Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-002395-17 Uitspraak : 10 juli 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-860325-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde ter zake van ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is toegewezen tot een bedrag van € 1.078,22, bestaande uit € 78,22 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is met betrekking tot het niet toegewezen gedeelte van de gevorderde immateriële schade en een gedeelte van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige is de vordering afgewezen. Ten slotte is verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd (met uitzondering van het onder 2 ten laste gelegde eerste en tweede deelstreepje) en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 4.128,22, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt in eerste aanleg en in hoger beroep. Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging het hof verzocht de totale gevorderde reiskosten toe te wijzen tot een bedrag van € 78,22 en de gevorderde telefoonkosten af te wijzen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair dat het hof het toe te wijzen bedrag zal matigen. Ten aanzien van de proceskosten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft: - de op pagina 3, derde, vierde en vijfde alinea [Dat de gang … worden vrijgesproken]. Deze overweging wordt vervangen door de navolgende overweging: Ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen onder het eerste en tweede deelstreepje van het onder 2 ten laste gelegde is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier, naast de verklaring van het slachtoffer, geen bewijsmiddelen bevat die niet afkomstig zijn van dezelfde bron. Gelet hierop ontbreekt voldoende ondersteunend bewijs voor het gestelde misbruik en kan het hof niet boven redelijke twijfel vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de door het slachtoffer aangegeven handelingen, die door verdachte worden ontkend. Een nadere objectieve ondersteuning van de verklaring van het slachtoffer ontbreekt. Met betrekking tot de ten laste gelegde handelingen onder het derde deelstreepje heeft de verdachte verklaard dat het wel eens voorgekomen kan zijn dat hij naakt in bed lag terwijl het slachtoffer tegen hem aan lag, maar dat er geen sprake was van een ontuchtig karakter. Anders dan de advocaat-generaal is het hof is van oordeel dat er op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanwijzingen voorhanden zijn waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een seksueel karakter op de momenten dat verdachte naakt tegen het slachtoffer aan heeft gelegen. Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. de op pagina 4 opgenomen datum van het informatieve gesprek met [slachtoffer] en deze datum wordt vervangen door: 26 oktober 2015; de op pagina 8, tweede alinea [Waarom acht de … heeft ontkend]; de opgelegde straf en de strafmotivering; de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . Ten slotte overweegt het hof ten overvloede dat het verweer van de verdediging – dat er ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet voldaan is aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – geen hout snijdt. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] steun vinden in de verklaringen van haar moeder, [naam moeder] . Hoewel de verklaringen van [naam moeder] van dezelfde bron afkomstig zijn (de verklaringen van het slachtoffer), kunnen deze verklaringen wel degelijk steunbewijs opleveren, nu uit deze verklaringen blijkt dat het slachtoffer de volgende dag geëmotioneerd het incident aan haar moeder heeft verteld, en waaruit dus haar gemoedstoestand is gebleken. Daarnaast geven de verklaringen van verdachte ook in belangrijke mate steun aan de verklaringen van het slachtoffer, zoals blijkt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarig stiefkind. Hij heeft puur uit eigen seksuele behoeftebevrediging op grove wijze misbruik gemaakt van zijn positie als stiefvader door het slachtoffer ontuchtige handelingen te laten ondergaan. Op deze wijze heeft de verdachte, in plaats van zijn stiefkind bescherming en geborgenheid te bieden, haar vertrouwen geschonden en een grote inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Uit de slachtofferverklaring komt naar voren dat het bewezen verklaarde een grote invloed op het leven van het slachtoffer en haar familie heeft gehad. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2018, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 20 juni 2017, waarin is geadviseerd om, in geval van een veroordeling, een onvoorwaardelijke straf op te leggen, waarbij er contra-indicaties aanwezig zijn voor het uitvoeren van een werkstraf aangezien het een zedendelict betreft. Het hof is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.296,18, bestaande uit € 296,18 aan materiële schade (reiskosten van € 146,18 en telefoonkosten van € 150,00) en € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de benadeelde partij een vergoeding gevorderd voor de gemaakte proceskosten, te weten reiskosten van € 15,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.