GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.210.577/01 arrest van 4 september 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven. tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2017 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven gewezen vonnissen van 20 april 2016 en 1 februari 2017 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/300921 / HA ZA 15-789) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 22 juni 2016. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 15 februari 2017; de memorie van grieven van [appellant] van 16 mei 2017 met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 25 juli 2017. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 1 februari 2017 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding: Op [datum overlijden moeder] 1971 is de moeder van [appellant] , mevrouw [moeder] (hierna ook te noemen: [moeder] ), overleden. [moeder] was ten tijde van haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de vader van [appellant] , de heer [vader] (hierna ook te noemen: [vader] ). [moeder] heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt en zij heeft als haar enige erfgenamen achtergelaten [vader] , [appellant] en de broer van [appellant] , de heer [broer van appellant] , ieder voor een/derde gedeelte harer nalatenschap. Op [datum overlijden vader] 2003 is [vader] overleden. [vader] was ten tijde van zijn overlijden onder het maken van huwelijkse voorwaarden (productie 1 bij conclusie van antwoord) in zijnerzijds tweede echt gehuwd met de tante van [geïntimeerde] , mevrouw [erflaatster] (hierna ook te noemen: [erflaatster] ). [vader] heeft bij testament van 20 februari 1980 (productie 2 bij conclusie van antwoord) over zijn nalatenschap beschikt en hij heeft hierbij, voor zover thans van belang, [appellant] en diens broer, voor gelijke delen, tot zijn erfgenamen benoemd, onder de last van het door hem aan [erflaatster] toebedeelde recht van vruchtgebruik van zijn nalatenschap. Op 22 december 2004 is tussen [erflaatster] , [appellant] en diens broer een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 2 bij dagvaarding), waarin onder meer is opgenomen: “(…) - Na het overlijden van de (…) moeder van de ondergetekenden sub 2 en 3 (…) hebben erflater en de ondergetekenden sub 2 en 3 geen verdeling van haar nalatenschap gemaakt. Tot die nalatenschap behoorde de helft van een woning in [plaats 1] . (…) De ondergetekenden stellen de waarde van de eigendom die de ondergetekenden sub 2 en 3 elk middels vererving van hun moeder hebben verkregen per [datum overlijden vader] 2003 vast op 239.206,97,= euro, derhalve voor ieder van de ondergetekenden op 119.603,48 euro.(…) A. Ten dage van erflaters overlijden was de nalatenschap samengesteld als volgt. (…) 1. De onverdeelde helft in het woonhuis (…) te [plaats 2] getaxeerd op 310.000,= Euro waarvan de helft 155.000,= euro (…) Totaal aktief Euro 179.225,49 Totaal passief 63.871,15 Zuiver saldo nalatenschap Euro 115.354,34 B. Het erfdeel van de moeder van de ondergetekenden sub 2 en 3 blijft buiten de verdeling en het vruchtgebruik, als niet behorende tot de nalatenschap van erflater. De ondergetekenden sub 2 en 3 zullen tijdens het bestaan van het vruchtgebruik geen vordering doen tot het (…) uitbetalen van dit erfdeel. (…) [erflaatster] zal hierover een rentevergoeding verschuldigd zijn van 4% per jaar. De rentevergoeding zal pas betaald hoeven worden en derhalve pas opeisbaar worden na beëindiging van het vruchtgebruik (…). C. Na beëindiging van het vruchtgebruik zal de vordering (…) door vermenging eindigen. (…)”. Bij notariële akte d.d. 31 mei 2005 (productie 5 bij conclusie van antwoord) is de toebedeling als door [vader] in zijn testament opgenomen door [erflaatster] , [appellant] en diens broer bekrachtigd. Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Breda, locatie Bergen op Zoom, van 13 januari 2009 (productie 3 bij conclusie van antwoord) zijn de goederen van [erflaatster] onder bewind gesteld, met benoeming van [appellant] tot bewindvoerder. Op [datum overlijden tante] 2011 is [erflaatster] overleden. [erflaatster] heeft bij testament van 19 april 2006 (productie 1 bij dagvaarding) over haar nalatenschap beschikt. [erflaatster] heeft hierbij, voor zover thans van belang, [geïntimeerde] , de broer van [geïntimeerde] , de heer [broer van geïntimeerde] , en de neef van [geïntimeerde] , de heer [neef van geïntimeerde] (hierna ook te noemen: [neef van geïntimeerde] ), voor gelijke delen, tot haar erfgenamen benoemd. Bij gemeld testament is [appellant] tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Tussen [appellant] en diens broer enerzijds en [geïntimeerde] , haar broer en [neef van geïntimeerde] anderzijds is onenigheid ontstaan (mede) betrekking hebbende op de - afwikkeling van de - nalatenschap van [erflaatster] . [appellant] en diens broer hebben [geïntimeerde] , haar broer en [neef van geïntimeerde] in kort geding betrokken voor de rechtbank Dordrecht. Ter comparitie d.d. 30 maart 2012 is een vaststellingsovereenkomst (productie 3 bij dagvaarding) gesloten waarin, voor zover thans van belang, is opgenomen: “ (…) 1. Gedaagden geven hierbij (…) toestemming tot overdracht van de onroerende zaak (…) te [plaats 2] (…). 