemer om mede zorg te dragen om collectieve reclame en andere wijzen van verkoopbevordering en verspreiding van de bekendheid van de handelsnaam en het merk (de merken) van de franchiseketen, en in het algemeen maatregelen te nemen, die de werking van de franchiseketen ten goede kunnen komen. (…) 4. De franchisegever verbindt zich jegens de franchisenemer om desgevraagd adviezen te geven ten aanzien van administratie en het gebruik van de gemeenschappelijke software oplossing “ [softwarepakket] ” (…) Artikel 4: verplichtingen franchisenemer 1. De franchisenemer aanvaardt het aanbod van de franchisegever als in artikel 3 omschreven en verbindt zich jegens de franchisegever om hem wegens de verleende diensten de vergoedingen te betalen als in artikel 8 omschreven. 2. De franchisenemer verbindt zich jegens de franchisegever om uitsluitend trainingsdesigns van de franchisegever, en daarbij behorende accessoires en materialen, te zullen gebruiken voor de door hem uit te voeren trainingen en opleidingen. Daarnaast verbindt de franchisenemer zich om geen andere producten of diensten anders dan die van franchisegever te verkopen, uit te voeren of te ontwikkelen, dan wel daarbij, direct of indirect, financieel betrokken te zijn. 3. Het is de franchisenemer verboden tijdens de duur van deze overeenkomst een onderneming of zaak te drijven zonder (volledig) gebruik van de franchiseformule van franchisegever. Ook is het franchisenemer zonder toestemming van franchisegever verboden om enige nevenfunctie te hebben of tekeningsbevoegd te zijn bij een onderneming anders dan die van franchisenemer. (…) 5. De franchisenemer verbindt zich jegens de franchisegever om zijn in geval van [geïntimeerde 4] : huishoudelijk reglement,] instructies en richtlijnen op het terrein van [in geval van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] : planning, rapportages,] het geven en volgen van trainingen en opleidingen, bedrijfsbeheer, presentatie, de bepaling van het assortiment, de reclame en de verkoopbevordering, de prijspolitiek, de administratie, het softwarepakket ‘ [softwarepakket] ’, het personeelsbeleid en de kwaliteitsbewaking strict en nauwgezet te zullen opvolgen.(…) Artikel 5: duur overeenkomst 1. De franchiseovereenkomst wordt aangegaan voor de periode van vijf jaren , ingaande op in geval van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] : 1 februari 2009 , in geval van [geïntimeerde 1] : 1 maart 2009, in geval van [geïntimeerde 4] : 15 april 2009]. (…) 4. Bij het einde van de franchiseovereenkomst rusten op beide partijen de verplichtingen, als nader omschreven in artikel 18. (…) Artikel 6: werkingsgebied 1. De franchisenemer zal de franchiseonderneming mogen voeren in geheel Nederland, zonder daaraan overigens enige exclusiviteit te kunnen ontlenen, en onder de navolgende voorwaarden: (…) b. De franchisenemer zal werkzaam zijn binnen de L.O.B. [line of business, Hof] Handel, Industrie en Transport. (…) Artikel 11: relaties De franchisenemer verplicht zich jegens de franchisegever om niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de franchisegever binnen twee jaar na het einde van de franchiseovereenkomsten voor eigen rekening of in dienstbetrekking, direct of indirect, gelijksoortige werkzaamheden te verrichten [in geval van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] :] voor cliënten of overige op de klanten-/suspect-/prospectlijst van de franchisegever of andere franchisenemers genoemde relaties, dan wel deze, direct of indirect, te benaderen of onder hen te werven. (…) [in geval van [geïntimeerde 1] :] voor cliënten of overige op de klanten-/suspect-/prospectlijst van de franchisegever of franchisenemers genoemde relaties, dan wel deze, direct of indirect, te [blijven]] benaderen of onder hen te werven. (…) [in geval van [geïntimeerde 4] :] voor zijn huidige cliënten, dan wel voor de op de klanten-/suspect-/prospectlijst van de franchisegever of zijn franchisenemers genoemde relaties, dan wel deze, direct of indirect, te [blijven]] benaderen of onder hen te werven. (…) Bij in gebreke blijven van dit artikel is franchisenemer verplicht om alle schade, waaronder die van omzetderving, aan de franchisegever te vergoeden verhoogd met een boete van 100% van het volledige bedrag aan omzetderving. (…) Artikel 14: boetebeding [in geval van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] :] 1. Ieder der partijen verbeurt ten gunste van de andere partij een dadelijk opeisbare, niet voor gerechtelijke matiging vatbare boete van € 10.000,- (…) voor iedere keer, dat een bepaling van de deze overeenkomst wordt overtreden, doch niet dan nadat vruchteloos is gesommeerd het geconstateerde verzuim te herstellen. [in geval van [geïntimeerde 4] : In geval van herhaling van bovengenoemde omstandigheden binnen 1 jaar is geen ingebrekestelling en herstellingsperiode van toepassing.] 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit artikel verbeurt de franchisenemer een dadelijk opeisbare, niet voor rechtelijke matiging vatbare boete van € 7.500,-- voor iedere keer dat het bepaalde in de artikelen 10 (geheimhouding) en 11 (relaties) wordt overtreden, zulks onverminderd het recht van de franchisegever volledige schadevergoeding te vorderen.[in geval van [geïntimeerde 4] :]1. Ieder der partijen verbeurt ten gunste van de andere partij een dadelijk opeisbare, niet voor gerechtelijke matiging vatbare boete van € 10.000,- (…) voor iedere keer, dat een bepaling van de deze overeenkomst wordt overtreden. (…) Artikel 16: tussentijdse opzegging 1. De franchisegever is bevoegd de franchiseovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden per aangetekend schrijven tussentijds op te zeggen, indien, - de franchisenemer de maandelijkse rapportages niet stipt en volledig ingevuld inlevert - de franchisenemer zijn pipeline budget op het maandelijkse pipelineformulier gedurende drie opeenvolgende maanden voor minder dan 65% realiseert; - de franchisenemer geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft gedurende meer dan 60 dagen na factuurdatum om de door hem aan de franchisegever verschuldigde vergoedingen te betalen; - de franchisenemer enige verplichting, met name waar het betreft het bepaalde in artikel 4 (verplichtingen franchisenemer) niet of niet voldoende nakomt; zulks voor zover de franchisenemers gedurende de periode van veertien dagen na ingebrekestelling in de gelegenheid is gesteld om de gebreken te herstellen. 2. De franchisenemer is bevoegd de franchiseovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden [in geval van [geïntimeerde 4] : zes maanden] per aangetekend schrijven tussentijds te beëindigen indien,- hij zijn trainersactiviteiten wenst te beëindigen (…);- de franchisegever enige verplichting, met name waar het betreft het bepaalde in artikel 3 (verplichtingen franchisegever), niet of niet voldoende nakomt;zulks voor zover de franchisegever gedurende een periode van drie maanden na ingebrekestelling in de gelegenheid is gesteld de gebreken te herstellen. Artikel 17: ontbinding en einde franchiseovereenkomst 1. Elk der partijen is bevoegd de franchiseovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden, indien (…) [in geval van [geïntimeerde 4] :]e. franchisenemer, zonder toestemming, naast de in deze overeenkomst genoemde onderneming van franchisenemer, een andere onderneming vestigt, alsook financieel in welke vorm dan ook bij een zaak belang heeft, direct of indirect, of daarin of daarvoor werkzaam is, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarbinnen een aandeel van welke aard ook heeft,f. franchisenemer, buiten het concept van franchisegever om, programma’s, modules, concepten en of trainingen verkoopt en/of uitvoert of laat uitvoeren, waarvan de inhoud en of de methodiek gelijk is aan die van [appellante 1] of overeenkomsten heeft of gelijksoortig is of enige gelijkenis vertoont met de inhoud van de trainingen, cursussen of andere producten en of methodieken van franchisegever.(…) Artikel 18: gevolgen beëindiging overeenkomst [in geval van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] :] 1. Bij voortijdige beëindiging van de franchiseovereenkomst, anders dan om een dringende reden (…), terwijl franchisenemer voornemens is zijn trainersactiviteiten voort te zetten met vergelijkbare trainingen als die van Franchisegever, is de franchisenemer aan franchisegever een vergoeding verschuldigd wegens omzetderving. De hoogte van deze vergoeding zal worden bepaald door een onafhankelijke derde [bv. Deskundige van [adviseur] ]. De kosten van deze adviseur komen voor gezamenlijke rekening van partijen. Dit bedrag is op het moment van de vaststelling in zijn geheel direct opeisbaar met een betalingstermijn van 30 dagen zonder sommatie, ingebrekestelling en gerechtelijke tussenkomst.2. Bij het einde van de franchiseovereenkomst, om welke reden ook, is de franchisenemer verplicht het gebruik van het woord- en beeldmerk evenals de handelsnaam, en andere elementen van de franchiseformule onmiddellijk te beëindigen, en mag hij op geen enkele wijze de schijn wekken dat zijn onderneming nog deel uitmaakt van de franchiseketen. Indien de franchisenemer materialen van de franchisegever in bewaring heeft, is hij verplicht deze voor zijn rekening binnen veertien dagen na het einde van de franchiseovereenkomst bij de franchisegever terug te bezorgen.3. De franchisegever is verplicht om binnen dertig dagen na het einde van de franchiseovereenkomst materialen, voorzien van het woord- of beeldmerk of de handelsnaam van de franchisegever, tegen de voor de vervaardiging gemaakte kosten onder aftrek van de gebruikelijke afschrijving van de franchisenemer terug te nemen (…).(…)5. Indien franchisenemer, na beëindiging van de overeenkomst zelf een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van franchisegever vestigt, alsook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang heeft, direct of indirect, of daarin of daarvoor werkzaam is, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook heeft, dan is het aan franchisenemer verboden programma’s, modules, en of trainingen te verkopen en/of uit te voeren waarvan de inhoud en of de methodiek gelijk is aan die van [appellante 1] of overeenkomsten heeft of gelijksoortig is of enige gelijkenis vertoont met de inhoud van trainingen, cursussen of andere producten en of methodieken van franchisegever (…).6. In afwijking van hetgeen is overeengekomen verbeurt franchisenemer bij overtreding van het voorgaande artikel ten behoeve van franchisegever een zonder sommatie, ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst terstond een opeisbare boete van € 10.000 (…) per overtreding of, indien het een duurovertreding betreft, een boete groot € 2.500 per dag (…), dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van franchisegever op volledige schadevergoeding ter zake. [in geval van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] :] 1. Bij voortijdige beëindiging van de franchiseovereenkomst, anders dan om een dringende reden (…), in geval van [geïntimeerde 1] :] terwijl franchisenemer voornemens is zijn trainersactiviteiten voort te zetten met vergelijkbare trainingen als die van Franchisegever [in geval van [geïntimeerde 4] :] ongeacht of franchisenemer wel of niet voornemens is zijn trainersactiviteiten voort te zetten, [bij beiden:], is de franchisenemer aan franchisegever een vergoeding verschuldigd wegens omzetderving. (…)2. Bij het einde van de franchiseovereenkomst, om welke reden ook, is de franchisenemer verplicht het gebruik van het woord- en beeldmerk evenals de handelsnaam, en andere elementen van de franchiseformule onmiddellijk te beëindigen, en mag hij op geen enkele wijze de schijn wekken dat zijn onderneming nog deel uitmaakt van de franchiseketen. Indien de franchisenemer materialen van de franchisegever in bewaring heeft, is hij verplicht deze voor zijn rekening binnen veertien dagen na het einde van de franchiseovereenkomst bij de franchisegever terug te bezorgen.3. De franchisegever is verplicht om binnen dertig dagen na het einde van de franchiseovereenkomst materialen, voorzien van het woord- of beeldmerk of de handelsnaam van de franchisegever, tegen de voor de vervaardiging gemaakte kosten onder aftrek van de gebruikelijke afschrijving van de franchisenemer terug te nemen (…).(…)6. Indien franchisenemer, na beëindiging van de overeenkomst zelf een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van franchisegever vestigt, alsook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang heeft, direct of indirect, of daarin of daarvoor werkzaam is, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook heeft, dan is het aan franchisenemer verboden programma’s, modules, en of trainingen te [in geval van [geïntimeerde 4] : [laten]] verkopen en/of uit te [in geval van [geïntimeerde 4] : [laten]] voeren waarvan de inhoud en of de methodiek gelijk is aan die van [appellante 1] of overeenkomsten heeft of gelijksoortig is of enige gelijkenis vertoont met de inhoud van trainingen, cursussen of andere producten en of methodieken van franchisegever (…).7. In afwijking van hetgeen is overeengekomen verbeurt franchisenemer bij overtreding van het voorgaande artikel [in geval van [geïntimeerde 4] : bij overtreding van artikel 18.2 t/m 18.6] ten behoeve van franchisegever een zonder sommatie, ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst terstond een opeisbare boete van € 10.000 (…) per overtreding of, indien het een duurovertreding betreft, een boete groot € 2.500 per dag (…), dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van franchisegever op volledige schadevergoeding ter zake. (…)’
