Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-000117-16 Uitspraak : 24 juli 2018 VERSTEK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 december 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-700279-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd (feit 1 meer subsidiair) en poging tot zware mishandeling meermalen gepleegd (feit 2 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Verder zijn de vorderingen van de benadeelde partijen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , afgewezen. Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , en in zoverre opnieuw rechtdoende de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 350,00 en voor het overige zal afwijzen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Zijn vordering is in hoger beroep daarom niet meer aan de orde. Vonnis waarvan beroep Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, nu het tot een andere bewezenverklaring komt van feit 1, wat betreft de beslissingen ter zake de bewezenverklaring, de strafbaarheid van feit en verdachte en de kwalificatie steeds met betrekking tot feit 1, wat betreft de sanctiebeslissing en wat betreft de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] . Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige. Bewezenverklaring feit 1 meer subsidiair Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 1 meer subsidiair heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 november 2014 in de gemeente Eijsden-Margraten [benadeelde 1] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee) en [benadeelde 2] (wachtmeester er Koninklijke Marechaussee) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend, rijdend in een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, met hoge snelheid met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto frontaal op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bevonden, toegereden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen en – overwegingen feit 1 meer subsidiair Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en maakt deze tot de zijne. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot het bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde onder feit 1 meer subsidiair Het bewezen verklaarde levert op: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluit. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte voor het bewezen verklaarde onder feit 1 meer subsidiair Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen sanctie Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat aan verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1 meer subsidiair en 2 subsidiair een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof neemt dit oordeel en de gronden waarop het berust van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Immers: tussen het instellen van het hoger beroep en het inkomen van de stukken bij het hof zijn meer dan 8 maanden verstreken en tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van dit arrest zijn meer dan twee jaren verstreken. Gelet echter op de totale duur van de procedure in eerste en tweede aanleg, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met deze constatering. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade is toegebracht. Het hof merkt hierbij op dat de bijzondere ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij maken dat een schadevergoeding voor immateriële schade toewijsbaar is, ook al is geestelijk letsel niet aangetoond. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder even genoemde ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op € 350,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.