GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.194.095/01 arrest van 2 januari 2018 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] , 3. [appellant sub 3],wonende te [woonplaats] , 4. [appellant sub 4] , wonende te [woonplaats] , 5. [appellant sub 5] , wonende te [woonplaats] , 6. [appellant sub 6] , wonende te [woonplaats] , 7. [appellant sub 7] , wonende te [woonplaats] , 8. [appellant sub 8] , wonende te [woonplaats] , 9. [appellant sub 9] , wonende te [woonplaats] , Luxemburg, 10. [appellant sub 10] , wonende te [woonplaats] , 11. [appellant sub 11] , wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] c.s., advocaat: mr. L.E. van Hevele te Oostburg, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.H.U. Keizer te Roosendaal, op het bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 14 oktober 2015, 13 januari 2016 en 6 april 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] c.s. als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4049914 / 15-1967) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de incidentele memorie houdende verzoek tot bevel deskundigenbericht; de memorie van antwoord inzake het verzoek tot bevel deskundigenbericht; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de kantonrechter vastgestelde, en door partijen niet bestreden feiten. 3.1.1. [appellant] c.s. zijn samen met [betrokkene] de deelgenoten van een perceel landbouwgrond aan de [adres] te [plaats 1] , groot 4.99.05 hectare (verder: het perceel). Het perceel behoort tot een nalatenschap uit 1983 en is tot heden onverdeeld gebleven. [appellant sub 6] (verder: [appellant sub 6] ) woonde tot 2010 in de woning op het perceel, tot hun overlijden samen met zijn ouders. Na zijn verhuizing naar een verzorgingstehuis in [plaats 2] ondertekende [appellant sub 6] op 11 november 2010 een verklaring. 3.1.2. In november 2012 heeft [geïntimeerde] mede op basis van die verklaring de toenmalige deelgenoten van het perceel gedagvaard voor de pachtkamer van de rechtbank te Middelburg met vordering tot vastlegging van een pachtovereenkomst voor het perceel. Deze vordering is bij vonnis van 26 juli 2013 afgewezen. [geïntimeerde] is in hoger beroep gegaan. De pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van 26 juli 2013 bekrachtigd bij arrest van 20 januari 2015, nadat bij het tussenarrest van 9 december 2014 reeds was beslist dat de primaire vordering van [geïntimeerde] tot vastlegging van een pachtovereenkomst met de toenmalige deelgenoten van het perceel niet toewijsbaar was. 3.1.3. Naar aanleiding van het vonnis van 26 juli 2013 heeft mr. [jurist 1] met een aangetekende brief van 5 augustus 2013 aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij het perceel in ieder geval sinds 2010 zonder recht of titel gebruikt, [geïntimeerde] gesommeerd het perceel uiterlijk op 30 september 2013 te ontruimen en hem medegedeeld dat zijn cliënt [appellant sub 1] overweegt een schadevergoeding te vorderen voor het onrechtmatig gebruik van het perceel over de jaren 2010 tot en met 2013. 3.1.4. [appellant sub 1] heeft naar aanleiding van het tussenarrest van 9 december 2014 en onder verwijzing naar de brief van mr. [jurist 1] van 5 augustus 2013 aan [geïntimeerde] bij brief van 21 januari 2015 meegedeeld dat hij voornemens is een schadevergoeding van € 4000,- per jaar te eisen wegens onrechtmatig gebruik van het perceel. Vervolgens heeft [appellant sub 1] ten name van [appellant] c.s. aan [geïntimeerde] een rekening d.d. 12 februari 2015 gezonden ad € 20.000,- over de jaren 2010 tot en met 2014. [geïntimeerde] heeft het perceel in die jaren gebruikt. 3.2. [appellant] c.s. hebben in eerste aanleg, na eisvermeerdering, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 23.921,39 met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Aan deze vorderingen hebben zij (samengevat) ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op hun eigendomsrecht. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3. Bij tussenvonnis van 14 oktober 2015 heeft de kantonrechter de gemachtigde van [appellant] c.s. bevolen procesvolmachten over te leggen van de eisers. Bij tussenvonnis van 13 januari 2016 heeft de kantonrechter [appellant] c.s. opgedragen een taxatierapport in het geding te brengen. Bij eindvonnis van 6 april 2016 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen tot een bedrag van € 2.679,69, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] c.s. in de proceskosten. 