Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003610-16 Uitspraak : 9 oktober 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-879014-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de doodslag op N. van den Hurk (feit 2) en veroordeeld ter zake van verkrachting (feit 1) tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis eveneens hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft het openbaar ministerie standpunten ingenomen, zoals opgenomen onder B bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen in het arrest. Van de zijde van de verdachte is: - primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit; - subsidiair integrale vrijspraak bepleit en - meer subsidiair verweer gevoerd met betrekking tot de straf. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging standpunten ingenomen, zoals vermeld onder C bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen in het arrest. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie A. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. De verdediging meent dat sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek ex art. 359a Sv, die als gevolg hebben dat geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Voorts brengen de vormverzuimen mee dat is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van ‘equality of arms’. De verdediging heeft erop gewezen dat stukken van overtuiging, te weten de kleding, het inlegkruisje en de kaak van het slachtoffer, zijn vernietigd en/of verdwenen. Voor de vernietiging van de kleding is destijds door de officier van justitie toestemming verleend, terwijl van het inlegkruisje en de kaak onduidelijk is gebleven wat er mee is gebeurd. Nader onderzoek zou volgens de deskundigen R. Eikelenboom, D. Spendlove en R.R.R. Gerretsen wel gewenst zijn geweest. Omdat de stukken van overtuiging echter niet meer beschikbaar waren toen de verdachte in beeld kwam, bestond voor hem geen mogelijkheid meer om onderzoek te laten verrichten op sporendragers die niet eerder zijn onderzocht, had hij evenmin een mogelijkheid om onderzoek te laten verrichten naar mogelijke ontlastende biologische sporen, kon hij geen deugdelijk onderzoek laten verrichten om alternatieve scenario’s meer aannemelijk te maken en was volwaardig contra-onderzoek van eerder verricht onderzoek niet mogelijk. Aldus zijn naar de mening van de verdediging – niet doelbewust maar wel met een grove veronachtzaming – aan de belangen van de verdachte op zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak en het beginsel van equality of arms tekortgedaan. B. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie betreurt dat er materiaal is vernietigd. Maar het zoekraken en de vernietiging hebben plaatsgevonden lang voordat de verdachte in beeld is gekomen. De conclusie van de verdediging dat geen sprake is van een eerlijk proces is terecht en op goede gronden door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd: er is niet doelbewust en/of met grove veronachtzaming aan de belangen van verdachte tekortgedaan. C. Overwegingen van het hof Indien in een voorbereidend onderzoek in de strafzaak jegens de verdachte vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld – als bedoeld in art. 359a Sv – en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij het bepalen van het rechtsgevolg dient rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg – naar vaste jurisprudentie – slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is in beginsel alleen plaats ingeval het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van vormverzuimen, stelt het hof het volgende vast. Blijkens het proces-verbaal technisch onderzoek (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01) d.d. 18 januari 1996 zijn na berging van het stoffelijk overschot van N. van den Hurk diverse goederen veiliggesteld, waaronder een spijkerbroek, schoenen, een fleecetrui, een jas/jack, sokken, een BH en een slip. Door personeel van het Gerechtelijk Laboratorium werden van de jas en de trui een monster genomen ten behoeve van een eventueel later te verrichten onderzoek. Uit het proces-verbaal Technische Onderzoeken inzake Nicole van den Hurk d.d. 14 juni 2004 van het Landelijk Team Kindermoord (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 05 met daarbij gevoegde bijlagen (genummerd 1 tot en met 11), waaronder een sporenoverzicht – Bijlage 1 Matrix “sporen/goederen”) is gebleken dat de kleding van het slachtoffer waaronder de spijkerbroek, de jas, de schoenen, de fleecetrui, sokken, de slip en de BH, niet meer aanwezig waren en (vermoedelijk) vernietigd waren. Tevens bleek het inlegkruisje niet meer aanwezig te zijn. Volgens de verbalisanten die destijds het onderzoek leidden is het inlegkruisje per ongeluk bij de sectie weggegooid (bijlage 4 bij voormeld proces-verbaal Technische Onderzoeken Gestelde vragen en gegeven antwoorden door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (technisch rechercheurs) in een gesprek op 14 juni 2004). De schedel en de onderkaak van het slachtoffer zijn na de sectie bewaard gebleven bij het NFI voor eventueel nader onderzoek. Echter, blijkens voormelde bijlage 1 Matrix “sporen/goederen” bleek de onderkaak (kaak met twee laterale breuken) tot op dat moment (14 juni 2004) onvindbaar te zijn. Het is het hof niet gebleken dat deze onderkaak alsnog is getraceerd c.q. aangetroffen. Op verzoek van het openbaar ministerie is door de politie getracht om duidelijkheid te verschaffen rondom de afhandeling van de inbeslaggenomen kleding van het slachtoffer. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2014 (voorgehouden stukken zitting rechtbank 26 februari 2015) houdt in: Het slachtoffer werd destijds, in 1995, volledig gekleed, zoals ze was aangetroffen op de plaats delict te Lierop, overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium voor de gerechtelijke sectie. Enige maanden na de sectie werd de jas naar de Technische Recherche in Eindhoven gestuurd. Dit gegeven blijkt uit het geheugen van de betrokken rechercheurs, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (hof: [verbalisant 1] ) , die zich herinneren de jas te hebben uitgepakt en gefotografeerd. Dit wordt ondersteund door het feit dat de foto's van de jas nog beschikbaar zijn. Deze jas is niet meer aangetroffen in het sporenbestand van de politie Eindhoven. Er zijn geen documenten aangetroffen waarin is vastgelegd dat de jas ook daadwerkelijk vernietigd is. In het dossier zit wel een afschrift van een faxbericht van 25 februari 1997, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat aan [medewerker] , verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, toestemming wordt verleend om "de resterende kledingstukken in de zaak met nummer 95.11.13.023" te vernietigen” . Ondanks meerdere pogingen daartoe is echter nergens terug te vinden op welke kledingstukken dit precies betrekking had en of deze ook daadwerkelijk vernietigd zijn. Wel verzekert het Nederlands Forensisch Instituut ons dat de kledingstukken niet langer daar aanwezig zijn. Het politie-registratiesysteem uit die tijd (BPS) is geschoond en niet meer bevraagbaar. Uit de hiervoor bedoelde onderzoeken is af te leiden dat veiliggestelde en in beslag genomen voorwerpen (kledingstukken, het inlegkruisje en de onderkaak van het slachtoffer) vernietigd zijn dan wel zijn zoekgeraakt. Dat was reeds in 2004 het geval. In het onderzoek naar de dood van N. van den Hurk is verdachte op 14 januari 2014 als verdachte aangehouden. Vastgesteld moet worden dat deze stukken van overtuiging in de strafzaak tegen de verdachte niet beschikbaar zijn (geweest) voor nader onderzoek. Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat sprake is van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld. Bij de vraag of hieraan enig rechtsgevolg in de zin van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging moet worden verbonden, overweegt het hof als volgt. Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in ieder geval niet is gebleken dat de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren doelbewust de belangen van de verdachte hebben geschonden. Echter, anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat door het vernietigen dan wel zoekraken van de desbetreffende goederen geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde (waaronder de ‘equality of arms’), waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Als grond voor onderzoek aan het inlegkruisje is door de verdediging naar voren gebracht dat onderzoek daaraan cruciaal is in een zedenzaak. Die grond voor onderzoek alleen is echter onvoldoende om een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde aan te nemen. Weliswaar constateert het hof met de verdediging dat