  4. e)De met [geïntimeerde 5] gesloten franchiseovereenkomst (prod. 2 inl. dagv. [geïntimeerde 5] ) luidt, voor zover relevant, als volgt: ‘(…) Artikel 3: verstrekken informatie Op de Franchisegever rust geen plicht om de (aspirant-)franchisenemer prognoses te verstrekken en of inlichtingen te verschaffen omtrent de te verwachten omzet en winst, noch in het algemeen noch in het concrete geval. Evenmin bestaat er een recht van de franchisenemer om voorafgaande aan de ondertekening inzage te krijgen in de omzet- en winstcijfers van de franchiseorganisatie. Artikel 4: conformiteit van de franchiseovereenkomst Een franchisenemer kan er geen beroep meer op doen dat de franchiseovereenkomst en de uitvoering die hieraan gegeven wordt niet beantwoord aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen uit hoofde van deze overeenkomst, indien de franchisenemer de Franchisegever daarvan niet binnen bekwame tijd - dit ter beoordeling aan de Franchisegever - nadat hij dit heeft ontdekt dan wel redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven middels een aangetekende brief. Van een kennisgeving binnen bekwame tijd is in ieder geval geen sprake meer dan vier weken nadat de franchisenemer voor de eerste maal een kwartaalvergadering heeft bijgewoond. (…) Artikel 6: verplichtingen franchisegever 1. De franchisegever verbindt zich jegens de franchisenemer om hem naar beste weten en kunnen regelmatig adviezen te verstrekken omtrent de werking van het franchisesysteem en hem regelmatig informatie te verschaffen over de omvang, de activiteiten en de resultaten van de franchiseketen. 2. De franchisegever stelt aan de franchisenemer de bij hem aanwezige ervaring, kennis en vaardigheid, zulks in de ruimste zin des woords, ter beschikking. 3. De franchisegever zal mede zorg dragen om collectieve reclame te bevorderen en andere wijzen van verkoopbevordering en verspreiding van de bekendheid van de handelsnaam en het merk (de merken) van de franchiseketen, en in het algemeen maatregelen te nemen, die de werking van de franchiseketen ten goede kunnen komen. (…) 4. De franchisegever verbindt zich jegens de franchisenemer om adviezen en richtlijnen te geven ten aanzien van zijn administratie, het gebruik van de gemeenschappelijke software oplossing “ [softwarepakket] ”, de uitvoering van trainingen, de communicatie met klanten etc. Deze richtlijnen zijn samengevat in het huishoudelijk reglement, dat integraal onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst. (…) Artikel 7: verplichtingen franchisenemer 1. De franchisenemer aanvaardt het aanbod van de franchisegever als in artikel 5 omschreven en verbindt zich jegens de franchisegever om hem wegens de verleende diensten de vergoedingen te betalen als in artikel 11 omschreven. 2. De franchisenemer verbindt zich jegens de franchisegever om uitsluitend trainingsdesigns van de franchisegever, en daarbij behorende accessoires en materialen, te zullen gebruiken voor de door hem uit te voeren trainingen en opleidingen. Daarnaast verbindt de franchisenemer zich om geen andere producten of diensten anders dan die van franchisegever te verkopen, uit te voeren of te ontwikkelen, dan wel daarbij, direct of indirect, financieel betrokken te zijn. 3. Het is de franchisenemer verboden tijdens de duur van deze overeenkomst een onderneming of zaak te drijven zonder (volledig) gebruik van de franchiseformule van franchisegever. Ook is het franchisenemer zonder toestemming van franchisegever verboden om enige nevenfunctie te hebben of tekeningsbevoegd te zijn bij een onderneming anders dan die van franchisenemer. (…) 5. De franchisenemer verbindt zich jegens de franchisegever om zijn instructies en richtlijnen zoals vermeld in het huishoudelijk reglement of anderszins, op het terrein van planning, rapportages, acquisitie, het geven en volgen van trainingen en opleidingen, bedrijfsbeheer, presentatie, de reclame en de verkoopbevordering, de prijspolitiek, de administratie (waaronder bezoekrapporten, offertes en opdrachtbevestigingen), de boekhouding (waaronder de facturatie), het gebruik van software, agendabeheer, de kwaliteitsbewaking of ander omschreven door franchisegever, strict en nauwgezet te zullen opvolgen. Het huishoudelijk reglement maakt een integraal deel uit en of is onverbrekelijk verbonden met deze franchiseovereenkomst. (…) 11. Voor iedere keer, althans voor ieder dagdeel, althans voor iedere dag der er een overtreding plaatsvindt dan wel blijft voortbestaan, dan wel ondeugdelijke nakoming plaatsvindt c.q. blijft voortbestaan, dan wel niet nakoming plaatsvindt c.q. blijft voortbestaan, van de in dit artikel en haar leden vervatte verplichtingen, verbeurt de franchisenemer - niettegenstaande en behoudens het bepaalde in artikel 17 van deze overeenkomst – een dadelijk opeisbare boete van € 500,- ten gunste van de Franchisegever. Artikel 8: duur overeenkomst 1. De franchiseovereenkomst wordt aangegaan voor de periode van acht jaren , ingaande op 1 oktober 2010 . (…) 4. Bij het einde van de franchiseovereenkomst rusten op beide partijen de verplichtingen, als nader omschreven in deze overeenkomst. 5. De overeenkomst kan alleen tussentijds worden opgezegd dan wel ontbonden in de gevallen, als in de artikelen 19 respectievelijk 20 omschreven. Artikel 9: werkingsgebied 1. De franchisenemer zal de franchiseonderneming mogen voeren in geheel Nederland, zonder daaraan overigens enige exclusiviteit te kunnen ontlenen, en onder de navolgende voorwaarden: (…) b. De franchisenemer zal werkzaam zijn binnen de L.O.B. Handel, Industrie en Transport (…) (…) Artikel 14: relaties 1. De franchisenemer verplicht zich jegens de franchisegever om niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de franchisegever binnen drie jaar na het einde van de franchiseovereenkomst voor eigen rekening of in dienstbetrekking, direct of indirect, gelijksoortige of aanverwante werkzaamheden te verrichten voor relaties van de franchiseorganisatie, hieronder worden mede verstaan de relaties van franchisenemer gedurende deze overeenkomst, dan wel deze, direct of indirect, te [blijven] benaderen of onder hen te werven. (…) (…) 4. Bij niet of ondeugdelijke nakoming van dit artikel is Franchisenemer verplicht alle schade, waaronder die van omzetderving, aan Franchisegever te vergoeden verhoogd met een boete van 100% van het volledige schadebedrag. (…) Artikel 16: intellectuele eigendomsrechten 1. De intellectuele eigendomsrechten van alle onder [appellante 1] label uitgevoerde trainingsdesigns rusten bij de franchisegever, ook indien die mede door inspanningen van franchisenemer tot stand zijn gekomen. (…) 4. Ter bescherming van de intellectuele eigendomsrechten en niettegenstaande en behoudens het bepaalde in de overige artikelen van deze overeenkomst, rusten uit hoofde van de franchiseovereenkomst op de franchisenemer zowel gedurende de looptijd van de overeenkomst als na afloop hiervan gedurende een periode van onbepaalde duur, de navolgende verplichtingen: a. de verplichting van de franchisenemer direct noch indirect een soortgelijke bedrijfsactiviteit uit te oefenen, b. de verplichting van de franchisenemer geen financiële belangen in een concurrerende ondernemingen te verwerven, die hem de macht zouden geven het economisch gedrag van die onderneming te beïnvloeden. (…) Artikel 17: algemeen boetebeding Niettegenstaande en behoudens afwijkingen hiervan in de overige artikelen van deze overeenkomst verbeurt ieder der partijen ten gunste van de andere partij een dadelijk opeisbare boete van € 10.000, - (…) voor iedere keer, dat een bepaling van de deze overeenkomst wordt overtreden. (…) Artikel 21: gevolgen beëindiging overeenkomst 1. Bij het einde van de franchiseovereenkomst, om welke reden ook, is de franchisenemer verplicht het gebruik van het woord- en beeldmerk evenals de handelsnaam, en andere elementen van de franchiseformule onmiddellijk te beëindigen, en mag hij op geen enkele wijze de schijn wekken dat zijn onderneming nog deel uitmaakt van de franchiseketen. Indien de franchisenemer materialen van de franchisegever in bewaring heeft, is hij verplicht deze voor zijn rekening binnen veertien dagen na het einde van de franchiseovereenkomst bij de franchisegever terug te bezorgen. 2. De franchisegever is verplicht om binnen dertig dagen na het einde van de franchiseovereenkomst materialen, voorzien van het woord- of beeldmerk of de handelsnaam van de franchisegever, tegen de voor de vervaardiging gemaakte kosten onder aftrek van de gebruikelijke afschrijving van de franchisenemer terug te nemen (…). (…) 7. In geval van tussentijdse beëindiging is franchisenemer gehouden om alle schade, waaronder alle inkomstenderving uit [minimum] franchisefee en vergoedingen over de periode, dat de looptijd van de franchiseovereenkomst is verkort, aan franchisegever volledig te vergoeden. (…) (…) 9. Niettegenstaande en behoudens het bepaalde in de overige artikelen van deze overeenkomst, is het na beëindiging van de overeenkomst franchisenemer verboden gebruik te maken van/openbaar te maken knowhow die niet tot het publieke domein behoort. 10. Indien franchisenemer, na beëindiging van de overeenkomst zelf een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van franchisegever vestigt, alsook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang heeft, direct of indirect, of daarin of daarvoor werkzaam is, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook heeft, dan is het aan franchisenemer verboden programma’s, modules, en of trainingen te (laten) verkopen en/of uit te (laten) voeren waarvan de inhoud en of de methodiek gelijk is aan die van [appellante 1] of overeenkomsten heeft of gelijksoortig is of enige gelijkenis vertoont met de inhoud van de trainingen, cursussen of andere producten en of methodieken van franchisegever. Het voorgaande is onmisbaar om door franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen. 11. In afwijking van hetgeen is overeengekomen verbeurt franchisenemer bij overtreding van dit artikel ten behoeve van franchisegever een zonder gerechtelijke tussenkomst terstond een opeisbare boete van € 10.000 (…) per overtreding of, indien het een duurovertreding betreft, een boete groot € 2.500 per dag (…), dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van franchisegever op volledige schadevergoeding ter zake. (…) (…)’
  5. f)Binnen de [appellante 1] -organisatie werd gebruik gemaakt van een huishoudelijk reglement. De versie van 12 maart 2010 (o.m. prod. 22 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s.) bevat de volgende bepalingen:‘Ieder jaar, voor 1 september, worden de nieuwe tarieven en de geldende (staffel) kortingen in de prijslijst van het volgende jaar bepaald. Alle tarieven zijn bindend zijn voor iedereen. Afwijking van de vastgestelde prijslijst is niet toegestaan.Kortingen die de normale staffelkorting, zoals die op de door Franchisegever bepaalde prijslijst vermeld staan te boven gaan (…), dienen door franchisenemer schriftelijk (…) bij franchisegever aangevraagd te worden. Alleen na schriftelijke toestemming van franchisegever (…) mag hiervan worden afgeweken.Indien Franchisegever constateert dat franchisenemer in de opdrachtbevestiging, zonder schriftelijke goedkeuring afwijkt van het bovenstaande, is zij gerechtigd de franchisefee in rekening te brengen over het totale bedrag vermeerderd met de zonder toestemming gegeven kortingen.’
  6. g)Bij brief van 29 november 2012 (prod. 18 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s., prod. 86 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) van hun raadsman aan [appellante 1] hebben [geïntimeerde 2] c.s. gesteld dat [appellante 1] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de met hen gesloten franchiseovereenkomsten. Daarnaast hebben zij een beroep gedaan op de nietigheid van deze overeenkomsten (althans van bedingen daarin) wegens strijd met de Mededingingswet. Ook hebben zij een beroep gedaan op de wilsgebreken dwaling en bedrog en op grond daarvan de franchiseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd, althans aangekondigd dat de rechter zal worden gevraagd deze te vernietigen. Tevens hebben zij een beroep gedaan op gewijzigde omstandigheden en aangekondigd dat de rechter zal worden gevraagd om de franchiseovereenkomsten op grond daarvan te ontbinden. [appellante 1] is verder gesommeerd om de franchiseovereenkomsten alsnog volledig na te komen. Voor het geval dat niet zou gebeuren, hebben [geïntimeerde 2] c.s. de overeenkomsten op een termijn van veertien dagen ontbonden. Ook hebben zij, in verband met de door hen geleden en op [appellante 1] te verhalen schade, een beroep gedaan op opschorting en op verrekening en tevens aanspraak gemaakt op terugbetaling door [appellante 1] van de door hen betaalde fees (met rente). [appellante 1] is ter zake dit laatste in gebreke gesteld. Ten slotte hebben [geïntimeerde 2] c.s. de franchiseovereenkomsten tussentijds opgezegd en wel tegen 1 maart 2013.
  7. h)Bij brief van 12 december 2012 (prod. 19 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s., prod. 40 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft [appellante 1] jegens de raadsman van [geïntimeerde 2] c.s. gereageerd op de brief van 29 november 2012 (zie onder g)). [appellante 1] heeft bezwaar gemaakt tegen ‘het stapelen van deze drie dossiers’, deze handelwijze gekwalificeerd als zijnde in strijd met de franchiseovereenkomsten en de genoemde raadsman meegedeeld dat [appellante 1] niet kan toestaan dat hij de belangen van meerdere franchisenemers tegelijk behartigt. [appellante 1] heeft in de brief verder, samengevat, de in de brief van 29 november 2012 aan het adres van [appellante 1] gemaakte bezwaren, beschuldigingen en verwijten van de hand gewezen. Verder heeft [appellante 1] bezwaar gemaakt tegen de opschorting van betalingen door de drie franchisenemers en hen ter zake in gebreke gesteld en geprotesteerd tegen de opzeggingen. i.
  8. i)Eveneens bij brief van 12 december 2012 (prod. 17 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s., prod. 55 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft [appellante 1] de overeenkomst met [geïntimeerde 2] tussentijds beëindigd tegen 12 maart 2013, op grond van het bepaalde in de artikelen 16 lid 1 jo. 17 lid 3 van die overeenkomst. [appellante 1] heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerde 2] is tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst (in de brief worden, niet limitatief, 22 verschillende tekortkomingen genoemd).
  9. j)Bij brief van 26 februari 2013 van zijn raadsman aan [appellante 1] (prod. 3 inl. dagv. [geïntimeerde 1] , prod. 86 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft [geïntimeerde 1] zijn franchiseovereenkomst met [appellante 1] tussentijds opgezegd tegen 1 juni 2013, althans 1 maart 2014 en heeft hij zich verder, samengevat, aangesloten bij het gestelde in de brief van 29 november 2012 van [geïntimeerde 2] c.s. (zie onder g)) en bij de inhoud van de inmiddels door [geïntimeerde 2] c.s. jegens [appellante 1] uitgebrachte dagvaarding.
  10. k)Bij brief van 21 maart 2013 van zijn raadsman aan [appellante 1] (prod. 86 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft [geïntimeerde 5] zich aangesloten bij het gestelde in de eerder door [geïntimeerde 2] c.s. en door [geïntimeerde 1] aan [appellante 1] verzonden ‘opzeggingsbrieven’ en bij de inhoud van de inmiddels door zowel [geïntimeerde 2] c.s. als [geïntimeerde 1] uitgebrachte dagvaardingen.