3.4. [appellant] c.s. zijn tijdig van het eindvonnis en van de eerdere tussenvonnissen in hoger beroep gekomen. Zij hebben onder aanvoering van negen grieven geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen. Verder hebben zij geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen om € 21.082,10 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 april 2015 over € 19.862,50, althans tot een door het hof te bepalen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.5. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis van 13 januari 2016 en tegen het eindvonnis van 6 april 2016. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van 6 april 2016 in stand zal houden en in aanvulling daarop zal oordelen dat hij reeds € 625,- heeft voldaan van het bedrag waartoe hij is veroordeeld (€ 2.679,69). Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] heeft bedoeld dat het hof het eindvonnis vernietigt en dat het hof hooguit € 2.054,69 (€ 2.679,69 -/- € 625,-) zal toewijzen aan [appellant] c.s. 3.6. De kantonrechter heeft in 3.2 van het tussenvonnis van 13 januari 2016 overwogen dat [geïntimeerde] het perceel sinds 1990 heeft gebruikt. Beide partijen hebben een grief gericht tegen deze overweging (grief II in principaal hoger beroep en grief I in incidenteel hoger beroep). Beide partijen zijn het erover eens dat [geïntimeerde] vanaf een later moment het perceel heeft gebruikt. Volgens [geïntimeerde] was dat vanaf 1996. Deze grieven slagen. Op het oordeel over de vordering heeft dat evenwel geen invloed, zoals beide partijen onderkennen. 3.7. De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 13 januari 2016 het volgende overwogen: ‘4.3. Het blijft een feit dat [geïntimeerde] het perceel van 2010 t/m 2014 zonder recht of titel heeft gebruikt. Dat is in beginsel onrechtmatig. De vraag is echter of deze onrechtmatigheid aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend. (…) 4.4. (…) [geïntimeerde] heeft niet goed gezien dat [appellant sub 6] niet bevoegd is geweest om rechtshandelingen betreffende het perceel te verrichten. Daarvoor treft [geïntimeerde] echter geen relevant verwijt, aangezien de deelgenoten van het perceel nooit tegen het gebruik van het perceel vanaf 1990 [hof: 1996] door [geïntimeerde] geprotesteerd hebben, terwijl zij op de hoogte waren van dat gebruik door [geïntimeerde] . Verworpen wordt dat [geïntimeerde] schuld heeft aan zijn gebruik van het perceel zonder recht of titel, zoals door [appellant] c.s. is gesteld. 4.5. Dat wordt echter anders na de sommatie van mr. [jurist 1] bij brief d.d. 5 augustus 2013. (…) Met verwijzing naar het vonnis d.d. 26 juli 2014 [hof: bedoeld zal zijn 2013] is [geïntimeerde] gesommeerd het perceel en de schuur uiterlijk op 30 september 2013 te ontruimen. Voordien was er van de zijde van [appellant] c.s. niet, althans niet formeel geprotesteerd tegen het gebruik van het perceel. Door het gebruik van het perceel voort te zetten na dit vonnis en deze sommatie heeft [geïntimeerde] welbewust het risico genomen dat zijn voortgezet gebruik van het perceel rechtens zonder recht of titel zou blijken te zijn. De onrechtmatigheid daarvan wordt hem daarom vanaf 30 september 2013 wel toegerekend.’ 3.8. Volgens de grieven III en IV in principaal hoger beroep had de kantonrechter een eerder ingangsmoment moeten nemen voor de toerekening van de onrechtmatigheid aan [geïntimeerde] . Volgens [appellant] c.s. heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat zij al die tijd op de hoogte waren van het feit dat [geïntimeerde] het perceel in opdracht van [appellant sub 6] (hierna: [appellant sub 6] ) bewerkte. Aangezien [geïntimeerde] aanvankelijk als loonwerker in opdracht en voor rekening van [appellant sub 6] het perceel bewerkte, konden zij aan het feit dat [geïntimeerde] het perceel bewerkte, niet zien dat hij dat op enig moment deed voor zichzelf. Daarbij komt dat [appellant sub 6] in december 2009 werd opgenomen in een ziekenhuis en dat hij van daaruit verhuisde naar een verzorgingstehuis. Hij is niet meer naar zijn oude woning teruggekeerd. Volgens [appellant] c.s. heeft [geïntimeerde] vanaf dat moment bewust het risico genomen dat hij schadeplichtig zou worden. In ieder geval had [geïntimeerde] zich dat moeten realiseren toen [appellant] c.s. de woning in september 2010 gingen