enig onderzoek aan het inlegkruisje ontbreekt, maar het hof ziet tegelijkertijd dat wél DNA-onderzoek is verricht c.q. bemonsteringen zijn genomen van (in een zedenzaak eveneens relevante) sporen(-dragers) vagina, anus, kruis van de slip en kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer. Het hof merkt daarbij op dat de verdediging op de wel onderzochte sporen(-dragers) contra-onderzoek heeft kunnen laten doen (hetgeen is gedaan door onder andere Independent Forensic Services, verder te noemen: IFS). De conclusie op dit punt is derhalve dat het ontbreken van onderzoek aan het inlegkruisje niet een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde (waaronder de ‘equality of arms’) oplevert, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De kaak van het slachtoffer is bij gelegenheid van de sectie door arts en patholoog dr. R. Visser onderzocht. Hij heeft geconstateerd dat sprake was van een dubbele breuk van de rechter onderkaak (foto’s 109-111, behorend bij het proces-verbaal Technisch Onderzoek Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01). Desgevraagd door de verdediging ter zitting in eerste aanleg heeft drs. R.R.R. Gerretsen (arts en forensisch antropoloog) aangegeven dat hij de kaak wel had willen onderzoeken op beschadigingen; hij had alle beschadigde delen willen onderzoeken teneinde te bezien of het eventueel om dezelfde sporen gaat. Het hof stelt in deze zaak vast dat het slachtoffer met haar kleding aan in de herfst gedurende zo’n zes weken op een bosperceel onder een berg snoeiafval heeft gelegen. Met betrekking tot onderzoek aan de kleding op aanraaksporen is R. Eikelenboom ter zitting van de rechtbank bevraagd. De deskundige heeft erop gewezen dat sperma normaal gesproken een zeer goede bron van DNA is en dat men bij 10 tot 20 spermacellen een volledig DNA-profiel kan afleiden. Dat is bij aanraaksporen anders. De kans op een volledig resultaat is bij sperma veel groter dan bij aanraaksporen. Hij vervolgt dat van spermasporen normaliter betere DNA-profielen worden verkregen. Bij aanraaksporen verwacht hij per definitie slechte DNA-profielen. Hoe langer een slachtoffer of kledingstukken buiten hebben gelegen en worden blootgesteld aan weersomstandigheden, hoe sneller het DNA zal afbreken. (proces-verbaal rechtbank zitting 10 november 2015, pag. 109). Meer in het algemeen is er door de verdediging (zo begrijpt het hof) op gewezen dat door het niet kunnen onderzoeken van voormelde zaken, kaak en kleding, de verdediging is gehinderd in het naar voren brengen van een alternatief scenario met betrekking tot een mogelijke andere dader. Het hof stelt evenwel vast dat de verdediging het alternatieve scenario -naar aanleiding van het wel verrichte (uitgebreide DNA-)onderzoek- gemotiveerd naar voren heeft gebracht, namelijk op grond van de volgens de verdediging naar andere personen wijzende onderzoeksresultaten. Het hof komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het ontbreken van (nieuw, nader dan wel contra-) onderzoek aan het inlegkruisje, de onderkaak en/of de kledingstukken niet oplevert een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Gelet op de door de verdediging aangevoerde gronden voor onderzoek en het mogelijk belang daarvan in het licht van het andere aanwezige bewijsmateriaal, is het hof van oordeel dat de gevolgen die voortvloeien uit de vernietiging dan wel zoekraken van het inlegkruisje, de onderkaak en/of de kledingstukken, naar het oordeel van het hof niet van dien aard zijn dat over het geheel niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces. Het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is dan ook niet aan de orde. Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt in al zijn onderdelen verworpen en het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
- en)N. van den Hurk (geboren op 4 juli 1980) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(