  11. l)Bij brieven van 1 augustus 2013 van de raadsman van [appellante 1] aan [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 4] (prod. 56 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft [appellante 1] elk van de franchisenemers afzonderlijk meegedeeld dat hij gehouden is om zijn franchiseovereenkomst met [appellante 1] integraal na te komen, dat hij ter zake in verzuim is vanaf het moment dat hij zich heeft beroepen op de nietigheid/ontbinding van de overeenkomst en dat [appellante 1] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbindt vanaf het moment dat hij in verzuim is.[appellante 1] heeft elk van de franchisenemers verder aansprakelijk gehouden voor de door [appellante 1] geleden en nog te lijden schade en heeft de franchisenemers gewezen op de voor hen uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen als gevolg van de beëindiging van de overeenkomst en op de uit de overeenkomst eveneens voortvloeiende post-contractuele verplichtingen.Bij brief van 1 augustus van de raadsman van [appellante 1] aan [geïntimeerde 2] heeft [appellante 1] [geïntimeerde 2] hetzelfde meegedeeld, met dien verstande dat [geïntimeerde 2] is gewezen op de beëindiging van de met hem gesloten overeenkomst bij brief van 12 december met ingang van 12 maart 2013 (zie onder h)).
  12. m)Bij vonnis in kort geding van 20 december 2013 (prod. 81 van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats’s-Hertogenbosch de vordering van [appellante 1] tot opheffing van de door de franchisenemers gelegde conservatoire derdenbeslagen toegewezen, in die zin dat de voorzieningenrechter deze beslagen zelf heeft opgeheven.De vordering van [appellante 1] om de franchisenemers te bevelen zich te onthouden van inbreuken op het auteursrecht van [holding] Holding B.V. (hierna: [holding] ) en van onrechtmatig handelen jegens [appellante 1] heeft de voorzieningenrechter afgewezen. Datzelfde heeft hij gedaan met de vordering van [appellante 1] om afgifte van en inzage in bescheiden, al dan niet behorend tot de door [appellante 1] in beslag genomen informatie. De eerste aanleg 3.2.1. De onderhavige procedure heeft een aanvang genomen met de betekening van drie dagvaardingen:- de dagvaarding van [appellante 1] door [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] (hierna: [geïntimeerde 2] c.s.) op 4 februari 2013, in de zaak met nummer C/04/121180 / HA ZA 13-59, nadien: C/03/194722 / HA ZA 14-467;- de dagvaarding van [appellante 1] door [geïntimeerde 1] op 5 maart 2013, in de zaak met nummer C/04/121758 / HA ZA 13-96, nadien: C/03/194708 / HA ZA 14-463; en- de dagvaarding van [appellante 1] door [geïntimeerde 5] op 16 april 2013, in de zaak met nummer C/04/122625 / HA ZA 13-136, nadien: C/03/194718 / HA ZA 14-465. In de drie genoemde zaken heeft vervolgens een rolvoeging plaatsgevonden. 3.2.2. [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] hebben daarna hun eis gewijzigd en de gronden aangevuld. [appellante 1] heeft vervolgens in de zaak jegens [geïntimeerde 1] haar eis gewijzigd. De franchisenemers hebben daarna hun eis vermeerderd. Zowel [appellante 1] als [geïntimeerde 5] hebben ten slotte hun eis verminderd. 3.2.3. Rekening houdend met deze eiswijzigingen hebben de vijf franchisenemers in eerste aanleg ieder jegens [appellante 1] gevorderd, samengevat: in het incident: [appellante 1] te veroordelen tot het binnen 14 dagen na het vonnis deponeren aan het kantooradres van een door de rechtbank te benoemen registeraccountant dan wel een nader tussen partijen overeen te komen accountant, dan wel een door de franchisenemer aan te wijzen accountant, van alle administratie in origineel dan wel kopievorm over de jaren 1 januari 2009 tot1 januari 2013, althans van het door de rechtbank te bepalen gedeelte van deze administratie, althans dat gedeelte van de administratie dat in de visie van [appellante 1] betrekking heeft op de weerlegging van de stelling dat niet in de organisatie is geïnvesteerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [appellante 1] daarmede in gebreke is, met veroordeling van [appellante 1] in de kosten van het incident; in de hoofdzaak: 1. primair: voor recht te verklaren dat de franchiseovereenkomst tussen partijen nietig is wegens strijd met artikel 5 [het hof leest: artikel 6] van de Mededingingswet;2. subsidiair: voor recht te verklaren, a. in de zaken van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] : dat artikel 11 van de franchiseovereenkomst nietig is wegens strijd met de Mededingingswet, b. in de zaak van [geïntimeerde 5] : dat de artikelen 14 en 16 lid 4 van de franchiseovereenkomst nietig zijn wegens strijd met de Mededingingswet; 3. meer subsidiair: de franchiseovereenkomst tussen partijen te vernietigen,a. in de zaken van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] : op grond van dwaling en bedrog per ingangsdatum van de overeenkomst, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum,b. in de zaak van [geïntimeerde 5] : op grond van dwaling per ingangsdatum van de overeenkomst, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;4. verder subsidiair: voor recht te verklaren dat de franchiseovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze alsnog rechtsgeldig te ontbinden per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; 5. voor recht te verklaren dat [appellante 1] onrechtmatig jegens de franchisenemer heeft gehandeld en de overeenkomst niet deugdelijk is nagekomen; 6. [appellante 1] te veroordelen tot terugbetaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van alle door de franchisenemer afgedragen fee alsmede de door de franchisenemer geleden schade wegens het niet deugdelijk nakomen van de overeenkomst en op grond van onrechtmatige daad, per saldo bedragende:a. in de zaak van [geïntimeerde 2] : € 682.515,-, b. in de zaak van [geïntimeerde 3] : € 680.746,-, c. in de zaak van [geïntimeerde 4] : € 963.014,-, d. in de zaak van [geïntimeerde 1] : € 621.779,-,e. in de zaak [geïntimeerde 5] : € 436.020,38,dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan fee en schadeloosstelling c.q. schadevergoeding, dan wel een schadeloosstelling c.q. schadevergoeding op te maken bij staat; 7. [appellante 1] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de voldane fee, vanaf de datum van betaling van ieder fee-bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de wettelijke rente over de gevorderde schade vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 8. [appellante 1] te gebieden om binnen acht dagen na betekening van het vonnis het gelegde beslag op te heffen, dit op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag voor iedere dag dat [appellante 1] nalatig blijft aan het gebod te voldoen; alles met veroordeling van [appellante 1] in de proceskosten, de nakosten en de beslagkosten daaronder begrepen. 3.2.4. [appellante 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, in de hoofdzaken en in de incidenten, en heeft harerzijds in reconventie gevorderd, rekening houdend met de eerder genoemde eiswijzigingen en samengevat: in het incident: toe te staan dat [appellante 1] inzage neemt in de bescheiden waarop het beslag rust, die zich thans bevinden aan de [adres] te [plaats] ten kantore van de maatschap [maatschap] , welke maatschap als gerechtelijk bewaarder is aangesteld, al dan niet na tussenkomst van een door [appellante 1] aan te wijzen ICT-deskundige van het ICT-bureau [ICT-bureau] , zijnde de heer [ICT-deskkundige] of een collega van hem, althans een andere door de rechter in goede justitie aan te wijzen ICT-deskundige, welke ICT-deskundige zal onderzoeken welke van de bescheiden onder de sub 422 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [appellante 1] opgesomde categorieën van bescheiden vallen, teneinde te voorkomen dat [appellante 1] inzage verkrijgt in bescheiden die niet vallen onder de sub 422 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie opgesomde categorieën van bescheiden; de franchisenemers te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis aan de raadsman van [appellante 1] een afschrift of uittreksel te verstrekken van en/of inzage te geven in de bescheiden zoals genoemd in sub 422 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie; het bepaalde onder i. op straffe van een hoofdelijke dwangsom van € 50.000,- ineens, alsmede een hoofdelijk dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat een van de franchisenemers geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft na het verstrijken van één week na betekening van het vonnis; ten laste van de franchisenemers die voorziening te treffen ex artikel 843a Rv die de rechtbank in goede justitie geraden acht; de franchisenemers te veroordelen in de kosten van het incident conform artikel 1019h Rv, althans een proceskostenveroordeling die de rechtbank in goede justitie geraden acht;in de hoofdzaak: 1. te verklaren voor recht dat de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk: i. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de met [appellante 1] gesloten franchiseovereenkomsten en uit dien hoofde de boetes zoals opgenomen sub 390 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie verschuldigd zijn; ii. inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van [holding] ; iii. onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij zich know how van [appellante 1] en van[holding] - zoals te kennen uit productie 57 (lijst van [appellante 1] documenten) van [appellante 1] - hebben toegeëigend en/of [appellante 1] onrechtmatige concurrentie hebben aangedaan door het duurzame bedrijfsdebiet van [appellante 1] stelselmatig en op substantiële wijze af te breken, daarbij gebruik makend van de hulpmiddelen die [appellante 1] vertrouwelijk aan hen ter beschikking heeft gesteld; iv. gehouden zijn alle schade die [appellante 1] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de onder punt (
  13. i)en/of (
  14. ii)en/of (iii) opgenomen handelwijze te voldoen aan [appellante 1] ; 2. de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk te bevelen om met onmiddellijke ingang iedere inbreuk op de auteursrechten van [holding] , meer in het bijzonder het gebruik van de [appellante 1] documenten - zoals te kennen uit productie 57 (lijst van [appellante 1] documenten) - of onrechtmatige vereenvoudigingen daarvan, te staken en gestaakt te houden; 3. de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk te bevelen om met onmiddellijke ingang hun post-contractuele verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomsten na te komen, waaronder begrepen doch niet beperkt tot het relatiebeding; 4. de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk te bevelen om met onmiddellijke ingang hun onrechtmatig handelen zoals omschreven onder punt 1. sub iii te staken en gestaakt te houden; 5. de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk te bevelen om met onmiddellijke ingang alle zich nog onder hen bevindende documenten (digitaal en hard-copy) die toebehoren aan [appellante 1] - zoals te kennen uit productie 57 (lijst van [appellante 1] documenten) - of waarmee auteursrecht inbreuk wordt gemaakt en/of onrechtmatig wordt gehandeld aan [appellante 1] af te geven, zonder het achterhouden van enige (digitale) kopie(ën) daarvan en te bepalen dat de in beslag genomen bewijzen door de gerechtelijk bewaarder aan [appellante 1] dienen te worden afgegeven ex artikel 860 lid 1 Rv; 6. het bepaalde onder 2., 3., 4. en 5. op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- ineens, alsmede een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat de franchisenemers geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven na het verstrijken van twee weken na betekening van het vonnis; 7. de franchisenemers te veroordelen tot betaling van volledige schadevergoeding, nader op te maken bij staat; 8. in de zaak van [geïntimeerde 2] : te verklaren voor recht dat [appellante 1] de franchiseovereenkomst met [geïntimeerde 2] op goede gronden tussentijds heeft opgezegd ex art. 16.1 van de franchiseovereenkomst en dat [geïntimeerde 2] derhalve gehouden is tot betaling van een vergoeding aan [appellante 1] ex art. 18.1 van de franchiseovereenkomst, welke vergoeding bindend zal worden vastgesteld door een aan [adviseur] verbonden onafhankelijke deskundige, althans een door de rechtbank in goede justitie aan te wijzen onafhankelijke deskundige, met een veroordeling van [geïntimeerde 2] in een bedrag ter hoogte van 50% van de kosten van die deskundige; 9. de franchisenemers gezamenlijk, dan wel ieder afzonderlijk voor wat betreft de inbreuk op auteursrechten te veroordelen in de kosten van deze procedure exartikel 1019h Rv, waaronder begrepen de totale beslagkosten en kosten van de gerechtelijke bewaring, en voor het overige conform het liquidatietarief, met nakosten en rente. 3.2.5. In het tussenvonnis van 3 september 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. 3.2.6. In het eindvonnis van 13 mei 2015 heeft de rechtbank de incidentele vordering in conventie van de franchisenemers afgewezen, met hoofdelijke veroordeling van de franchisenemers in de proceskosten in het incident.De rechtbank heeft de vorderingen in conventie in de hoofdzaak ten dele toegewezen, in die zin dat zij:- de franchiseovereenkomsten heeft vernietigd wegens dwaling,- voor recht heeft verklaard dat [appellante 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de franchisenemers door hen bij het aangaan van de franchiseovereenkomsten onjuist te informeren over de te behalen omzetten, - [appellante 1] heeft veroordeeld tot terugbetaling aan de franchisenemers van de door hen betaalde fees, met rente, en - het door [appellante 1] ten laste van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] gelegde beslag heeft opgeheven (en deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard),onder compensatie van de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen. Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen in conventie in de hoofdzaak afgewezen.In reconventie heeft de rechtbank [appellante 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, in het incident en in de hoofdzaak, voor zover zij deze heeft ingesteld als lasthebber van [holding] .Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen in reconventie, in het incident en in de hoofdzaak, afgewezen.De rechtbank heeft [appellante 1] veroordeeld in de proceskosten in reconventie, in het incident en in de hoofdzaak. De grieven en de omvang van het hoger beroep 3.3.1. [appellante 1] heeft in hoger beroep 27 grieven aangevoerd en heeft in de dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 3 september 2014 en13 mei 2015, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de franchisenemers en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen zoals vermeerderd in hoger beroep.Bij gelegenheid van het pleidooi hebben [appellant 2] c.s. het hoger beroep zoals ingesteld tegen het tussenvonnis van 3 september 2014 ingetrokken. 