GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.209.681/01 arrest van 25 september 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer, tegen [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 maart 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4816135 CV EXPL 16-1885 gewezen vonnis van 29 december 2016. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 27 maart 2018 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast; het proces-verbaal van de comparitie van 10 september 2018. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg 6De beoordeling 6.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [geïntimeerde] is een schadeverzekeraar die haar verzekeringen onder meer via haar gevolmachtigde agent [agent] verkoopt. [appellant] heeft met ingang van 20 november 2013 een oldtimerverzekering bij [agent] gesloten voor een Mercedes 380 SL Cabriolet uit 1984 met het kenteken [kenteken 1] . Hij heeft deze auto gekocht op 29 augustus 2013. [appellant] heeft op 18 juni 2014 schade gemeld. Hij heeft gemeld dat hij op 12 juni 2014 een aanrijding had gehad in [plaats] met een voertuig, een Mercedes CLS 350 met het kenteken [kenteken 2] . Dit voertuig was eigendom van mevrouw [betrokkene] . [appellant] zou op de bewuste datum en plek de auto van [betrokkene] , die op een voorrangsweg reed en bestuurd werd door de heer [bestuurder] , over het hoofd hebben gezien toen hij, [appellant] van rechts die voorrangsweg opreed. [betrokkene] heeft [appellant] bij e-mailbericht van 26 juni 2014 aansprakelijk gesteld voor het ongeval en heeft [geïntimeerde] verzocht de schade in behandeling te nemen. [geïntimeerde] heeft op 5 juli 2014 in verband met het gemelde ongeval een schade-uitkering gedaan aan [appellant] van € 12.575,00. De firma [firma 1] heeft [agent] bij rapport van 10 september 2014 geadviseerd een grootschalig onderzoek in te stellen naar de toedracht van het ongeval. [geïntimeerde] / [agent] heeft vervolgens een ongevallenanalyse laten uitvoeren door [VOF] VOF (hierna [VOF] ). In het rapport van [VOF] van 29 september 2014 wordt geconcludeerd “dat de gemelde gebeurtenis niet in overeenstemming te brengen is met de aangetroffen schaden, de normaal geldende rijsnelheden en de normaal te rekenen stand van de Mercedes 380 bij links af slaan in de opgegeven situatie. Feitelijk heeft de Mercedes 380 stil gestaan tijdens de botsing met de Mercedes CLS, hetgeen uit de schade is af te leiden”. [agent] heeft bij brief van 8 mei 2015 geweigerd de schade aan het voertuig van [betrokkene] te vergoeden omdat de schade aan beide voertuigen niet te rijmen valt met de inhoud van het schadeformulier en er bijkomende omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de door partijen in het schadeformulier vermelde toedracht van het ongeval in twijfel getrokken kan worden. Als bijkomende omstandigheden zijn vermeld de omstandigheden dat partijen, zowel [appellant] als [betrokkene] , reeds eerder een aanrijding hebben gehad met dezelfde derde (ene [derde] ), dat zowel beide partijen als deze [derde] telkens gebruik gemaakt hebben van dezelfde reparateur (de firma [firma 2] ), dat [betrokkene] op geen enkele wijze aangetoond heeft dat de schade aan het voertuig is hersteld (zij zou de beschadigde auto hebben verkocht) en dat het aantal door [betrokkene] opgegeven ongevallen waarbij zij betrokken is geweest niet overeenstemt met het aantal aanrijdingen dat geregistreerd is (in het zogeheten FISH-systeem). [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ook [betrokkene] in rechte betrokken, welke zaak samen met die tegen [appellant] is behandeld door de kantonrechter. [betrokkene] is, voor zover bekend, niet van het in haar zaak uitgesproken vonnis in hoger beroep gekomen. 6.2.1. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] de veroordeling van [appellant] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 12.575,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening, veroordeling tot betaling van € 1.466,95 aan kosten van onderzoek, te vermeerderen met wettelijke rente over € 716,93 (de kosten van [VOF] ) vanaf 2 oktober 2014 en over € 750,02 (de onderzoekskosten van [firma 1] ) vanaf 26 maart 2015, tot de dag der voldoening, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen volgend op de vonnisdatum tot de dag der voldoening. 6.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat na uitkering van de schade aan [appellant] voldoende is gebleken dat deze schade opzettelijk is veroorzaakt. [geïntimeerde] verwijst hiervoor, behalve naar het rapport van [VOF] , naar de hiervoor onder 6.1., voorlaatste gedachtestreepje aangehaalde omstandigheden. Er is sprake van opzet tot misleiden en daarmee van fraude, aldus [geïntimeerde] . Daardoor is het recht op de schade-uitkering komen te vervallen en [appellant] is op grond van onverschuldigde betaling gehouden tot terugbetaling, aldus [geïntimeerde] . 