- en)die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Van den Hurk, hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of anus van die Van den Hurk gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)(telkens) hierin dat verdachte - die Van den Hurk heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of - heeft bedreigd met een mes, althans een scherp voorwerp en/of - (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde Van den Hurk heeft gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of - een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk heeft toegepast/uitgeoefend, en/of (aldus) voor die van den Hurk (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; 2.hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven en/of te Lierop, gemeente Someren, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. van den Hurk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde Van den Hurk gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die Van den Hurk geslagen/gestompt, en/of een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde Van den Hurk is overleden. Overwegingen A. Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken de volgende feiten en omstandigheden. A.1. Onderzoek “Nicole” 1995/1996 (Proforma dossier map 1, onderzoek Bosuil). Op vrijdag 6 oktober 1995, omstreeks 05.10 uur, was Nicole van den Hurk, geboren op 4 juli 1980, vanaf het adres [adres 1] te Eindhoven, per fiets vertrokken naar haar bijbaantje bij de supermarkt Konmar in het winkelcentrum Woensel te Eindhoven, waar zij om 06.00 uur die ochtend moest beginnen met werken. Het adres [adres 1] was het adres van de oma van Nicole, [naam stiefoma] . Nicole verbleef samen met haar zusje [naam stiefzus] en broertje [naam halfbroer] bij haar oma in verband met verbouwingswerkzaamheden in de ouderlijke woning van Nicole. Nicole verscheen niet op haar werk. Door personeel van de Konmar werd de route die door Nicole gereden moest zijn nagereden doch Nicole werd niet aangetroffen. Door een personeelslid van Konmar werd op 6 oktober 1995 omstreeks 07.40 uur de politie Eindhoven op de hoogte gebracht van de vermissing van Nicole van den Hurk. Toen Nicole omstreeks 15.30 uur haar zusje niet van school ophaalde, zoals was afgesproken, was dit voor haar ouders aanleiding om haar als vermist op te geven bij de politie te Eindhoven. Op vrijdag 6 oktober omstreeks 17.00 uur werd door personeel van diverse Eindhovense politieafdelingen een gezamenlijke zoekactie gestart. Omstreeks 18.00 uur werd de grijze damesfiets waarmee Nicole naar haar werk was vertrokken aangetroffen in rivier de Dommel nabij het Wasvenpad te Eindhoven. Op 13 oktober 1995 werd van 05.00 uur tot 07.00 uur een passantenonderzoek gedaan op de locatie Van Oldenbarneveltlaan te Eindhoven. Twee passanten hebben verklaard dat ze op 6 oktober 1995 tussen 05.10 uur en 05.25 uur een op Nicole lijkend meisje hebben zien fietsen op of nabij de Van Oldenbarneveltlaan te Eindhoven. A.2. Op 12 oktober 1995 heeft [naam stiefoma] verklaard (Proforma dossier map 1, pag. 91): - dat Nicole bij haar logeerde in verband met de verbouwing bij de familie Van den Hurk; - dat Nicole tot een uur of 21.00 in de avond naar buiten mocht van haar; - dat Nicole iedere dag werd opgehaald door haar vriendje [naam vriend] , die recht tegenover haar woont; - dat Nicole bij de Konmar is gaan werken en ’s-morgens om 04.45 uur op stond, at en douchte en vervolgens naar haar werk ging met de fiets; - dat Nicole omstreeks 21.45 uur naar bed ging; - dat Nicole dinsdagavond 3 oktober 1995 bij [naam tante] is blijven slapen en ook op woensdagavond; - dat Nicole op donderdagavond 5 oktober 1995 bij [naam vriend] was en dat zij Nicole belde om te komen eten; - dat Nicole bij [naam tante] wilde eten en zij daar ruzie om kregen; - dat Nicole bij [naam tante] is gaan eten en om 18.30 uur weer bij haar is gekomen; - dat Nicole toen is gaan douchen, naar [naam vriend] ging en om 20.45 uur weer thuis was; - dat zij op vrijdag 6 oktober 1995 om 04.45 uur Nicole wakker maakte en dat Nicole naar haar werk vertrok tussen 05.05 uur en 05.10 uur; - dat om 06.15 uur de telefoon ging en dat een mevrouw van de Konmar vroeg waar Nicole was. [naam tante] heeft verklaard op 9 oktober 1995 (Proforma dossier map 1, pag. 85): - dat Nicole met haar vriendje [naam vriend] naar school ging en dat zij na schooltijd samen naar huis kwamen; - dat Nicole sinds dinsdag 3 oktober 1995 bij de Konmar werkte en niet meer met [naam vriend] kon meerijden omdat ze om 06.00 uur moest beginnen; - dat Nicole op dinsdag bij haar in de woning kwam en twee nachten bleef; - dat zij woensdag 4 oktober 1995 omstreeks 05.00 uur hoorde dat Nicole zich aan het douchen was en dat ze wegging; - dat Nicole om 16.50 uur thuiskwam vanuit school en met [naam vriend] wegging; - dat ze ’s avonds gegourmet hebben en Nicole de nacht bij haar doorbracht; - dat zij donderdag 5 oktober 1995 wakker werd om 05.00 uur van het douchen door Nicole en dat Nicole wegging en dat zij omstreeks 15.00 uur thuiskwam; - dat Nicole naar haar vriend ging en daarna overstuur was omdat zij van oma boodschappen moest doen, waarna Nicole bij haar is komen eten en vervolgens weer naar oma is gegaan. [naam vriend] heeft verklaard op 9 oktober 1995 en 1 december 1995 (verklaringen op 18 december 2017 toegevoegd aan de processtukken): - dat Nicole bij hem op school kwam in 1994; - dat Nicole tijdelijk bij haar oma logeerde en ze toen meer contact kregen; - dat Nicole met hem mee ging op de bromfiets naar school; - dat Nicole donderdag ruzie had gehad met oma; - dat Nicole enkele nachten bij tante [naam tante] had verbleven; - dat op donderdagavond 5 oktober hij met Nicole film had gekeken waarna Nicole om 20.45 uur naar oma is gegaan; - dat hij op maandag 2 oktober of dinsdag 3 oktober 1995 seksueel contact heeft gehad met Nicole in de vorm van vaginale gemeenschap. [naam 1] (hof: de moeder van [naam vriend]) heeft op 5 maart 2014 verklaard (Proforma dossier map 1, pag. 175-176): - dat Nicole op donderdagavond (hof: 5 oktober 1995) bij haar thuis is geweest samen met [naam vriend] ; - dat ze met [naam vriend] vroeg of ze de volgende ochtend op de brommer van [naam vriend] naar haar werk mocht; - dat zij dit niet goed vond omdat Nicole nog geen 16 was; - dat Nicole rond 19:00-20:00 uur bij hun is weggegaan naar haar oma en [naam vriend] de hele avond thuis is gebleven; - dat de volgende ochtend [naam stiefoma] (hof: de oma van Nicole) kwam en vertelde dat Nicole niet op haar werk gekomen was; - dat toen oma vrijdagmorgen kwam [naam vriend] nog op bed lag en dat hij de hele nacht thuis is geweest; - dat als hij weg zou zijn gegaan zij het zeker had moeten merken. A.3. Op donderdag 19 oktober 1995 omstreeks 19.10 uur werd een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van een tasje/rugzakje (dat eigendom bleek van Nicole van den Hurk) aan de Kanaaldijk Zuid, een openbare weg binnen de bebouwde kom van de gemeente Eindhoven. Het ging om een vrij smalle geasfalteerde weg die parallel liep aan de zuidzijde van het Eindhovens kanaal. Tussen het kanaal en het wegdek bevond zich een berm met gras en laag struikgewas, gevolgd door een ondiepe sloot. Verbalisanten zagen in een braamstruik aan de kant van de sloot een tasje hangen tussen enkele takken (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01, proces-verbaal van technisch onderzoek inzake de moord c.q. doodslag op N. v.d. Hurk, met bijbehorende fotomap, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 18 januari 1996). Het betrof een klein zwart leren damestasje Daniel Ray. Het tasje was leeg. Naast het tasje lag op de bodem van de sloot een aantal voorwerpen, kennelijk uit het tasje afkomstig. Enkele papiertjes waren geheel doorweekt en aangetast door weersomstandigheden. Gelet op de aangetroffen toestand lagen deze voorwerpen al geruime tijd daar. Het betrof onder andere een nota van de schoolboekhandel op naam van Nicole van den Hurk, visitekaartjes en make up spullen. Op woensdag 22 november 1995 omstreeks 13.30 uur werd, na een melding van een wandelaar, het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk aangetroffen in een bosperceel aan de Mierloseweg, buiten de bebouwde kom van Lierop, in de gemeente Someren (hemelsbreed 12,6 kilometer van de plaats van verdwijning, het Wasvenpad). De Mierloseweg vormt de verbinding tussen de dorpen Mierlo en Lierop. Het bosperceel werd ontsloten door een zandpad. Aan de noordzijde werd het begrensd door percelen agrarisch land ten behoeve van akkerbouw en graszodenteelt. Gezien in de rijrichting komende vanaf de Mierloseweg bevond zich aan het einde van het bosperceel nog een stuk pad welke na 15 tot 20 meter dood liep. In de hoek van dit bosperceel ter hoogte van voornoemd doodlopend gedeelte zagen verbalisanten een aanzienlijke hoeveelheid snoeiafval liggen bestaande uit grote dode takken, gedeeltes van coniferen en een aantal wortelstronken. Nadat verbalisanten de berg snoeiafval genaderd waren zagen zij dat daaronder een stoffelijk overschot lag. Het overschot verkeerde in vergaande staat van ontbinding. Het slachtoffer lag ruggelings. Ter hoogte van het heupgewricht maakte het lichaam