3.3.2. De grieven hebben voor een deel betrekking op beslissingen van de rechtbank inzake de vorderingen (in de hoofdzaak) van de franchisenemers. De grieven I-XII betreffen de oordelen van de rechtbank in het lichaam van het vonnis inzake de dwaling door de franchisenemers en de rechtsgevolgen daarvan.Met grief XIII wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, na de vernietiging op grond van dwaling, sprake is van onverschuldigde betalingen door de franchisenemers.Grief XIV heeft betrekking op het oordeel dat [appellante 1] vanwege de onjuiste informatieverstrekking onrechtmatig heeft gehandeld jegens de franchisenemers.Grief XV betreft het oordeel dat de vorderingen van de franchisenemers onder 3. (volledig) en 5.-7. (gedeeltelijk) toewijsbaar zijn. Grief XXIII betreft het oordeel dat het bewijsbeslag ten laste van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] dient te worden opgeheven.Grief XXV betreft de beslissing tot proceskostencompensatie in de hoofdzaak in conventie.Grief XXVII heeft betrekking op de neerlegging van de hiervoor genoemde oordelen in het dictum van het vonnis waarvan beroep (en mist zelfstandig belang). 3.3.3. De grieven hebben voor een ander deel betrekking op de beslissingen van de rechtbank inzake de vorderingen van [appellante 1] (in het incident en in de hoofdzaak). De grieven XVI en XVII betreffen het oordeel van de rechtbank dat [appellante 1] niet-ontvankelijk is in het auteursrechtelijke deel van haar vorderingen.Met grief XVIII voert [appellante 1] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een deel van de vorderingen van [appellante 1] dient te worden afgewezen, gelet op de vernietiging van de franchiseovereenkomsten naar aanleiding van de desbetreffende vordering van de franchisenemers.Met de grief XIX en XX voert [appellante 1] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante 1] haar op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Grief XXI betreft het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen van [appellante 1] , voor zover zij daarin kan worden ontvangen, dienen te worden afgewezen.Grief XXII wordt aangevoerd in het kader van de vermeerdering van eis in hoger beroep. Aangekondigd wordt een vermeerdering van de eis jegens ieder van de franchisenemers ter zake post-contractuele boetes.Grief XXIV betreft de afwijzing van de incidentele vordering.Grief XXVI betreft de kostenveroordeling van [appellante 1] in reconventie.Grief XXVII heeft betrekking op de neerlegging van de hiervoor genoemde oordelen inzake de vorderingen van [appellante 1] in het dictum van het vonnis waarvan beroep (en mist zelfstandig belang). 3.3.4. De franchisenemers hebben geen (al dan niet incidenteel) hoger beroep ingesteld.Gevolg daarvan is dat de afwijzende beslissingen op een belangrijk deel van de vorderingen in conventie van de franchisenemers in stand blijven, bij gebreke van tegen deze beslissingen gerichte grieven.Dit betreft meer in het bijzonder de incidentele vordering en de vorderingen in de hoofdzaak onder 1., 2., 4. (primair), 5. (voor zover betrekking hebbend op de niet-nakoming van de franchiseovereenkomsten door [appellante 1] ), en 6. en 7. (voor zover betrekking hebbend op de schadevergoeding en de rente daarover).Deze vorderingen zullen hierna als zodanig buiten beschouwing blijven. Het hof merkt daarbij op dat de franchisenemers al hetgeen zij ter ondersteuning van hun eigen vorderingen hebben aangevoerd, tevens hebben aangevoerd als verweer tegen de vorderingen van [appellante 1] / [appellant 2] c.s. Om die reden zullen belangrijke delen van het debat in conventie uit de eerste aanleg hierna niettemin aan de orde komen. Het faillissement van [appellante 1] en de positie van [appellant 2] c.s. 3.4.1. Bij arrest van dit hof van 27 augustus 2015 is [appellante 1] in staat van faillissement verklaard.In de onderhavige procedure (die ten tijde van het faillissement was gevorderd tot en met de memorie van grieven van [appellante 1] ) heeft het hof daarop geconstateerd dat de procedure inzake de vorderingen van de franchisenemers op [appellante 1] van rechtswege is geschorst op grond van artikel 29 Fw.De franchisenemers hebben daarop verzocht om ontslag van instantie voor zover het betreft de vorderingen van de franchisenemers op [appellante 1] . Dat verzoek is door de rolraadsheer afgewezen, onder verwijzing naar de schorsing van rechtswege ex artikel 29 Fw.De procedure inzake de vorderingen van [appellante 1] op de franchisenemers is door het hof geschorst op grond van artikel 27 Fw, teneinde de franchisenemers in staat te stellen de curator op te roepen tot overname van het geding.De franchisenemers zijn hiertoe overgegaan. De curator heeft aan de oproeping geen gevolg gegeven. 3.4.2. In december 2015 heeft de curator vervolgens een overeenkomst gesloten met [appellant 2] c.s., zijnde de (indirecte) bestuurders van/aandeelhouders in [appellante 1] .Op basis van deze overeenkomst heeft de curator aan [appellant 2] c.s. overgedragen door middel van cessie: ‘alle vorderingen van [appellante 1] op de Franchisenemers zoals die in de Procedure jegens de Franchisenemers zijn ingesteld en waarover de rechtbank in haar Vonnis in eerste aanleg heeft geoordeeld (waaronder begrepen dus ook de incidentele vorderingen en (neven)vorderingen (…)’.Van de cessie is mededeling gedaan aan de franchisenemers bij deurwaardersexploot van18 december 2015.Bij akte van 22 december 2015 hebben [appellant 2] c.s. vervolgens het standpunt ingenomen dat zij als procespartij in de plaats treden van [appellante 1] ‘bij de reconventionele vorderingen die [ [appellante 1] , hof] jegens Franchisenemers heeft ingesteld’.De franchisenemers hebben geen verweer gevoerd tegen het door [appellant 2] c.s. gestelde. 3.4.3. Gelet op deze gang van zaken gaat het hof er van uit:1) dat de curator en [appellant 2] c.s. hebben beoogd om aan [appellant 2] c.s. - door middel van cessie - over te dragen alle vorderingsrechten van [appellante 1] op de franchisenemers die rechtvaardigen dat zij de in eerste aanleg door [appellante 1] ingestelde rechtsvorderingen jegens de franchisenemers geldend maken;2) dat [appellant 2] c.s. thans alle in r.o. 3.3.3. genoemde grieven aanvoeren tegen de beslissingen van de rechtbank op deze vorderingen; en3) dat [appellant 2] c.s. alle stellingen van [appellante 1] , zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tot de hunne maken. In verband met het overwogene onder 1) wijst het hof erop dat een rechtsvordering als zodanig geen goed is dat kan worden overgedragen, al dan niet door middel van cessie. Overdracht door middel van cessie is wel mogelijk van een - materieelrechtelijk - vorderingsrecht. Aan dat vorderingsrecht is dan vervolgens (en in beginsel) de - procesrechtelijke - rechtsvordering gekoppeld, die de schuldeiser in staat stelt om zijn vorderingsrecht in rechte geldend te maken.Het voorgaande wil niet zeggen dat de overdracht tussen de curator en [appellant 2] c.s. inderdaad tot gevolg heeft dat laatstgenoemden nu jegens de franchisenemers aanspraak kunnen maken op toewijzing van alle door [appellante 1] ingestelde rechtsvorderingen. Deze kwestie zal hierna nader aan de orde komen (zie de r.o. 3.8.4., 3.8.5., 3.13.4., 3.13.5., 3.19.4.).Het hof overweegt verder dat de opvolging van [appellante 1] door [appellant 2] c.s. strikt genomen niet heeft plaatsgevonden met (uitdrukkelijke) toepassing van het bepaalde in de artikelen 225en 227 Rv, maar dat in materieel opzicht aan deze bepalingen is voldaan, in die zin dat de procedure is geschorst (op grond van artikel 27 Fw, waarna de curator zich op zijn positie heeft kunnen beraden), dat tijdens de schorsing geen proceshandelingen zijn verricht, en dat de procedure is hervat bij akte van [appellant 2] c.s., met kennelijke instemming van de franchisenemers, waarna [appellant 2] c.s. onmiddellijk advocaat hebben gesteld. 3.4.4. Gelet op de formulering van de hiervoor genoemde overeenkomst en akte zijn [appellant 2] c.s. niet in de plaats getreden van [appellante 1] waar het betreft de vorderingen van de franchisenemers op [appellante 1] . Ter zake deze vorderingen is [appellante 1] daarom nog steeds de wederpartij van de franchisenemers. De rechtsgevolgen van het faillissement van [appellante 1] voor deze vorderingen komen hierna aan de orde. Het faillissement van [appellante 1] en de vorderingen van de franchisenemers 3.5.1. Zoals hiervoor werd vermeld, heeft het hof onmiddellijk na het faillissement van [appellante 1] geconstateerd dat de procedure inzake de vorderingen van de franchisenemers jegens [appellante 1] van rechtswege is geschorst op grond van artikel 29 Fw.Dit laatste geldt in elk geval voor de vorderingen onder 6. en 7., omdat zij de voldoening van verbintenissen uit de boedel ten doel hebben.Het hof wijst erop dat de schorsing alleen consequenties heeft voor de procedure inzake deze vorderingen voor zover zij door de rechtbank zijn toegewezen en [appellante 1] in verband met de desbetreffende beslissingen grieven heeft aangevoerd (zie r.o. 3.3.4., in verband met de rechtsgevolgen van het niet-instellen van hoger beroep door de franchisenemers). De schorsing heeft tot gevolg dat niet wordt voortgeprocedeerd inzake de vorderingen onder 6. en 7., dat de grieven XIII en XV (gedeeltelijk) niet wordt behandeld en dat de gedeeltelijk toewijzende beslissingen van de rechtbank op deze vorderingen vooralsnog in stand blijven.3.5.2. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:675) kan de schorsing van rechtswege ex artikel 29 Fw zich uitstrekken tot het deel van de procedure dat betrekking heeft op vorderingen die geen voldoening van verbintenissen uit de boedel ten doel hebben, als die vorderingen geen zelfstandige betekenis hebben omdat zij alleen strekken tot het toewijsbaar maken van andere vorderingen, die wel voldoening van verbintenissen uit de boedel ten doel hebben. 3.5.3. De vordering onder 3. (in verband met de wilsgebreken dwaling en bedrog) heeft niet uitsluitend de strekking om de geldvorderingen onder 6. en 7. toewijsbaar te maken. De vordering betreft de geldigheid en het (voort)bestaan van de franchiseovereenkomsten in het algemeen. De gegrondheid van de vordering is ook van belang voor de al dan niet toewijsbaarheid van de vorderingen van (inmiddels) [appellant 2] c.s. jegens de franchisenemers.Het hof zal de franchisenemers daarom volgen in hun - tijdens het pleidooi in hoger beroep ingenomen - standpunt dat de schorsing ex artikel 29 Fw geen betrekking heeft op de vordering onder 3.Dit betekent dat de tegen de beslissing van de rechtbank op die vordering aangevoerde grieven (I-XII en XV (gedeeltelijk)) hierna zullen worden behandeld. 3.5.4. Ook de vordering onder 5. heeft niet alleen de strekking om de vorderingen onder 6. en 7. toewijsbaar te maken. De daaraan ten grondslag liggende centrale stelling wordt door de franchisenemers ook gebruikt als verweer tegen de vorderingen van [appellant 2] c.s. en is daarmee van belang voor de al dan niet toewijsbaarheid van de vorderingen van (inmiddels) [appellant 2] c.s. jegens de franchisenemers.Dit leidt het hof tot het oordeel dat de procedure in verband met de vordering onder 5. niet van rechtswege is geschorst.Dit is, opnieuw, alleen relevant voor zover deze vordering door de rechtbank is toegewezen en deze toewijzende beslissing met grieven wordt bestreden. Dat de procedure niet is geschorst heeft tot gevolg dat de tegen de beslissing van de rechtbank op die vordering genomen beslissing aangevoerde grieven (XIV en XV (gedeeltelijk)) hierna zullen worden behandeld.3.5.5. De vordering onder 8. strekt tot opheffing van het door [appellante 1] ten laste van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] gelegde bewijsbeslag. De vordering hangt nauw samen met de nu door [appellant 2] c.s. ingestelde incidentele vordering tot inzage in de inbeslaggenomen documenten.Zoals in r.o. 3.15.6. zal blijken, gaat het hof ervan uit dat het door [appellante 1] gelegde bewijsbeslag op dit moment geldt als zijnde gelegd door en ten behoeve van [appellant 2] c.s. en gaat het hof er daarom van uit dat [appellant 2] c.s. ook in verband met de vordering onder 8. van de franchisenemers als procespartij in de plaats zijn getreden van [appellante 1] .Uitgaande van dit een en ander hebben het bewijsbeslag en de dienaangaande door de franchisenemers ingestelde vordering tot opheffing niet langer betrekking op ‘rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende’ in de zin van artikel 25 Fw.Om die reden staat het faillissement van [appellante 1] niet in de weg aan de behandeling vangrief XXIII. 3.5.6. Tijdens het pleidooi in hoger beroep hebben de franchisenemers, in verband met het deel van de procedure dat betrekking heeft op hun vorderingen, opnieuw (zie r.o. 3.4.1.) verzocht om verval [het hof begrijpt: ontslag] van instantie. De franchisenemers hebben ter onderbouwing van dit verzoek aangevoerd dat de curator heeft besloten om de procedure in hoger beroep niet voort te zetten in de plaats van [appellante 1] .Het hof is van oordeel dat het verzoek niet kan worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe dat de consequenties van het faillissement van [appellante 1] voor zover het betreft de (niet-verifieerbare) vorderingen van de franchisenemers, worden bepaald aan de hand van het bepaalde in artikel 28 Fw. Anders dan het geval is met artikel 27 Fw, voorziet artikel 28 Fw niet in de mogelijkheid om een ontslag van instantie uit te spreken, terwijl ook geen andere grond is gesteld of gebleken om de franchisenemers te ontslaan van instantie. Plan van behandeling

(1)3.
  1. Naar aanleiding van de grieven I-XII, XV (gedeeltelijk), XVI en XVII (en mede gelet op door de franchisenemers gevoerde verweren) zal het hof hierna enkele kwesties aan de orde stellen waarvoor geldt dat zij van belang zijn in verband met de vorderingen van de franchisenemers én van [appellant 2] c.s., of in elk geval in verband met een belangrijk deel van de vorderingen van [appellant 2] c.s.Het betreft:- het beroep op dwaling en bedrog door de franchisenemers (zie r.o. 3.7.),- de processuele consequenties van het optreden van [appellante 1] / [appellant 2] c.s. als lasthebber van [holding] (zie r.o. 3.8.), en- de stelling van de franchisenemers dat de franchiseovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met artikel 6 Mw (zie r.o. 3.9.). Het beroep op dwaling en bedrog 3.7.
  2. De rechtbank heeft vorderingen van de franchisenemers tot vernietiging van de franchiseovereenkomsten op grond van dwaling toegewezen. Deze beslissingen worden door [appellante 1] / [appellant 2] c.s. bestreden met de grieven I-XII en XV (gedeeltelijk). De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.3.7.