2. De netto-verkoopopbrengst zal voor de helft in depot gehouden worden door meergenoemd notariskantoor, welk bedrag zal worden aangevuld met (…) € 1.500,= uit het netto aandeel in de verkoopopbrengst voor eiser mr. [appellant] . De andere helft van de netto verkoopopbrengst zal gelijkelijk worden verdeeld tussen eisers, met dien verstande dat eiser sub 1 voorshands dus (…) € 1.500,= niet zal ontvangen. (…) 6. Als partijen er niet in slagen om (…) tot een oplossing te komen, zullen zij daartoe nog een poging doen in een (…) bespreking (…), bij gebreke waarvan zij zich (…) ex artikel 96 Rv gezamenlijk tot de kantonrechter (…) wenden om het geschil of restgeschil aan hem voor te leggen. (…)”. Bij schrijven van 17 juli 2012 (productie 10 bij conclusie van antwoord) heeft [appellant] het geschil tussen partijen voorgelegd aan de kantonrechter. Op 22 augustus 2012 is tussen [appellant] en diens broer enerzijds en [neef van geïntimeerde] anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 5 bij dagvaarding), waarin onder meer is opgenomen: “(…) dat de ondergetekende sub 1 (…) zijn betrokkenheid in het geschil c.q. zijn betrokkenheid bij de afwikkeling van de nalatenschap (…) wenst te beëindigen en dat de ondergetekenden sub 2 en 3 daarmee akkoord zijn gegaan; komen als volgt overeen: 1. Het een/derde aandeel in het depotbedrag dat geacht kan worden gehouden te worden voor (…) [neef van geïntimeerde] , groot € 31.163,58 alsmede € 500,= (…) wordt overgemaakt. Ondergetekenden gaan er mee akkoord dat € 28.466,24 wordt overgemaakt op rekening (…) t.n.v. [appellant] (…) en (…) € 3.198,34 op rekening (…) t.n.v. [neef van geïntimeerde] . Gemeld bedrag dat aan (…) [neef van geïntimeerde] toekomt is een tegemoetkoming in de declaraties (…) en griffiegelden (…). (…) 2. (…) Voor wat betreft de afwikkeling van de nalatenschap is elk geschil hierover tussen partijen dan wel tussen derden en de erfgenamen beëindigd (…). (…) 3. ondergetekende sub 1 zal geen aanspraken maken op overige goederen uit de nalatenschap van erflaatster; (…)”. Bij vonnis d.d. 19 december 2012 (productie 4 bij dagvaarding) heeft de kantonrechter van de rechtbank Breda, team kanton Bergen op Zoom, de zaak verwezen naar de sector civiel, team handelsrecht van diezelfde rechtbank. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis d.d. 10 april 2013 (productie 6 bij dagvaarding) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelsrecht Breda, kort gezegd, in conventie [geïntimeerde] en haar broer veroordeeld om mee te werken aan vrijgave aan [appellant] en diens broer van het bij de notaris in depot staande bedrag ad € 59.190,43, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 juli 2012 tot de dag van algehele voldoening, alsook tot vrijgave aan hen van het in depot staande bedrag ad € 1.000,=, onder compensatie van de kosten. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de nalatenschap van [erflaatster] vereffend dient te worden conform titel 6 afdeling 3 van boek 4 BW, heeft zij een vereffenaar benoemd en heeft zij voor recht verklaard dat het afwikkelingsbewind is geëindigd. Voorts is [appellant] in reconventie veroordeeld tot afgifte van de administratie van [erflaatster] aan [geïntimeerde] en haar broer, alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hen ten aanzien van het door hem gevoerde afwikkelingsbewind en zijn [appellant] en diens broer veroordeeld om mee te werken aan vrijgave van het in depot staande restantbedrag, onder compensatie van de kosten. Tegen dit vonnis is door [geïntimeerde] en haar broer hoger beroep ingesteld. Bij arresten d.d. 14 oktober 2014 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (productie 7 bij dagvaarding en productie 11 bij conclusie van antwoord) zijn zij in hun beroep niet ontvankelijk verklaard. Ook na het vonnis van 10 april 2013 is er tussen partijen nog sprake van onenigheid betrekking hebbende op de - afwikkeling van de - nalatenschap van [erflaatster] . Ondanks (e-mail)correspondentie tussen (de - toenmalige - advocaten van) partijen, zijn partijen niet tot een oplossing gekomen. 