ontruimen. [geïntimeerde] heeft toen de woning op eigen initiatief geblokkeerd, de toegangsweg tot het perceel afgesloten en de politie gewaarschuwd. Nadat [appellant] c.s. de politie uitleg hadden verschaft, droop de politie af en had [geïntimeerde] moeten weten dat [appellant sub 6] niet de enige eigenaar was van het perceel, aldus [appellant] c.s. 3.9. Het hof kan [appellant] c.s. niet volgen in hun redenering dat de hiervoor gestelde omstandigheden ertoe leiden dat [geïntimeerde] de onrechtmatigheid al vanaf aanvang 2010 kan worden toegerekend. Immers, toen [appellant sub 6] in december 2009 zijn woning verliet en in het ziekenhuis werd opgenomen, kan het [appellant] c.s. niet zijn ontgaan dat [geïntimeerde] niettemin het perceel bleef gebruiken. Voor zover zij eerder het idee hadden dat [geïntimeerde] dit deed omdat hij als loonwerker was ingeschakeld door [appellant sub 6] , had het hen toen duidelijk moeten worden dat [geïntimeerde] dit niet meer deed als loonwerker, althans zij hadden daartoe een sterk vermoeden moeten krijgen. Zij hebben immers zelf gesteld dat zij, nadat [appellant sub 6] in het verzorgingstehuis was opgenomen - in januari 2010 - op de hoogte kwamen van de administratie van [appellant sub 6] , waaruit bleek dat er jaren waren geweest dat [appellant sub 6] het perceel om niet in gebruik had gegeven aan [geïntimeerde] . Wat de precieze datum was dat zij daarvan op de hoogte kwamen, hebben zij niet aangevoerd, maar toen zij daarvan op de hoogte kwamen, moesten zij er rekening mee houden dat [geïntimeerde] het perceel voor zichzelf gebruikte en niet als loonwerker in opdracht van [appellant sub 6] . Los daarvan, is van belang dat [appellant sub 6] vanaf december 2009 kennelijk niet meer in staat was zijn belangen zelf te behartigen. Het is niet logisch dat [geïntimeerde] het perceel als loonwerker bleef bewerken, zonder dat hij daartoe een opdracht had gekregen van [appellant sub 6] of zonder dat hij de zekerheid had dat hij daarvoor betaald zou worden (tenzij hij het perceel voor zichzelf bewerkte). Desondanks hebben [appellant] c.s. daarin geen aanleiding gezien om [geïntimeerde] te vragen waarom hij hun perceel bewerkte noch aanleiding gezien [geïntimeerde] te sommeren daarmee te stoppen. Voorts is van belang dat, toen de woning werd ontruimd en [geïntimeerde] de toegang tot het perceel afgesloten hield, [appellant] c.s. niet hebben geprotesteerd tegen het gebruik van het perceel door [geïntimeerde] . Zij hebben daar toen geen einde aan gemaakt of [geïntimeerde] toen gesommeerd het perceel te verlaten. Daaraan doet niet af dat iedereen in de omgeving van [plaats 1] , en zeker [geïntimeerde] , wist dat de nalatenschap van [appellant] c.s. onverdeeld was gebleven en dat [appellant sub 6] als enige op het boerderijtje was blijven wonen. Immers, doordat [appellant] c.s. op de hiervoor genoemde momenten [geïntimeerde] niet hebben gevraagd of gesommeerd een einde te maken aan het bewerken van hun perceel, hebben zij bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat [appellant] c.s. zich konden vinden in de door hem met [appellant sub 6] gemaakte afspraak over het gebruik van het perceel. Anders gezegd, op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden die voor risico van [appellant] c.s. komen, dient de schijn van volmachtverlening te worden toegerekend aan [appellant] c.s., omdat [geïntimeerde] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een volmachtverlening van [appellant] c.s. aan [appellant sub 6] (die er niet was). De grieven III en IV in principaal hoger beroep falen dus voor zover hiermee wordt aangevoerd dat [geïntimeerde] vanaf 2010 schade dient te vergoeden aan [appellant] c.s. 3.10. Die grieven slagen wel, voor zover daarmee wordt aangevoerd dat [geïntimeerde] in ieder geval vanaf 20 september 2011 schadeplichtig is geworden. Op die datum heeft mr. [jurist 2] namens [appellant] c.s. een brief gestuurd aan [geïntimeerde] waarin hem duidelijk werd gemaakt dat hij het perceel diende te ontruimen en dat hij het niet meer mocht gebruiken of betreden. In die brief wordt ook aan [geïntimeerde] medegedeeld dat [appellant] c.s. niet bekend zijn met het bestaan van een pachtovereenkomst en dat zij voor een pachtovereenkomst nooit toestemming hebben verleend. [geïntimeerde] heeft daar tegenin gebracht dat hij ervan overtuigd was (en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.