  3. Het hof stelt daarbij het volgende voorop.Zoals hiervoor is gebleken (zie r.o. 3.5.3.), hebben de franchisenemers tijdens het pleidooi in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de procedure voor zover het hun dwalingsvordering onder
  4. betreft, niet van rechtswege is geschorst op grond van artikel29 Fw. Zoals hiervoor eveneens is gebleken, deelt het hof deze opvatting.Juist ook gelet op dit eigen standpunt had het op de weg van de franchisenemers gelegen om in de memorie van antwoord in te gaan op de grieven I-XII en XV (gedeeltelijk). De franchisenemers hebben dit, om hen moverende redenen, niet gedaan.Het hof ziet hierin geen aanleiding om de franchisenemers in de gelegenheid te stellen om alsnog schriftelijk te antwoorden in verband met de grieven I-XII, zoals tijdens het pleidooi is verzocht. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel verzet zich hiertegen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden weliswaar uitzonderingen worden aanvaard, maar gesteld noch gebleken is dat reden bestaat om een dergelijke uitzondering toe te staan, terwijl voorts heeft te gelden dat de eisen van een goede procesorde zich, in verband met het voorkomen van een onredelijke vertraging van de procedure, verzetten tegen het honoreren van het door de franchisenemers gedane verzoek. 3.7.
  5. Het hof zal hierna rekening houden met hetgeen de franchisenemers in eerste aanleg hebben gesteld ter onderbouwing van hun op dwaling (en bedrog) gebaseerde vordering onder
  6. Deze stellingen komen neer op het volgende.De franchisegever is in het algemeen niet verplicht om omzet- of winstprognoses te verstrekken aan de franchisenemer, maar als dit wel gebeurt, dan dienen deze prognoses te berusten op een gedegen markt- en vestigingsplaatsonderzoek. [appellante 1] is deze laatste verplichting niet nagekomen. Volgens de franchisenemers heeft [appellante 1] aan hen een prognose verstrekt waarvan [appellante 1] wist dat die op niets was gebaseerd.[geïntimeerde 2] c.s. doen in dit verband een beroep op de inhoud van een wervingsbrochure en stellen dat [appellante 1] aan hen uitsluitend de daarin opgenomen ‘Prognose A [Ambitieus]’ (prod. 24 inl. dagv. [geïntimeerde 2] c.s.) heeft overhandigd. Volgens [geïntimeerde 2] c.s. hebben zij op basis van deze prognose erop vertrouwd dat zij in het eerste jaar in de [appellante 1] -organisatie een omzet zouden kunnen behalen van € 165.000,-, in het tweede jaar van € 285.000,- en in het derde jaar van € 425.000,-.[geïntimeerde 2] c.s. voeren verder aan dat hen na het sluiten van de franchiseovereenkomsten is gebleken dat zes binnen de [appellante 1] -organisatie werkzame toptrainers met meer dan drie jaar ervaring in 2007 een omzet bereikten van (gemiddeld) € 197.000,-. Hieruit blijkt volgens [geïntimeerde 2] c.s. dat de prognose ondeugdelijk was en niet door [appellante 1] had mogen worden gebruikt om hen over te halen tot het sluiten van de franchiseovereenkomsten. In elk geval had [appellante 1] volgens [geïntimeerde 2] c.s. niet mogen verzwijgen dat de door haar genoemde omzetten in het verleden zelfs door haar toptrainers bij lange na niet werden gehaald.[geïntimeerde 2] c.s. stellen dat [appellante 1] hier opzettelijk en tegen beter weten in heeft gehandeld, zodat sprake is van bedrog en ook van dwaling. [geïntimeerde 2] c.s. stellen dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de franchiseovereenkomsten niet zouden zijn aangegaan. Volgens [geïntimeerde 2] c.s. hebben zij de door hen met [appellante 1] gesloten franchiseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd bij hun brief van 29 november 2012 (zie r.o. 3.
  7. onder g)). [geïntimeerde 1] heeft zich in zijn inleidende dagvaarding aangesloten bij de stellingen en de rechtsgronden van [geïntimeerde 2] c.s., met dien verstande dat hij stelt dat hij voor het sluiten van de franchiseovereenkomst van [appellante 1] schriftelijke informatie heeft ontvangen (prod. 4 inl. dagv. [geïntimeerde 1] ). Van deze informatie maakte deel uit de genoemde prognose A. Volgens [geïntimeerde 1] heeft hij zijn franchiseovereenkomst met [appellante 1] buitengerechtelijk vernietigd bij zijn brief van 26 februari 2013 (zie r.o. 3.
  8. onder j)).[geïntimeerde 5] heeft zich in zijn inleidende dagvaarding aangesloten bij de stellingen en de rechtsgronden van [geïntimeerde 2] c.s. en van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 5] voert daarnaast aan dat hij op4 oktober 2010 is gestart bij de [appellante 1] -organisatie, dat hij toen zijn jaarplan voor 2011 heeft opgesteld en dat hij er daarbij, vertrouwend op zijdens [appellante 1] verstrekte informatie, van uit is gegaan dat hij in zijn eerste jaar bij [appellante 1] tien orders zou aanwerven. Volgens [geïntimeerde 5] is hem tijdens een bijeenkomst met andere franchisenemers op 31 januari 2011 gebleken dat [geïntimeerde 2] over 2010 slechts drie nieuwe klanten had aangeworven, dit terwijl [geïntimeerde 2] een ervaren trainer was. Volgens [geïntimeerde 5] is dit een voorbeeld van het bewust verstrekken van onjuiste informatie door [appellante 1] . Volgens [geïntimeerde 5] heeft hij zijn franchiseovereenkomst met [appellante 1] buitengerechtelijk vernietigd bij zijn brief van 21 maart 2013 (zie r.o. 3.
  9. onder k)).[geïntimeerde 2] c.s. en [geïntimeerde 1] hebben zich in hun respectieve akten houdende wijzing van eis en aanvulling gronden aangesloten bij het door [geïntimeerde 5] gestelde.In hun antwoordakte d.d. 10 oktober 2014 hebben de franchisenemers verder gesteld dat uit door [appellante 1] in het geding gebrachte cijfers blijkt dat de vijftien franchisenemers in de [appellante 1] -organisatie in 2008 gemiddeld een omzet van € 93.300,- hebben gehad. Volgens de franchisenemers blijkt ook hieruit dat de door [appellante 1] voorgespiegelde omzetten nooit een realistische basis hebben gehad.Tijdens de comparitie na antwoord hebben de franchisenemers herhaald dat zij allen voorafgaand aan de totstandkoming van de franchiseovereenkomst - uitsluitend - de eerder genoemde prognose A hebben gekregen van [appellante 1] en dat zij op dat moment niet over andere gegevens over de te behalen omzetten beschikten. 3.7.
  10. De rechtbank heeft het beroep op dwaling door de vijf franchisenemers gehonoreerd. De rechtbank heeft daarbij groot belang gehecht aan de in het proces-verbaal van de comparitie na antwoord vastgelegde uitlating tijdens die comparitie van [appellant 2] namens [appellante 1] , dat hij tijdens de gesprekken met de toen nog beoogde franchisenemers ‘mondeling de ambitieuze prognose (heeft) voorgehouden aan de franchisenemers’. De rechtbank heeft daaruit afgeleid dat [appellante 1] de franchisenemers heeft binnengehaald met de genoemde prognose A.Volgens de rechtbank wist [appellante 1] dat deze prognose niet reëel was, omdat zij niet spoorde met de in werkelijkheid door andere franchisenemers gehaalde omzetten. De rechtbank overweegt daartoe dat [appellante 1] geen rechtvaardiging heeft gegeven voor de genoemde discrepantie, terwijl zij niet gemotiveerd heeft betwist dat het haar bekend was dat de aan de franchisenemers voorgehouden prognose in praktijk door andere franchisenemers bij lange na niet werd gehaald. Ook indien [appellante 1] van oordeel was dat haar prognose voor een nieuwe, ambitieuze franchisenemer haalbaar zou moeten zijn, had zij volgens de rechtbank niet voor de franchisenemers mogen verzwijgen dat andere franchisenemers dergelijke omzetten niet plachten te halen.De rechtbank heeft verder geoordeeld dat vast staat dat de franchisenemers bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden met [appellante 1] zouden hebben gecontracteerd en heeft de franchiseovereenkomsten vernietigd. 3.7.
  11. Met de tegen deze beslissingen gerichte grieven I-XII voeren [appellante 1] / [appellant 2] c.s. aan, samengevat en voor zover van belang:
(1)dat [appellante 1] de franchisenemers voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten niet (uitsluitend) een exemplaar van de genoemde prognose A heeft verstrekt;
(2)dat [appellant 2] tijdens de comparitie na antwoord niet de uitlating over deze prognose heeft gedaan waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd;
(3)dat, ook al zou dit alles anders zijn, het beroep op dwaling niet kan slagen, omdat de genoemde prognose A uitsluitend - op betrouwbare ervaringsgegevens gebaseerde - toekomstverwachtingen inhield, welke (zuivere) toekomstverwachtingen, gelet op het bepaalde in artikel 6:228 lid 2 BW, niet kunnen dienen ter onderbouwing van het beroep op dwaling door de franchisenemers;
(4)dat, als al sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken in verband met de te behalen omzetten bij de franchisenemers, ook geen sprake is van het vereiste causaal verband tussen deze onjuiste voorstelling en het sluiten van de franchiseovereenkomsten; en
(5)dat eventuele vorderingen van de franchisenemers op grond van dwaling zijn verjaard ( [geïntimeerde 2] c.s. en [geïntimeerde 1] ) dan wel vervallen ( [geïntimeerde 5] ). 3.7.6. Het verjarings- c.q. verval-verweer onder
(5)wordt voor het eerst in hoger beroep gevoerd. Het hof is van oordeel dat het verweer slaagt en overweegt daartoe als volgt. De mogelijkheid om in rechte dan wel buitengerechtelijk een beroep te doen op dwaling verjaart, gelet op het bepaalde in artikel 3:52 BW, drie jaren nadat de dwaling (feitelijk) is ontdekt. [appellante 1] heeft, op basis van door haar in het geding gebrachte stukken (zie prod. 13 en 94) en verder onweersproken, gesteld dat [geïntimeerde 2] c.s. en [geïntimeerde 1] begin 2009 hun jaarplan over 2009 hebben opgesteld en dat zij op 9 juli 2009 hun jaarplan over 2010 hebben opgesteld. Vast staat dat de franchisenemers in deze jaarplannen geen aansluiting hebben gezocht bij prognose A. Dit volgt reeds uit het verwijt inzake de tegenvallende omzetten dat de franchisenemers [appellante 1] maken en blijkt ook uit de door [appellante 1] in het geding gebrachte stukken (zie prod. 13 en 94). Het hof gaat er daarom van uit dat de genoemde franchisenemers aldus uiterlijk op 9 juli 2009 hebben ontdekt dat zij over het eerste én het tweede jaar van hun werk binnen de [appellante 1] -organisatie niet de omzetten conformprognose A zouden behalen. Daarvan uitgaande hebben deze franchisenemers zich uiterlijk op deze dag gerealiseerd dat zij bij het sluiten van de franchiseovereenkomsten zijn uitgegaan van de onjuiste voorstelling van zaken dat zij wél omzetten zouden kunnen realiseren conform prognose A. De franchisenemers hebben niets gesteld dat afdoet aan deze oordelen.Vervolgens heeft het meer dan drie jaren geduurd voordat [geïntimeerde 2] c.s. en [geïntimeerde 1] zich hebben beroepen op dwaling. Het buitengerechtelijke beroep op dwaling is door [geïntimeerde 2] c.s. gedaan bij brief van 29 november 2012 en door [geïntimeerde 1] bij brief van 26 februari
  1. De vordering in rechte tot vernietiging van de franchiseovereenkomsten wegens dwaling (en bedrog) hebben de franchisenemers ingesteld bij dagvaardingen van 4 februari 2013 ( [geïntimeerde 2] c.s.) en 5 maart 2013 ( [geïntimeerde 1] ).In verband met [geïntimeerde 5] heeft [appellante 1] een beroep gedaan op het bepaalde in de artikelen 2en 4 van diens franchiseovereenkomst (zie r.o. 3.
  2. onder e)). In artikel 2 wordt bepaald dat [geïntimeerde 5] aan in de precontractuele fase door [appellante 1] gedane algemene uitlatingen over, onder meer, omzetverwachtingen en winstverwachtingen geen rechten of aanspraken kan ontlenen. Uit het bepaalde in artikel 4 volgt, onder meer, dat de franchisenemer [appellante 1] binnen bekwame tijd op de hoogte moet stellen van zijn standpunt dat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de franchiseovereenkomst niet voldoet hetgeen hij dienaangaande redelijkerwijs mag verwachten en dat van een kennisgeving binnen bekwame tijd in ieder geval geen sprake is meer dan vier weken nadat de franchisenemer voor de eerste maal een kwartaalvergadering heeft bijgewoond.[appellante 1] heeft, onweersproken, gesteld dat artikel 4 een vervalbeding inhoudt, dat verhindert dat [geïntimeerde 5] zich met succes op dwaling kan beroepen. Het hof volgt [appellante 1] in dit standpunt en overweegt daartoe dat [geïntimeerde 5] zelf heeft gesteld, samengevat, dat hij op 31 januari 2011 heeft ontdekt dat zijn verwachting ten tijde van het opstellen van zijn jaarplan voor 2011 (namelijk dat hij tien orders zou aanwerven) niet realistisch was (zie r.o. 3.6.4.). Het hof wijst er in dit verband op dat [geïntimeerde 5] pas bij brief van 21 maart 2013 en vervolgens in de dagvaarding van 16 april 2013 uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op dwaling.Overigens zou, in het geval geen sprake zou zijn van verjaring en verval, het beroep van de franchisenemers op dwaling op inhoudelijke gronden niet opgaan, zoals hierna zal worden overwogen. 3.7.
