GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.237.945/01 arrest van 28 augustus 2018 in de zaak van [de vennootschap 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. A-J. van der Duijn Schouten te Dordrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] , in rechte niet verschenen, op het bij dagvaardingsexploot van 19 april 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 januari 2018, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 6450733 CV EXPL 17-8261) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het dagvaardingsexploot, het tegen [geïntimeerde] verleende verstek, de memorie van grieven van [appellante] met twee grieven en producties. 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof de zaak voor dagbepaling arrest gezet. 2.3 Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken en die van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 Als gesteld en niet of onvoldoende betwist, gaat het hof uit van de navolgende feiten. 3.1.1 [appellante] verbond zich tegenover haar opdrachtgever tot het plaatsen van een reclame-advertentie op een voertuig. [geïntimeerde] ondertekende de daartoe opgemaakte schriftelijke overeenkomst van 2 mei 2016 (hierna: contract). 3.1.2 Het contract vermeldt: “De order wordt verstrekt met toepassing van de leveringsvoorwaarden die op de achterzijde zijn vermeld”. 3.1.3 De toepasselijke voorwaarden vermelden in artikel 17: “Het kosteloos annuleren, ontbinden of opzeggen van de overeenkomst door de opdrachtgever is uitgesloten”. 3.1.4 Bij de twee facturen d.dis 6 december 2016 en 7 maart 2017 bracht [appellante] aan [geïntimeerde] tweemaal € 906,29 in rekening. [geïntimeerde] liet die facturen onbetaald. 3.1.5 Bij e-mail van 25 november 2016 zond [appellante] de proefdruk van de reclameboodschap ter goedkeuring aan [geïntimeerde] . In reactie daarop schreef [geïntimeerde] bij e-mail van diezelfde datum aan [appellante] : “Hierbij laat ik weten dat er momenteel geen budget is voor reclame doeleinden. Ik verzoek u dan ook dringend deze opdracht te annuleren”. 3.2 Bij het bestreden vonnis is, samengevat, de in geding zijnde vordering afgewezen, met veroordeling van [appellante] tot betaling van € 50,-- aan proceskosten. In hoger beroep vordert [appellante] in hoofdlijn dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] (alsnog) zal veroordelen tot betaling van - € 1.812,58 aan hoofdsom, - € 271,89 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten en - de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en met rente over de nakosten. 3.3 Met grief 1 verwijt [appellante] de kantonrechter terecht dat hij door te oordelen dat [geïntimeerde] de overeenkomst op 2 mei 2016 niet zelf maar namens de toen nog niet opgerichte [de vennootschap 2] is aangegaan, in strijd met artikel 24 Rv de grenzen van de rechtsstrijd overschrijdt. Blijkens de schriftelijke weergave voerde [geïntimeerde] in eerste aanleg immers slechts het mondelinge verweer: “Ik heb me op het moment van tekenen niet gerealiseerd dat het een contract voor de duur van vijf jaar was. Op enig moment wilde ik het contract ontbinden, omdat ik het niet meer kon betalen. Momenteel heb ik alleen een AOW-uitkering en zit ik financieel beneden het bestaansminimum. Ik wil wel betalen maar ik kan niet betalen”. Bij dat verweer betwistte [geïntimeerde] niet dat hij als contractuele wederpartij van [appellante] bij de overeenkomst geldt. Ook valt daaruit geenszins als zijn standpunt op te maken dat [geïntimeerde] de overeenkomst toen niet voor zichzelf maar namens een entiteit zou hebben gesloten, bijvoorbeeld namens zijn al in december 2015 opgeheven en uit het handelsregister uitgeschreven eenmanszaak [eenmanszaak] of de pas per 21 september 2016 opgerichte en in het handelsregister ingeschreven besloten vennootschap [de vennootschap 2] met [geïntimeerde] als enig aandeelhouder en bestuurder. 3.4 Nu grief 1 slaagt zal het hof de voorliggende vordering van [appellante] hierna, mede gezien de toegelichte grief 2 en het door de devolutieve werking van het hoger beroep voorliggende verweer dat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gevoerd, beoordelen. 3.5.1 [appellante] legt aan haar vordering tot betaling van € 1.812,58 aan hoofdsom ten grondslag dat [geïntimeerde] ondanks sommaties tekort blijft schieten in de nakoming van zijn contractuele verplichting tot betaling van de twee facturen d.dis 6 december 2016 en 7 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.