3.2 Bij dagvaarding van 19 oktober 2015 en herstelexploot van 17 november 2015 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat [appellant] en diens broer [broer van appellant] een bedrag van € 33.871,03 te veel uit de nalatenschap van [erflaatster] hebben ontvangen, en dat [appellant] geen rechten kan doen gelden op de vijf schilderijen zodat hij deze dient af te geven aan de erfgenamen van [erflaatster] . Op grond hiervan vorderde [geïntimeerde] in de hoofdzaak, samengevat, verklaringen voor recht inzake het bedrag van € 33.871,03 en de vijf schilderijen en veroordeling van [appellant] tot betaling aan de boedel, althans aan [geïntimeerde] , van € 33.871,03, vermeerderd met wettelijke rente, en tot afgifte aan de boedel, althans aan [geïntimeerde] , van de vijf schilderijen, subsidiair tot betaling van de waarde van de schilderijen ten bedrage van € 5.600,=, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure. [appellant] heeft in het incident de niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] gevorderd en in de hoofdzaak de vorderingen van [geïntimeerde] bestreden. [geïntimeerde] heeft de incidentele vordering van [appellant] bestreden. 3.3 Bij incidenteel vonnis van 20 april 2016 heeft de rechtbank de incidentele vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident. Bij tussenvonnis van 22 juni 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald, die op 18 november 2016 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 1 februari 2017 heeft de rechtbank in de hoofdzaak: voor recht verklaard dat [appellant] en diens broer een bedrag ad € 33.871,03, te verminderen met de door [geïntimeerde] en haar broer aan [appellant] en diens broer te betalen wettelijke rente over € 59.190,43 vanaf 19 juli 2012 tot eind mei 2013, zonder rechtsgrond en derhalve onverschuldigd uit de nalatenschap van [erflaatster] hebben ontvangen; voor recht verklaard dat [appellant] de schilderijen, omschreven in productie 8 bij dagvaarding, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , zonder recht of titel onder zich houdt en dat hij derhalve gehouden is de waarde van die schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , te vergoeden; [appellant] veroordeeld tot betaling aan de boedel [erflaatster] van een bedrag groot € 33.871,03, te verminderen met de door [geïntimeerde] en haar broer aan [appellant] en diens broer te betalen wettelijke rente over € 59.190,43 vanaf 19 juli 2012 tot de dag van voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het door [appellant] aldus te betalen bedrag met ingang van 29 mei 2013 tot de dag van algehele voldoening; [appellant] veroordeeld tot betaling van de waarde van de schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , derhalve uitmakend een bedrag groot € 3.733,33, aan [geïntimeerde] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten met nakosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde. 3.4 Tegen het incidenteel vonnis van 20 april 2016 heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en tegen het eindvonnis van 1 februari 2017 vijftien grieven. Daarnaast vermeldt [appellant] een eiswijziging; dit betreft alleen een vordering tot terugbetaling van hetgeen hij eventueel uit hoofde van de beroepen vonnissen aan [geïntimeerde] heeft betaald. Een reconventionele vordering van zijn kant is in deze procedure niet aan de orde. 3.5 Voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] niet volledig zijn toegewezen, blijven deze in dit hoger beroep verder buiten beschouwing aangezien [geïntimeerde] daartegen niet (incidenteel) heeft geappelleerd. Het incidenteel vonnis van 20 april 2016 3.6 Dit vonnis betreft het beroep van [appellant] op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in haar vorderingen. Daartoe heeft [appellant] verschillende gronden aangevoerd, die door de rechtbank alle zijn verworpen. De hiertegen opgeworpen grieven van [appellant] worden hierna achtereenvolgens besproken. 3.7 Volgens [appellant] zijn de kwesties die [geïntimeerde] in deze procedure aan de orde stelt al afgehandeld in het vonnis van 10 april 2013, aangezien daarin wordt verwezen naar het overzicht van [appellant] van 13 april 2012. In dat overzicht zijn de vijf schilderijen vermeld en zijn twee bedragen van € 10.000,= en € 25.000,= opgenomen die [appellant] op 14 oktober 2011 respectievelijk 21 oktober 2011 van de betaalrekening van [erflaatster] naar zijn eigen bankrekening heeft overgeschreven. Volgens [geïntimeerde] gaat het hierbij om onttrekkingen aan de nalatenschap van [erflaatster] waarvoor geen grondslag bestaat. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] omdat op deze kwesties al definitief zou zijn beslist, verworpen. Hierop ziet grief I. 3.8 Deze grief wordt verworpen. In het vonnis van 10 april 2013 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 de hoogte van de rentevergoeding bepaald die [erflaatster] aan [appellant] en diens broer verschuldigd was op grond van de vaststellingsovereenkomst van 22 december 2004 tussen hen, die hiervoor in 3.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.