  3. De verjaring c.q. het verval van de mogelijkheid voor de franchisenemers om in of buiten rechte een beroep te doen op dwaling heeft tot consequentie dat de toewijzing van de vordering onder
  4. van de franchisenemers door de rechtbank niet in stand kan blijven. Het hof komt daar hierna op terug.Uit het bepaalde in artikel 3:51 lid 3 BW volgt dat een beroep op dwaling te allen tijde kan worden gedaan ter afwering in rechte van een op de rechtshandeling steunende vordering. Zoals hierna nader zal blijken, is deze situatie aan de orde in verband met de vorderingen van [appellant 2] c.s., nu de franchisenemers zich daartegen verweren met, onder meer, een beroep op dwaling. Om deze reden zal het hof hierna ingaan op de vraag of wordt voldaan aan de inhoudelijke eisen die in artikel 6:228 BW worden gesteld aan een geslaagd beroep op dwaling. Het hof zal daarbij de hiervoor genoemde verweren
(1)-
(4)van [appellante 1] tot uitgangspunt nemen.3.7.8. In verband met het verweer onder
(1)is het hof van oordeel dat de franchisenemers hun stellingen inzake de door [appellante 1] verstrekte prognose A en de daardoor veroorzaakte onjuiste voorstelling van zaken - tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [appellante 1] - onvoldoende hebben onderbouwd.Het hof overweegt in dit verband dat de franchisenemers hebben volstaan met algemene stellingen, zonder dat zij voor iedere franchisenemer afzonderlijk hebben aangegeven wanneer en op welke wijze prognose A is overhandigd. Evenmin hebben zij aangegeven of in verband met die overhandigingen iets is besproken en zo ja, wat toen is besproken. De franchisenemers zijn in verband hiermee ook niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de stelling van [appellante 1] dat alle vijf de franchisenemers via bekenden dan wel head hunters in contact zijn gekomen met [appellante 1] en dat het om die reden niet nodig was om de wervingsbrochure (met daarin prognose A), althans uitsluitend prognose A aan hen te verstrekken. Evenmin zijn de franchisenemers deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de stelling van [appellante 1] dat in de wervingsbrochure in totaal drie prognoses waren opgenomen (waaronder ook de prognose B [Neutraal] en prognose C [Terughoudend]) en dat, zelfs als [appellante 1] alleen prognose A zou hebben verstrekt, dan nog de vraag had moeten rijzen of dit de enige prognose was. Ook zijn de franchisenemers niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het verweer dat op prognose A (evenals op de andere twee prognoses) uitdrukkelijk wordt vermeld ‘Deze prognose is slechts indicatief en hieruit kunnen geen rechten worden ontleend’.Het door [geïntimeerde 5] gestelde (in verband met zijn jaarplan 2011 en de te verwerven opdrachten) heeft, ten slotte, geen betrekking op de fase voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst en kan een beroep op dwaling daarmee niet onderbouwen. 3.7.9. Het verweer onder
(2)heeft betrekking op de (vermeende) uitlating van [appellant 2] tijdens de comparitie na antwoord. De stellingen van [appellante 1] komen erop neer dat een uitlating van [appellant 2] tijdens de comparitie na antwoord niet goed is begrepen, althans niet goed is neergelegd in het proces-verbaal.Het hof overweegt in dit verband dat [appellante 1] onmiddellijk na de ontvangst van het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte en niet door hen ondertekende) proces-verbaal bezwaar heeft gemaakt tegen, onder meer, de hier aan de orde zijnde passage. [appellante 1] heeft erkend dat [appellant 2] heeft verklaard dat hij met de franchisenemers heeft gesproken over een ambitieuze prognose. Volgens [appellante 1] had die uitlating echter geen betrekking op prognose A, maar op de mogelijkheid voor een ambitieuze franchisenemer om een omzet van€ 150.000,- à € 175.000,- te realiseren.In een schriftelijke reactie zijdens de franchisenemers heeft hun raadsman zich op het standpunt gesteld dat de uitlating van [appellant 2] betrekking had op prognose (A). De rechtbank is in haar vonnis niet ingegaan op dit verschil van mening over het verklaarde tijdens de comparitie en heeft haar oordeel zonder meer gebaseerd op de inhoud van het proces-verbaal. 3.7.10. Het hof laat deze kwestie verder rusten. Ook in het meest gunstige geval - waaronder het hof verstaat: dat zou komen vast te staan dat [appellante 1] , alvorens de franchiseovereenkomsten te sluiten, aan de franchisenemers (uitsluitend) prognose A heeft meegedeeld, onder omstandigheden waaronder de franchisenemers zonder meer op de inhoud van die mededeling mochten vertrouwen, kan het beroep op dwaling door de franchisenemers niet slagen. Dat is het geval in verband met de verweren zoals hiervoor genoemd onder
(3)en
(4). Het hof stelt in verband hiermee voorop dat de franchisenemers niet hebben gesteld dat [appellante 1] op basis van de prognose toezeggingen heeft gedaan inzake de te behalen winst, of zelfs garanties dienaangaande heeft gegeven. Volgens de franchisenemers was (uitsluitend) sprake van een prognose.In verband met deze prognose stellen de franchisenemers zich terecht op het standpunt dat de franchisegever die in de precontractuele fase omzet- en/of winstprognoses verstrekt aan potentiële franchisenemers, verplicht is om ervoor te zorgen dat deze prognoses deugdelijk zijn. Volgens de franchisenemers was prognose A ondeugdelijk, waartoe de franchisenemers zich beroepen op de discrepantie tussen deze prognose en de aan [appellante 1] bekende daadwerkelijk gerealiseerde omzetten van andere franchisenemers. Volgens de franchisenemers had [appellante 1] de prognose daarom niet mogen gebruiken om de franchisenemers te bewegen tot het sluiten van de franchiseovereenkomsten, had zij de franchisenemers althans óók moeten informeren over de tot dan toe daadwerkelijk gerealiseerde omzetten.[appellante 1] heeft hier tegenover gesteld dat de prognoses in de wervingsbrochure (waaronder prognose A) deugdelijk waren, omdat zij waren gebaseerd op de tot in 2008 binnen de [appellante 1] -organisatie opgedane ervaringen, onder meer over de hoeveelheid acquisitie die nodig is om één opdracht te verwerven, over de gemiddelde omvang van een dergelijke opdracht en over de positieve ontwikkeling van de markt voor trainingsactiviteiten als die van de [appellante 1] -organisatie (cva in conv. tevens cve in reconv. nr. 73 e.v.).Volgens [appellante 1] kan uit de enkele omstandigheid dat een prognose niet wordt gehaald, niet worden afgeleid dat zij ondeugdelijk is. Dat een prognose niet wordt gehaald kan, en zal veelal, te maken hebben met factoren aan de zijde van de franchisenemer die niet in de prognose zijn verdisconteerd, waaronder met name diens bereidheid om de (acquisitie- en trainings-)activiteiten te ontplooien waarop de prognose is gebaseerd. Aan deze bereidheid heeft het volgens [appellante 1] bij de franchisenemers ontbroken, waardoor zij niet in staat zijn geweest om, hadden zij dat gewild, de ambitieuze prognose te realiseren (cva in conv. tevens cve in reconv. nr. 80 e.v.).De franchisenemers hebben in deze stellingen van [appellante 1] geen aanleiding gezien om hun eigen stellingen inzake de onjuistheid van prognose A uit te breiden en nader te motiveren. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [appellante 1] , hebben de franchisenemers daardoor hun stellingen inzake die ondeugdelijkheid van de prognose onvoldoende onderbouwd. Uitgaande, derhalve, van de deugdelijkheid van prognose A houdt zij uitsluitend een verwachting voor de toekomst in, die onvoldoende is voor een geslaagd beroep op dwaling (zie het eerder aangehaald artikel 6:228 lid 2 BW).Gelet op het voorgaande hebben de franchisenemers evenmin deugdelijk onderbouwd waarom [appellante 1] gehouden was om de franchisenemers voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomsten in te lichten over de (van prognose A afwijkende) omzetten van de franchisenemers die al langer werkzaam waren binnen de [appellante 1] -organisatie. Ook hun stelling dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet zouden hebben gecontracteerd met [appellante 1] (zie het verweer onder
(4)) hebben de franchisenemers ondeugdelijk onderbouwd, nu zij in hun stellingen dienaangaande uitsluitend aandacht hebben besteed aan de (niet aan de orde zijnde) situatie waarin aan hen een ondeugdelijke prognose is verstrekt. Het hof verwijst daarnaast naar r.o. 3.7.6., waarin werd overwogen dat vast staat dat de franchisenemers in de door hen opgestelde jaarplannen geen aansluiting hebben gezocht bij prognose A. Ook gelet hierop ontbeert de stelling dat sprake is geweest van causaal verband tussen prognose A en het sluiten van de franchisovereenkomsten een deugdelijke onderbouwing. 3.7.11. Al het voorgaande tezamen genomen leidt het hof tot het oordeel dat de grievenI-XII en XV slagen, in die zin dat daarmee op goede gronden wordt aangevoerd dat de rechtbank het beroep op dwaling door de franchisenemers ten onrechte heeft gehonoreerd en de franchiseovereenkomsten op die grond heeft vernietigd.Het hof zal het vonnis waarvan beroep in zoverre vernietigen en de vordering onder 3., voor zover op dwaling gebaseerd, alsnog afwijzen.Gelet op het voorgaande staat tevens vast dat de op dwaling gebaseerde buitengerechtelijke vernietigingsverklaringen van de franchisenemers niet het beoogde effect hebben gehad en dat tegen de hierna te behandelen vorderingen van [appellant 2] c.s. niet met succes het verweer kan worden gevoerd dat de franchiseovereenkomsten zijn gesloten onder invloed van dwaling en dat zij deswege zijn (of moeten worden) vernietigd.Het voorgaande geldt ook voor het beroep op bedrog, dat niet wordt aangedaan in verband met [geïntimeerde 5] en dat voor het overige eveneens onvoldoende is onderbouwd. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen in het voorgaande werd overwogen in verband met het beroep op verjaring/verval en in verband met de verweren onder
(1)en
(3)-
(4), dat ook relevant is in verband met het beroep op bedrog.Dat het beroep op dwaling en op bedrog wordt verworpen, betekent dat geen grond bestaat om te oordelen dat [appellante 1] , in verband met de wijze waarop zij de franchiseovereenkomsten met de franchisenemers heeft gesloten, jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betekent dat ook de tegen dit oordeel van de rechtbank berichte grieven XIV en XV (gedeeltelijk) slagen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep in zoverre vernietigen en de vordering onder
  1. alsnog afwijzen. Het optreden van [appellante 1] / [appellant 2] c.s. als lasthebber van [holding] 3.8.
  2. De rechtbank heeft [appellante 1] niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij haar vorderingen heeft ingesteld als lasthebber van [holding] . Deze beslissing wordt door [appellant 2] c.s. bestreden met de grieven XVI en XVII. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 3.8.
  3. De rechtbank heeft aan haar beslissing ten grondslag gelegd dat [appellante 1] haar vorderingen in reconventie, voor zover die zien op de door haar gestelde auteursrechtinbreuk door de franchisenemers, heeft ingesteld als lasthebber van [holding] , bij wie het auteursrecht berust met betrekking tot de documentatie waarmee binnen de [appellante 1] -organisatie wordt gewerkt. De rechtbank heeft overwogen dat [holding] (bij een tijdens de procedure in eerste aanleg opgemaakte verklaring) de last heeft verstrekt aan [appellante 1] om ‘haar auteursrechten te handhaven in de gerechtelijke procedures’ tegen onder anderen de franchisenemers. Dit heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat [appellante 1] voor wat betreft haar op het auteursrecht gegronde vorderingen slechts geldt als formele procespartij, niet (mede) als materiële procespartij. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat artikel 136 Rv bepaalt dat een gedaagde bevoegd is om een eis in reconventie in te stellen, ‘tenzij de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd’. Volgens de rechtbank geldt ook voor de gedaagde dat deze in reconventie niet in een hoedanigheid kan optreden die hij in conventie niet heeft of omgekeerd. De rechtbank heeft vervolgens overwogen:
(1)dat [appellante 1] in conventie de formele en materiële procespartij is en dat [holding] geen van beide is,
(2)dat [appellante 1] in reconventie, indien zij als lasthebber van [holding] ontvankelijk zou worden geacht, voor wat betreft de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen in een hoedanigheid zou optreden die zij in conventie niet heeft en dat [holding] , die geen partij is in de conventie, in reconventie dan de materiële partij zou zijn. Volgens de rechtbank staat de regel van art. 136 Rv hieraan in de weg (zie de r.o. 4.19. en 4.20. in het vonnis waarvan beroep). 3.8.3. [appellant 2] c.s. voeren hiertegen aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante 1] voor wat betreft haar op het auteursrecht gebaseerde vorderingen niet ook heeft te gelden als materiële procespartij.Ter onderbouwing van hun bezwaar tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank wijzen [appellant 2] c.s. erop dat de auteursrechten binnen de [appellante 1] -organisatie berusten bij [holding] en dat [appellante 1] , ingevolge de door [holding] verstrekte last (prod. 38 van [appellante 1] ), optreedt in eigen naam (dus als middellijk vertegenwoordiger), maar voor rekening en risico van [holding] .Het hof overweegt dat [appellant 2] c.s. daarmee de juistheid bevestigen van het oordeel van de rechtbank dat [appellante 1] uitsluitend heeft te gelden als formele procespartij, die optreedt ten behoeve van [holding] als materiële procespartij. Al hetgeen [appellant 2] c.s. heeft gesteld over de situatie waarin aan [appellante 1] ook de volmacht zou zijn verleend om op te treden in naam van [holding] kan buiten beschouwing blijven, reeds omdat een dergelijke volmacht - ook volgens [appellant 2] c.s. - niet is verstrekt. 3.8.4. Het hof overweegt, ten overvloede, dat een andere opvatting over de betekenis van artikel 136 Rv [appellant 2] c.s. niet kan baten. Als [appellante 1] in eerste aanleg ontvankelijk zou zijn geweest in haar vorderingen voor zover zij die heeft ingesteld als lasthebber van [holding] , dan betekent dit niet dat ook [appellant 2] c.s. nu gerechtigd zijn om deze vorderingen in te stellen. [appellante 1] zou haar positie dan hebben ontleend aan een door [holding] verstrekte last. De curator heeft weliswaar de vorderingsrechten van [appellante 1] op de franchisenemers overgedragen aan [appellant 2] c.s., maar die overdracht heeft geen betrekking gehad (en kan als zodanig ook geen betrekking hebben gehad) op de door [holding] aan [appellante 1] verstrekte last. Dat [holding] inmiddels een relevante last tot procederen heeft verstrekt aan [appellant 2] c.s. is gesteld noch gebleken. 