6.2.3. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.2.4. In het eindvonnis van 29 december 2016 heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling aan [agent] van € 12.575,00 plus rente en [appellant] (en [betrokkene] ) hoofdelijk veroordeeld in de door [geïntimeerde] gevorderde onderzoekskosten, vermeerderd met rente. [appellant] is verder veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft, kort samengevat, geoordeeld dat [appellant] het rapport van [VOF] onvoldoende weersproken heeft en dat de kantonrechter daarom zich voor wat betreft de toedracht van het ongeval aansluit bij de analyse van [VOF] , die inhoudt dat het ongeval bewust is veroorzaakt. 6.3. [appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties. 6.4. De grieven 1 en 2 richten zich tegen voormeld oordeel van de kantonrechter en raken de kern van het geschil. Die kern houdt in dat [geïntimeerde] zich onder meer op grond van het onderzoek van [VOF] en het onderzoek van [firma 1] op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van het bewust veroorzaken van het ongeval door [appellant] (en de bestuurder van de auto van [betrokkene] ), van opzet tot misleiding en daarmee van fraude aan de zijde van [appellant] , en dat [appellant] dit betwist. [appellant] trekt de validiteit en betrouwbaarheid van het rapport van [VOF] en de in het rapport gehanteerde onderzoeksmethode en de deskundigheid van de onderzoeker in twijfel. Uit het rapport van [onderneming] , Afdeling Taxatie Classics en Oldtimers (hierna [onderneming] ) van 2 juli 2014 (productie 10 mvg) volgt een heel ander schadebeeld dan door [VOF] vastgesteld en dat schadebeeld past wel degelijk bij de door [appellant] gemelde ongevalstoedracht. 6.5. Nu [geïntimeerde] aan haar vordering tot terugbetaling van het bedrag dat zij heeft uitgekeerd aan [appellant] onverschuldigde betaling ten grondslag heeft gelegd, is het aan haar, nu zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept, om te bewijzen dat er sprake is geweest van opzet tot misleiding bij [appellant] en zij daarom zonder rechtsgrond heeft betaald aan [appellant] . Dat bewijs is vooralsnog, mede gezien de gemotiveerde betwisting door [appellant] van de juistheid van (de inhoud van) het rapport van [VOF] en van de door [geïntimeerde] mede aan haar terugvordering ten grondslag gelegde bijkomende omstandigheden, niet geleverd. Het hof overweegt daartoe het volgende: a. Vast staat dat de onderzoeker van [VOF] , de heer [de onderzoeker van VOF] (hierna: [de onderzoeker van VOF] ), de auto van zowel [appellant] als [betrokkene] niet zelf heeft kunnen onderzoeken. Hij heeft zich moeten baseren op onder andere foto’s die door [onderneming] bij onderzoek aan de auto’s heeft gemaakt en die in deze procedure gevoegd zijn bij het als productie 12 bij inleidende dagvaarding overgelegde rapport van [onderneming] van 2 juli 2014. Het betreffen 9 fotobladen met telkens 2 foto’s per blad. Het hof merkt hierbij op dat het door [geïntimeerde] overgelegde rapport niet compleet is (de tekstpagina’s 3 en 4 ontbreken) en dat [appellant] het volledige rapport heeft overgelegd als productie 10 bij memorie van grieven. Op pagina 9 van het rapport van [VOF] wordt het volgende vermeld: “Uit de computer simulatie komt duidelijk naar voren, dat indien de Mercedes 380 in een lichte stand naar links in botsing is gekomen met de Mercedes CLS, de botsing kracht zich schuiner ontwikkelt. Dat zou in de schaden moeten terug te vinden zijn. Dat is echter niet voldoende in de schade aanwezig” Op pagina 9 van het zelfde rapport vermeldt de rapporteur verder: “De schaden van de voertuigen tonen aan dat deze voertuigen met elkaar in botsing kunnen zijn geweest”. Pagina 12 van het rapport houdt onder meer in: “(…) De stootkracht die in de schaden herkenbaar is geeft onvoldoende hoek aan om te kunnen afleiden dat het een botsing is geweest met wee rijdende voertuigen. De voertuigen hebben niet beide gereden. De uit de schaden afleidbare stootrichting die bij de botsing tussen deze voertuigen is opgetreden wijst op een stilstaande Mercedes 380 en een rijdende Mercedes CLS. De bestuurder van de Mercedes 380 zou als gevolg van de botsing en de daardoor ontstane sterke rotatie (gepaard gaande met een dwarsversnelling van 6 tot 7 m/s² en een aanzienlijke dwarsverplaatsing in een tijdfractie van circa 60
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.