een flauwe knik. De haren waren deels verstrengeld in enkele takken. De tak met daarin verstrengelde haren bevond zich hoger dan het hoofd. De linker voortand van het bovengebit was afgebroken. De onderkaak vertoonde een onnatuurlijke positie ten opzichte van de bovenkaak. Van de onderkaak ontbraken aan de linkerzijde twee kiezen. Op de resterende huid boven op de schedel was een scherprandige snede zichtbaar. Het slachtoffer was geheel gekleed. Het slachtoffer had een spijkerbroek aan zonder riem. De spijkerbroek was geheel gesloten. De rits van de gulp was dicht. Het schoeisel betrof witte linnen schoenen met rits en vetersluiting. Het slachtoffer droeg een overwegend groen/roze trui van fleecestof. Voorts een jas overwegend rood/bruin van kleur. Zij had een witkleurige BH aan. De bovenkleding bestaande uit de fleecetrui en de jas was gedeeltelijk omhoog geschoven. De jas lag omhooggeslagen onder de rug. De rits van de jas was niet gesloten. Volgens de verbalisanten kan een dergelijke verstoring van de kleding veroorzaakt zijn door het verslepen of dragen van het slachtoffer. Na berging werd op de plaats waar het hoofd had gelegen het ontbrekende stukje van de voortand aangetroffen. Het lijk werd door verbalisanten veiliggesteld alsmede een spijkerbroek Cool Cat, schoenen maat 40, een fleecetrui Avanti maat L, een jas C&A Rodeo maat 42, sokken wit, een BH wit, een slip Josephine’s Dream blauw, een armband goud, 3 ringen en nog een armband. De jas was onder de rechteroksel gescheurd. Op of aan de trui en jas werden verder geen bijzonderheden waargenomen. Van de jas en trui werd een monster genomen. Aan de achterzijde van de broek boven de linker achterzak bevond zich een beschadiging in de stof van de broek, dat bestond uit een samenstel van rafelige en onregelmatige scheuren. Het slachtoffer had een blauwe slip aan voorzien van een kanten strook. In de slip was een maandverbandje c.q. inlegkruisje aanwezig. Het materiaal was licht bebloed. De sokken en schoenen vertoonden verder geen afwijkende bijzonderheden. Zowel de kleding, sieraden, alsmede de aangetroffen zaken in de broekzak van het slachtoffer kwamen conform opgave van de nabestaanden exact overeen met hetgeen de verbalisanten aantroffen. Door de tandarts van het slachtoffer werd een tandstatusoverzicht, röntgenfoto’s, alsmede vier gipsafvormingen van het gebit ter beschikking gesteld. Bij vergelijking in samenwerking met de patholoog-anatoom werden geen discrepanties aangetroffen. Het stoffelijk overschot was derhalve dat van N. van den Hurk. Het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk is door de politie veilig gesteld, in een lijkzak gedaan en voor de sectie door een begrafenisondernemer vervoerd naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. A.4. Op donderdag 23 november 1995 heeft dr. R. Visser, als arts en patholoog verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium van het ministerie van Justitie, sectie verricht op het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk. Blijkens het Pro Justitia-rapport van dr. Visser is een in- en uitwendige schouwing verricht aan het stoffelijk overschot (Sectieverslag 12 april 1996, Forensisch Dossier deel 1, bijlage 02). Uitstrijkjes zijn vervaardigd voor onderzoek op aanwezigheid van sperma. In het rapport van dr. Visser is vermeld dat bij de sectie op het lijk van Nicole van den Hurk het volgende is gebleken: Bij Nicole van den Hurk, oud 15 jaren, bleken sterk gevorderde ontbindingsverschijnselen, met name in hoofd-/hals en borstorganen. Er bleken letsels aan de schedel, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch geweld. Indien deze letsels zijn opgelopen voor het intreden van de dood, dan zouden deze van betekenis kunnen zijn geweest ten aanzien van het intreden van de dood. Er werden een dubbele kaakbreuk in de rechteronderkaak en een huidklieving op het voorhoofd vastgesteld, waardoor bij de patholoog de indruk ontstond dat er “hevig uitwendig mechanisch kantig geweld” was uitgeoefend op het hoofd. Mede door de sterk gevorderde ontbinding van het stoffelijk overschot kon geen anatomische doodsoorzaak worden vastgesteld. Bij onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium zijn blijkens het rapport van 22 juli 1996 sporen aangetroffen (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 03): - de trui, de jas, het slipje en de