3.8.5. [appellant 2] c.s. hebben in hoger beroep nog gesteld dat zij hun vorderingen in verband met de auteursrechtelijk beschermde trainingsmaterialen van [appellante 1] tevens (kunnen) baseren op de licentie die [holding] als houder van de auteursrechten heeft verstrekt aan [appellante 1] .De franchisenemers hebben ten verwere gesteld dat de licentie aan [appellante 1] alleen een gebruiksrecht heeft verschaft, dat niet kan dienen als basis om handhavend op te treden jegens derden. [appellant 2] c.s. hebben vervolgens, anders dan op hun weg had gelegen, geen inzicht verschaft in de inhoud van de licentie en hebben daardoor hun beroep op deze licentie onvoldoende onderbouwd.Het hof overweegt verder, ten overvloede, dat [appellant 2] c.s. niet hebben gesteld en onderbouwd waarom zij zich thans op een door [holding] aan [appellante 1] verschafte licentie kunnen beroepen. De overwegingen inzake de overdracht door de curator in de vorige rechtsoverweging zijn hier van overeenkomstige toepassing. 3.8.6. Het voorgaande betekent dat de grieven XVI en XVII falen. Het door [appellant 2] c.s. gedane bewijsaanbod (dat betrekking heeft op het ontbreken van een volmacht om te procederen) wordt als zijnde niet relevant gepasseerd.3.8.7. Consequentie van het voorgaande is dat in dit hoger beroep de vorderingen ter zake waarvan [appellante 1] door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard verder buiten beschouwing blijven.Dit betreft, behalve de incidentele vorderingen die zien op de handhaving van het auteursrecht van [holding] , de vorderingen in de hoofdzaak onder 1.ii., 1.iii. (gedeeltelijk), 1.iv. (gedeeltelijk), 2., 4. (gedeeltelijk), 5. (gedeeltelijk), 6. (gedeeltelijk), 7. (gedeeltelijk) en 9. (gedeeltelijk).Consequentie is ook dat [appellant 2] c.s. zich jegens [geïntimeerde 5] niet kunnen beroepen op het non-concurrentiebeding in zijn overeenkomst (artikel 16 lid 4), nu dat beding uitsluitend is overeengekomen ter ‘bescherming van de intellectuele eigendomsrechten’ van [appellante 1] [lees: [holding] , hof]. De Mededingingswet en de (gestelde) verticale prijsbinding in de [appellante 1] -organisatie 3.9.1. Volgens de franchisenemers zijn de door hen met [appellante 1] gesloten franchiseovereenkomsten nietig wegens strijd met artikel 6 Mw.Het hof stelt voorop dat artikel 6 Mw in lid 1 een verbod bevat op (onder meer) overeenkomsten tussen ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Dergelijke overeenkomsten zijn van rechtswege nietig op grond van artikel 6 lid 2 Mw. Artikel 7 lid 2 Mw bevat een uitzondering op het verbod in artikel 6 lid 1 Mw voor (onder meer) overeenkomsten als bedoeld in die bepaling, voor zover daarbij ondernemingen betrokken zijn die daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn op een of meer van de relevante markten, als: (
  1. a)het gezamenlijke marktaandeel van de bij de desbetreffende overeenkomst betrokken ondernemingen op geen van de relevante markten waarop de overeenkomst van invloed is, groter is dan 10%, en (
  2. b)de desbetreffende overeenkomst de handel tussen lidstaten niet op merkbare wijze ongunstig kan beïnvloeden.Tot 3 december 2011 bedroeg het percentage in artikel 7 lid 2 sub (
  3. a)5% en luidde de bepaling sub (b), voor zover van belang, dat de gezamenlijke omzet in het voorafgaande kalenderjaar van de bij de overeenkomst betrokken ondernemingen voor de onder de overeenkomst vallende diensten niet hoger mocht zijn dan € 40.000.000,-. 3.9.2. Ter toelichting op hun (bevrijdende) verweer stellen de franchisenemers dat zij verplicht waren om in de relatie met hun opdrachtgevers vaste, door [appellante 1] bepaalde prijzen te hanteren. Daarom was volgens hen sprake van verticale prijsbinding, die in strijd komt met het verbod van artikel 6 lid 1 Mw. De franchisenemers stellen dat deze gebondenheid voortvloeide uit het huishoudelijk reglement (ook wel ‘Trainers Handboek’) en dat zij aan de inhoud daarvan evenzeer gebonden waren als aan de inhoud van de franchiseovereenkomsten. Meer in het bijzonder beroepen de franchisenemers zich op de passages die inhouden dat alle tarieven bindend zijn en dat afwijkingen van de vastgestelde prijslijst niet zijn toegestaan (zie r.o. 3.1. onder f.)).[appellant 2] c.s. voeren ten verwere aan dat de franchiseovereenkomsten de franchisenemers niet verplichtten om vaste prijzen te hanteren. Zij betwisten echter niet dat de franchisenemers tevens werden gebonden door het huishoudelijk reglement en evenmin dat uit de genoemde passages in dat reglement de verplichting voor de franchisenemers voortvloeit om de centraal vastgestelde prijzen te hanteren. Het verweer van [appellant 2] c.s. komt er verder op neer dat het in de praktijk gebruikelijk was dat franchisenemers afwijkende (lagere) prijzen hanteerden. 3.9.3. Het hof overweegt dat uit het door [appellant 2] c.s. gestelde ten hoogste volgt dat sprake is geweest van incidentele afwijkingen (in de vorm van kortingen), die niet wezenlijk hebben afgedaan aan de uit het huishoudelijk reglement voortvloeiende verplichting voor de franchisenemers om vaste prijzen te hanteren, zodat het hof deze verplichting als vaststaand aanneemt.Het hof neemt vervolgens tot uitgangspunt dat de contractuele verplichting om vaste prijzen te hanteren in een franchiseorganisatie als de [appellante 1] -organisatie de strekking heeft om de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen, beperken of vervalsen (zie, onder meer, HvJ EG 28 januari 1986, zaak 161/84, Pronuptia de Paris).Het hof neemt verder tot uitgangspunt dat, nu sprake is van een strekkingsbeperking, geen afzonderlijk onderzoek behoeft te worden gedaan naar de (al dan niet) merkbaarheid van de mededingingsbeperking (zie HvJ EU 13 december 2012, C-226/11, NJ 2013/253, Expedia; HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354, Geborgde dierenarts).Hiervan uitgaande komt de verticale prijsbinding binnen de [appellante 1] -organisatie - in elk geval in uitgangspunt - in strijd met het bepaalde in artikel 6 lid 1 Mw. 3.9.4. [appellant 2] c.s. hebben, als bevrijdend verweer, een beroep gedaan op de eerder genoemde uitzonderingsbepaling in art. 7 lid 2 Mw.Het hof is van oordeel dat dit verweer faalt. Dat is reeds het geval omdat deze bepaling alleen geldt in horizontale relaties tussen ‘ondernemingen (…) die daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn op een of meer van de relevante markten’. Daarvan is hier geen sprake, omdat [appellante 1] en de afzonderlijke franchisenemers steeds in verticale relaties tot elkaar hebben gestaan.[appellant 2] c.s. hebben verder onvoldoende onderbouwd dat het gezamenlijke marktaandeel van de [appellante 1] -organisatie op de relevante markten steeds 5% (of, vanaf 3 december 2011, 10%) of lager is geweest. De stelling van [appellant 2] c.s. dat in de totale trainingsbranche in 2008 ongeveer 3.2 miljard euro omging en dat de omzet van [appellante 1] nooit meer dan € 2 miljoen euro heeft bedragen, is daartoe ontoereikend, reeds omdat een deugdelijk onderbouwde stelling dat de relevante markt aldus moet worden afgebakend ontbreekt. De [appellante 1] -organisatie heeft zich bovendien steeds met nadruk gericht op de markt voor opleidingen en trainingen in de line of business Handel, Industrie en Transport (zie r.o. 3.1. onder c), artikel 6, en d), artikel 9). Inzake de omvang van het marktaandeel van de [appellante 1] -organisatie op deze mogelijk relevante markt hebben [appellant 2] c.s. niets concreets gesteld, zodat zij hun verweer ook in zoverre onvoldoende hebben onderbouwd. 3.9.5. Gelet op het falen van het beroep op art. 7 lid 2 Mw, neemt het hof als vaststaand aan dat de verticale prijsbinding binnen de [appellante 1] -organisatie in strijd komt met artikel 6 lid 1 Mw, zodat sprake is van nietigheid van rechtswege op grond van artikel 6 lid 2 Mw. 3.9.6. Anders dan de franchisenemers lijken te veronderstellen, betekent dit niet dat de franchiseovereenkomsten als geheel van rechtswege nietig zijn.Alle bepalingen waarin de verticale prijsbinding is vervat, met name in het huishoudelijk reglement, zijn vanaf het moment van het sluiten van de franchiseovereenkomsten nietig geweest. Overtuigende argumenten om te oordelen dat de geconstateerde strijdigheid met artikel 6 lid 1 Mw van de relevante bepalingen in het huishoudelijk reglement van [appellante 1] moet leiden tot de nietigheid van de vijf franchiseovereenkomsten als geheel, bijvoorbeeld omdat een onverbrekelijk verband heeft bestaan tussen de nietige bepalingen in het huishoudelijk reglement en bepalingen in de franchiseovereenkomst (zie artikel 3:41 BW), zijn gesteld noch gebleken. Het hof overweegt in dit verband dat, zoals hierna nader zal blijken (zie r.o. 3.12.6.), de verticale prijsbinding een ondergeschikte rol speelt in het kader van de (door de franchisenemers gestelde) tekortkomingen van [appellante 1] . 3.9.7. Consequentie van het voorgaande is dat tegen de hierna te behandelen vorderingen van [appellant 2] c.s. niet met succes het verweer kan worden gevoerd dat de franchiseovereenkomsten als geheel nietig zijn op grond van artikel 6 Mw. 3.9.8. Voor het geval hun beroep op de nietigheid van de franchiseovereenkomsten als geheel zou falen, hebben de franchisenemers zich beroepen op de nietigheid op grond van artikel 6 Mw van de in die overeenkomsten opgenomen relatiebedingen en (voor zover het [geïntimeerde 5] betreft) het in zijn overeenkomst opgenomen non-concurrentiebeding.Het concurrentiebeding inzake [geïntimeerde 5] blijft reeds buiten beschouwing gelet op het overwogene in r.o. 3.8.7.Hierna zal blijken dat het antwoord op de vraag of de relatiebedingen (en het concurrentiebeding) al dan niet nietig zijn in verband met het bepaalde in artikel 6 Mw, niet van belang is voor de beslissing op de vorderingen van [appellant 2] c.s. jegens de franchisenemers (zie de r.o. 3.15.5.-3.15.6., 3.16.3., 3.17.5., 3.18.5. en 3.19.3.-3.19.4.). Om deze reden zal het hof deze kwestie verder buiten beschouwing laten. Plan van behandeling
(2)3.10.
  1. Nog niet behandeld zijn de grieven XVIII-XXIV. Zij hebben hoofdzakelijk betrekking op de afwijzing van de vorderingen van [appellante 1] en daarnaast op de toewijzing van de vordering van de franchisenemers tot opheffing van het door [appellante 1] gelegde bewijsbeslag.Grief XXII bevat, anders dan door [appellant 2] c.s. wordt gesteld, geen vermeerdering van eis. Dat is het geval, omdat de nadere stellingen van [appellant 2] c.s. niet leiden tot een wijziging van het petitum, waarin (onder 7.) onverminderd een verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. De stellingen van [appellant 2] c.s. ter toelichting op grief XXII komen daarmee neer op een nadere onderbouwing van de financiële vorderingen die [appellant 2] c.s. pretenderen te hebben op de franchisenemers. Als zodanig zal het hof hierna rekening houden met deze stellingen.Verder verdient opmerking dat [appellant 2] c.s. tijdens het pleidooi hun vorderingen hebben verduidelijkt, in die zin dat zij hebben aangegeven dat steeds in plaats van ‘ [appellante 1] ’ ‘ [appellant 2] c.s.’ moet worden gelezen.Het hof begrijpt dat deze indeplaatsstelling niet geldt voor het gevorderde:- onder 1.i., in die zin dat daarin sprake blijft van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van met [appellante 1] gesloten franchiseovereenkomsten;- onder 1.iii., in die zin dat daarin sprake blijft van het toe-eigenen van know how van [appellante 1] en het onrechtmatige concurrentie aandoen van [appellante 1] , door het duurzame bedrijfsdebiet van [appellante 1] af te breken, gebruik makend van door [appellante 1] ter beschikking gestelde hulpmiddelen;- onder 1.iv., in die zin dat de vordering mede betrekking heeft op door [appellante 1] geleden schade;- onder 8., in die zin dat de gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft op de opzegging door [appellante 1] van de franchiseovereenkomst met [geïntimeerde 2] . De vordering zoals opgenomen aan het slot van de memorie van grieven bevat dezelfde deelvorderingen als in eerste aanleg het geval was, maar in een iets gewijzigde volgorde. Ter wille van de overzichtelijkheid gaat het hof hierna uit van de volgorde en de nummering zoals weergegeven in r.o. 3.2.
  2. 3.10.
  3. Naar aanleiding van de genoemde grieven XVIII-XXIV dienen hierna aan de orde te komen de vorderingen van [appellant 2] c.s. die zijn gebaseerd op de stellingen:
(1)dat de franchisenemers gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomsten zijn tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomsten, en
(2)dat de franchisenemers op hen rustende post-contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen en/of dat zij in de post-contractuele fase onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellante 1] . 3.10.3. Gelet op de door de franchisenemers aangevoerde verweren tegen het door[appellant 2] c.s. gevorderde dienen verder aan de orde te komen de verweren:
(3)dat [appellante 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomsten, ten gevolge waarvan de franchisenemers de franchiseovereenkomsten tussentijds hebben opgezegd dan wel buitengerechtelijke hebben ontbonden;
(4)dat [appellante 1] vanwege een onvoorziene wijziging van omstandigheden, die hoofdzakelijk in en/of na 2010 is ingetreden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten kan verwachten. 3.10.4. Het hof zal hierna allereerst een korte beschrijving geven van de verwijten die [appellant 2] c.s. en de franchisenemers elkaar over en weer maken (zie r.o. 3.11.). Vervolgens zal het hof nader ingaan op de door de franchisenemers gestelde tekortkomingen van [appellante 1] en op de onder
(3)en
(4)genoemde verweren die de franchisenemers daaraan ontlenen (zie r.o. 3.12.).Daarna komen de kwesties onder
(1)en
(2)aan de orde. Daarbij zal blijken dat de aandacht allereerst moet uitgaan naar de door [appellant 2] c.s. ingestelde incidentele vorderingen en dat het vervolgens noodzakelijk is om - waar het betreft de vorderingen in de hoofdzaak - de positie van de franchisenemers afzonderlijk te bezien (zie de r.o. 3.
  1. e.v.). De verwijten zoals over en weer gemaakt 3.11.