spijkerbroek van het slachtoffer werden onderzocht op de aanwezigheid van haren. Op de jas werd één lichaamshaar/schaamhaar aangetroffen die niet paste in het schaamhaarpalet van het slachtoffer (ALA045). - de uitstrijkjes en bemonsteringen van de mondholte, de vagina, de anus en van het kruis van zowel het slipje als de spijkerbroek werden onderzocht op de aanwezigheid van sperma. A.5. Het onderzoeksteam “Nicole” is ontbonden omdat het onderzoek niet tot een oplossing van de zaak had geleid. Evenmin leidde onderzoek door het Landelijk Team Kindermoorden/ Coldcase (LTK) team 2001/2005 tot nieuwe inzichten. A.6. In 2011 is besloten het onderzoek naar de onnatuurlijke dood van N. van den Hurk opnieuw te onderzoeken als Cold Case. Het Expertcentrum NCB Naturalis te Leiden is verzocht om een aanvullend entomologisch onderzoek. Op 27 mei 2011 werd, in aanvulling op het eerdere rapport van 18 december 1995 van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden (Rapport 18 december 1995, J. Krikken; Forensisch Dossier deel 1, als bijlage 10 gevoegd bij bijlage 05, waaruit volgt dat de omstandigheden als genoemd in dat rapport consistent zijn met een vermoedelijk minimum-PMI van circa 4 weken en dat ter plekke overlijden, of overlijden en onmiddellijk of kort daarna deponeren van het lijk ter plekke niet kan worden uitgesloten), een rapportage ontvangen van de deskundige entomoloog Drs. J. Huijbregts van NCB Naturalis te Leiden (Entomologierapport 27 mei 2011, drs. J. Huijbregts; Forensisch Dossier deel 2, bijlage 17). In deze laatste rapportage is gesteld dat: - er geen nauwkeurige schatting was te maken van het postmortale interval; - de ei-afzetting waarschijnlijk heeft plaatsgevonden in de periode van 6 tot 19 oktober 1995. In een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hof: verder NFI) d.d. 15 juli 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 12) van prof. dr. A.D. Kloosterman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hof: verder NRGD) voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie, is vermeld dat: - uit de haar, aangetroffen op de jas van Nicole van den Hurk (ALA045), geen autosomaal DNA-profiel werd verkregen; - de haar (ALA045) was onderworpen aan een Mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA) en er een mtDNA-profiel werd verkregen; - het mtDNA-profiel van de haar (ALA045) niet matchte met het profiel van Nicole van den Hurk; - dit tevens wil zeggen dat de haar dus ook niet van iemand was die in de moederlijke lijn verwant was met Nicole van den Hurk; - dit betekent dat haarspoor ALA045 afkomstig is van een onbekende persoon. In een rapport van het NFI d.d. 19 maart 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) van ing. P.E. de Vreede, deskundige forensisch haaronderzoek, is de onbekende donor van haarspoor ALA045 nader aangeduid als de onbekende persoon mito-1. In een rapport van het NFI van 12 augustus 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 13) van drs. ing. T.J.P. de Blaeij, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie, is geconcludeerd dat: - er spermacellen werden waargenomen in: - bemonstering van de anus (gekenmerkt als spoor AWA059#04) - bemonstering kruis slip (gekenmerkt als sporen AUA106#02 en #03) - er aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van spermavloeistof in: - bemonstering van de vagina (gekenmerkt als sporen AWA059#02 en #05) - bemonstering kruis slip (gekenmerkt als sporen AUA106#02 en #03) - bemonstering kruis spijkerbroek (gekenmerkt als sporen AUA107#09 en #12 en #16). Uit de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 SF en AWA059#06 SF) en de slip (AUA106#02 SF en AUA106#03 SF) kon na toepassing van de differentiële lysistechniek, waarbij spermacellen worden gescheiden van de overige typen cellen, uit de stringente lysisfractie waarin zich bij volledige scheiding het DNA bevindt van de spermacellen een complex- c.q. een complex en onvolledig DNA-mengprofiel worden verkregen. Blijkens het rapport d.d. 14 oktober 2011 van drs. ing. T.J.P. De Blaeij voornoemd (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 55) is het DNA-profiel van [naam vriend] vergeleken met de aangetroffen DNA-sporen in het onderzoek Bosuil. Van de zeden-bemonstering (AWA059#04SF), de bemonstering slip (AUA106#02SF) en de bemonstering spijkerbroek (AUA107#11SF) van het slachtoffer Nicole