  2. In verband met de gang van zaken tijdens het bestaan van de franchiseovereenkomsten en in de periode daarna stellen [appellant 2] c.s., samengevat, als volgt.[appellante 1] exploiteerde een succesvolle franchiseformule op het gebied van training en opleiding. Kenmerkend was de unieke [methode] , die zijn basis vond in de jarenlange ervaring van [appellant 2] . De franchisenemers werden intern opgeleid om trainingen en opleidingen volgens deze methode te geven. Het succesvol voltooien van deze interne opleidingen leidde tot het behalen van permissies en certificaten. Ook overigens werden de franchisenemers uitgebreid bijgestaan door [appellante 1] . Via een speciaal daarvoor bedoeld Extranet werden op de [appellante 1] -methode afgestemde documenten met (onder meer) methodieken, handleidingen, werkbladen, power point-presentaties en hand outs ter beschikking gesteld van de franchisenemers. Behalve voor deze materialen zorgde [appellante 1] ook voor een gemeenschappelijk marketingplan, met inbegrip van een acquisitie-strategie, en voor het [softwarepakket] -computersysteem, ten behoeve van de planning en de administratie van de uit te voeren en uitgevoerde trainingen en opleidingen.Volgens [appellant 2] c.s. heeft [appellante 1] de franchisenemers opgeleid tot voortreffelijke trainers en heeft zij hen, met die opleiding en met de [appellante 1] -materialen, in staat gesteld om succesvol hun werk te doen en om aldus een eigen klantenkring op te bouwen.Hier tegenover stond volgens [appellant 2] c.s. dat de franchisenemers verplicht waren om alleen volgens de [appellante 1] -methode en binnen de [appellante 1] -organisatie te werken en om de periodiek verschuldigde fees te betalen aan [appellante 1] . In de eerste jaren behaalden de franchisenemers relatief geringe omzetten en waren ook de fees beperkt. De verwachting was dat dit in de loop van de jaren zou verbeteren, zodat [appellante 1] rendement zou hebben van haar inspanningen.Volgens [appellant 2] c.s. hebben de franchisenemers zich echter nimmer volledig aan de gemaakte afspraken gehouden. Gedurende de looptijd van de overeenkomsten hebben zij niet al hun activiteiten in het [softwarepakket] -systeem geregistreerd en daardoor omzet gegenereerd die zij buiten het zicht van [appellante 1] hebben gehouden, om over die omzet geen fee verschuldigd te zijn. Vanaf eind 2012/begin 2013 hebben de franchisenemers zich zelfs volledig onttrokken aan hun contractuele verplichtingen jegens [appellante 1] , door zich als zelfstandige trainers (binnen het samenwerkingsverband van de [groep] -groep) te vestigen. [appellant 2] c.s. stellen dat de franchisenemers bij hun werk als zelfstandige trainers gebruik maken van de door [appellante 1] verschafte know how en dat de franchisenemers, in strijd met de relatiebedingen in hun overeenkomsten, ook trainingen en opleidingen verzorgen voor (voormalige) relaties van [appellante 1] . 3.11.
  3. De franchisenemers hebben een andere kijk op de zaak. Hun stellingen in verband met de gebeurtenissen tijdens het bestaan van de franchiseovereenkomsten en in de periode daarna luiden, samengevat, als volgt.De franchisenemers dachten, mede gelet op de door [appellante 1] gewekte verwachtingen, toe te treden tot een omvangrijke, goed functionerende en succesvolle franchiseorganisatie. In de loop van de tijd ervoeren zij echter dat de interne opleidingen niet aan de verwachtingen beantwoordden, dat de opleidingen niet leidden tot de in het vooruitzicht gestelde certificering, dat vanuit [appellante 1] niet of nauwelijks aan marketing werd gedaan, dat [appellante 1] ook verder weinig tot niets investeerde in de franchiseformule en dat de door henzelf gegenereerde omzetten tegenvielen. Dit laatste was volgens de franchisenemers mede het gevolg van de te hoge prijzen die zij volgens [appellante 1] moesten hanteren.Vanaf 2010 verliet het overgrote deel van de ervaren trainers (met ruzie) de [appellante 1] -organisatie. Verder werd de franchisenemers op den duur duidelijk dat [appellante 1] het [softwarepakket] -systeem misbruikte om potentiële klanten af te schermen voor de franchisenemers. Aldus werd een zoon van [appellant 2] - die een functie had binnen [appellante 1] , maar die ook werkzaam was als trainer - voorgetrokken.De door de franchisenemers verschuldigde fees stonden niet in verhouding tot de voordelen van de franchiseformule. De sfeer binnen de [appellante 1] -organisatie werd steeds slechter, ook omdat [appellant 2] dreigde met het opleggen van boetes. Op den duur was de situatie zó dat de franchisenemers met hun gezinnen in hoge financiële noden kwamen en dat hen het water tot aan de lippen stond (mva nr. 13.). De franchisenemers voelden zich daardoor genoodzaakt om zich te onttrekken aan de franchiseovereenkomsten en om zich als zelfstandige trainers te vestigen.In dat kader hebben zij aanvankelijk gebruik gemaakt van het bij [appellante 1] geleerde (maar die werkwijze stemt in grote mate overeen met, en is door [appellante 1] zelfs voor een belangrijk deel ontleend aan, de werkwijze van andere, soortgelijke, franchiseorganisaties). Al snel heeft iedere franchisenemer een eigen methodiek ontwikkeld en zijn de franchisenemers trainingen en opleidingen gaan verzorgen op basis van die eigen methodieken. De franchisenemers erkennen dat zij [appellante 1] concurrentie aandoen, maar voelen zich daartoe gerechtigd gelet op de tekortkomingen van [appellante 1] . De franchisenemers ontkennen dat zij werken voor (voormalige) klanten van [appellante 1] . De (gestelde) tekortkomingen van [appellante 1] nader bezien 3.12.
  4. Het hof is van oordeel dat de franchisenemers hun stellingen inzake de tekortkomingen van [appellante 1] , tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [appellant 2] c.s., onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof overweegt daartoe als volgt. 3.12.
  5. De franchisenemers hebben in de eerste plaats onvoldoende onderbouwd dat de verwijten die zij [appellante 1] maken steeds ook neerkomen op een tekortschieten in de nakoming van de franchiseovereenkomsten.Zo verwijten de franchisenemers [appellante 1] dat zij hen wel heeft geïnformeerd over de resultaten van de afzonderlijke trainers, maar niet over de financiële gang van zaken binnen [appellante 1] , zoals over de besteding van de fees en de voorgenomen investeringen. In het verlengde hiervan verwijten de franchisenemers [appellante 1] dat zij de ontvangen fees niet heeft geïnvesteerd in de franchiseorganisatie en dat [appellante 1] vanaf 2009 niet een deelnemersvolgsysteem, een deelnemersportal, een klantenportal, hybride trainingen,E-learning en E-coaching tot stand heeft gebracht, het [softwarepakket] -systeem heeft geactualiseerd en de website van [appellante 1] heeft verbeterd.De franchisenemers stellen zich naar het oordeel van het hof terecht op standpunt dat zij van [appellante 1] mochten verwachten dat deze de franchiseformule zou onderhouden, maar hebben niet onderbouwd op grond waarvan zij [appellante 1] de hiervoor genoemde concrete verwijten kunnen maken. De franchisenemers stellen zich verder terecht op het standpunt dat van [appellante 1] mede zorg diende te dragen voor collectieve reclame en andere marketingactiviteiten. Zij hebben echter niet onderbouwd op grond waarvan zij er, bijvoorbeeld, op mochten vertrouwen dat [appellante 1] actief klanten zou werven en zou ‘doorspelen’ naar de individuele franchisenemers.[appellant 2] c.s. hebben gesteld dat advertenties in dagbladen en vergelijkbare ‘centrale’ marketingactiviteiten niet of nauwelijks nieuwe klanten opleverden en dat dit wel het geval was met gerichte activiteiten van de individuele trainers/franchisenemers. Deze stelling is door de franchisenemers niet weersproken.Uit het verwijt dat [appellante 1] een zoon van [appellant 2] ( [zoon van appellant 2] ) ten onrechte heeft ‘voorgetrokken’, lijkt te volgen dat de franchisenemers menen dat [appellante 1] als franchisegever gehouden was om de franchisenemers steeds volledig gelijk te behandelen. Het hof kan deze (kennelijke) opvatting niet onderschrijven. De franchisenemers hadden allen individueel met [appellante 1] gecontracteerd en hadden recht op de nakoming van de verplichtingen die [appellante 1] jegens hen individueel was aangegaan. De franchisenemers hebben niet deugdelijk onderbouwd waarom de afwijkende behandeling van [zoon van appellant 2] ten opzichte van de andere franchisenemers neerkomt op een tekortkoming van [appellante 1] in de nakoming van de met hen gesloten franchiseovereenkomsten. Het hof overweegt in dit verband dat [appellant 2] c.s., onweersproken, hebben gesteld dat [zoon van appellant 2] een speciale positie had, omdat hij ook taken verrichte binnen [appellante 1] en dat dit betekende dat hij (potentiële) klanten tijdelijk op zijn naam registreerde, zonder dat dit betekende dat hij ook trainingen gaf aan deze klanten. Afgezien hiervan overweegt het hof dat uit de stellingen van de franchisenemers, mede gelet op de weerspreking ervan door [appellant 2] c.s., hoofdzakelijk volgt dat sprake is geweest van enkele incidenten, die door de desbetreffende franchisenemers in onderling overleg met [zoon van appellant 2] zijn opgelost. 3.12.
  6. Het hof overweegt verder dat uit het door de franchisenemers gestelde niet volgt dat zij [appellante 1] vanaf 2009 op de hoogte hebben gesteld van hun ontevredenheid op de hiervoor genoemde punten en dat zij verbeteringen hebben geëist en dienaangaande termijnen hebben gesteld. Voor zover al sprake zou zijn geweest van tekortkomingen van [appellante 1] , rijst daardoor de vraag of (en zo ja, wanneer) [appellante 1] ter zake in verzuim is geraakt. Op basis van de stellingen van de franchisenemers kan deze vraag niet worden beantwoord.[appellant 2] c.s. hebben gesteld dat binnen de [appellante 1] -organisatie met grote regelmaat meetings plaatsvonden, waar de gang van zaken werd besproken en waar de franchisenemers vragen hadden kunnen stellen en hun klachten naar voren hadden kunnen brengen. Volgens [appellant 2] c.s. is dat niet gebeurd. [appellant 2] c.s. hebben in dit verband uitdrukkelijk een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 6:89 BW.De franchisenemers hebben erkend dat de door [appellant 2] c.s. bedoelde bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, maar hebben gesteld dat er geen ruimte was om hun klachten daar aan de orde te stellen. Dit laatste standpunt kan het hof niet overtuigen. Gelet op de aard en de ernst van de (gestelde) klachten had het op de weg van de franchisenemers gelegen om [appellante 1] daarvan binnen bekwame tijd op de hoogte te stellen. Als dat niet tijdens de meetings kon, dan had dat ook schriftelijk of via de e-mail gekund. Gesteld noch gebleken is dat dit laatste is gebeurd. Op het aan artikel 6:89 BW ontleende verweer hebben de franchisenemers niet verder gereageerd. 3.12.
  7. Ook voor de klachten over het tempo, de omvang en de kwaliteit van de interne opleidingen en de (uitblijvende) certificering geldt dat is gesteld noch gebleken dat [appellante 1] daarvan vóór november 2012 uitdrukkelijk op de hoogte is gesteld. Ook in dit verband rijzen daarom de hiervoor genoemde vragen in verband met verzuim en verval (art. 6:89 BW). [appellant 2] c.s. hebben verder ten verwere gesteld dat de franchisenemers tot in 2012 steeds hebben aangegeven dat zij tevreden waren over het functioneren van de [appellante 1] -organisatie en dat, onder meer, ten aanzien van de kwaliteit van de interne opleidingen en de certificering geen specifieke klachten zijn geuit. [appellant 2] c.s. hebben deze stellingen onderbouwd met schriftelijke stukken, waaronder de door de franchisenemers opgestelde jaarplannen en activiteitenplannen over de jaren 2009 tot en met 2012, beoordelingsformulieren, evaluaties en notulen van meetings (prod. 94a-e van [appellante 1] / [appellant 2] c.s.). De franchisenemers hebben niet op deze stellingen en de in verband daarmee in het geding gebrachte schriftelijke stukken gereageerd. [appellant 2] c.s. hebben verder, onweersproken, gesteld dat eventuele gebreken aan de interne opleidingen niet in de weg hebben gestaan aan de acquisitie.3.12.
  8. In verband met de - volgens de franchisenemers - tegenvallende omzetten overweegt het hof dat de franchisenemers niet hebben gesteld dat zij zich hebben voorgenomen en zich hebben ingespannen om prognose A (die zij bij hun verwijten aan het adres van [appellante 1] kennelijk tot uitgangspunt nemen) te realiseren en dat zij daarin niet zijn geslaagd, ondanks het ontplooien van voldoende activiteiten. [appellant 2] c.s. hebben, onweersproken, gesteld dat de franchisenemers steeds hun eigen (minder ambitieuze) doelen hebben gesteld en dat zij tot in 2012 niet hebben aangegeven dat zij ontevreden waren met de door hen gerealiseerde omzetten. [appellant 2] c.s. hebben verder, eveneens onweersproken, gesteld dat de vijf franchisenemers ook geen reden hadden om ontevreden te zijn, omdat zij in het laatste volledige jaar van hun werkzaamheid voor de [appellante 1] -organisatie (2011 voor [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] en 2012 voor [geïntimeerde 5] ) omzetten hebben gerealiseerd variërend van € 133.885,89 tot € 162.951,37.In het licht van deze laatste (onweersproken) stelling hebben de franchisenemers naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd gesteld dat en waarom in de loop van 2012 sprake is geweest van een (financiële) noodsituatie, die hen noodzaakte om de [appellante 1] -organisatie te verlaten en als zelfstandig gevestigde trainers verder te gaan (zie r.o. 3.11.4., al. 4). 3.12.
  9. In het voorgaande is gebleken dat [appellante 1] de franchisenemers ten onrechte heeft verplicht om vaste prijzen te hanteren (zie r.o. 3.9.5.).De franchisenemers hebben gesteld dat de prijzen te hoog waren en dat deze prijzen hebben geleid tot het missen van opdrachten. De franchisenemers hebben deze stelling echter niet onderbouwd, wat op hun weg had gelegen naar aanleiding van het verweer van [appellant 2] c.s. dat [appellante 1] opereerde aan de bovenkant van de markt en voor dat marktsegment normale prijzen hanteerde (en dat [appellante 1] bepaalde prijzen zelfs heeft verhoogd op aangeven van franchisenemers, omdat die van men

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.