van den Hurk werden complexe DNA-mengprofielen verkregen. [naam vriend] (RAAM5867NL) bleek niet te kunnen worden uitgesloten als donor van het celmateriaal in deze bemonsteringen. A.7. Verdachte is op 18 januari 2001 veroordeeld voor een door hem gepleegde verkrachting op 23 september 2000 in Valkenswaard . Naar aanleiding van die door verdachte gepleegde verkrachting is van hem een referentiemonster wangslijm afgenomen en is het daaruit verkregen DNA-profiel opgenomen in de landelijke DNA-databank. In oktober 2012 vond een overleg plaats, waarbij de zaaksofficier van justitie van de zaak Bosuil en leden van het Cold Case team aanwezig waren. In dit overleg werd een aantal niet opgeloste zedenzaken besproken. Tijdens dit overleg werd een aantal zedendelinquenten, en de door hen gevoerde werkwijze, besproken, waaronder verdachte [verdachte] . [verdachte] bleek bij de (voornoemde) verkrachting in september 2000 bij zijn slachtoffer achterop de fiets te zijn gesprongen en zou daarbij gedreigd hebben het slachtoffer “lek te steken”. Op verzoek van de officier van justitie is het DNA-profiel van de verdachte vervolgens vergeleken met de sporen in de zaak Bosuil. Uit het vergelijkend DNA-onderzoek van drs. ing. De Blaeij d.d. 18 december 2012 (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 61) is gebleken dat de verdachte niet kon worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het kruis van de slip van het slachtoffer. A.8. Bij rapport van 1 oktober 2013 heeft de deskundige drs. J. Klaver (hof: deze deskundige is nadien drs. J. Koopman genaamd, derhalve zijn Klaver en Koopman dezelfde persoon), NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (en ingeschreven in het NRGD voor het deskundigengebied DNA-analyse en interpretatie), de wetenschappelijke bewijswaarde bepaald van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek voor de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes van het slachtoffer en AUA106#02 van de slip van het slachtoffer N. van den Hurk (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 62). Daarbij zijn de DNA-profielen betrokken van verdachte, [naam vriend] (de vriend van N. van den Hurk) en het slachtoffer N. van den Hurk. Aan de hand van hypotheses heeft het NFI beschreven dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering van de slip celmateriaal van verdachte betreft, dan als de bemonstering geen celmateriaal van verdachte bevat. Ten aanzien van de twee bemonsteringen van de anus is dit zeer veel waarschijnlijker. Voorts is het DNA-profiel van de verdachte vergeleken met de DNA-mengprofielen en mtDNA-profielen uit de zaak Bosuil. In een deskundigenrapport van het NFI d.d. 6 november 2013 van ing. J.L.W. Dieltjes, deskundige Forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 60) is melding gemaakt van het feit dat het mtDNA-profiel van de verdachte matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045. Dit betekent dat haarspoor ALA045 van de jas van het slachtoffer afkomstig kan zijn van verdachte of van iemand die in de moederlijke lijn aan verdachte verwant is. A.9. Verdachte is op 14 januari 2014 aangehouden op verdenking van het verkrachten en om het leven brengen van N. van den Hurk. B. In het onderzoek Bosuil zijn aan het dossier toegevoegd getuigenverklaringen van bekenden, relaties en familie van verdachte, alsmede gegevens uit andere strafzaken van verdachte. Tevens is verdachte gehoord. B.1. Uit het Eind proces-verbaal PL2205/95-004442A (opgenomen in Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 387-457) blijkt dat door [ex-vriendin verdachte 1] op 15 november 1995 (pag. 412) aangifte is gedaan van onder andere zware mishandeling tegen verdachte. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat eind september 1995 de relatie tussen haar en verdachte is beëindigd. Verdachte is echter in de nacht van 24 op 25 september 1995 nog bij haar blijven slapen. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat verdachte haar toen met een broekriem om haar nek naar de slaapkamer heeft gesleept en haar daar verkracht heeft. Op 5 oktober 1995 om 21.00/21.30 uur stond verdachte bij [ex-vriendin verdachte 1] in Eindhoven aan de deur om te praten over de bezoekregeling voor hun zoon. Verdachte zou toen [ex-vriendin verdachte 1] bij haar keel hebben gepakt, haar keel hebben dichtgeknepen en haar gedwongen hebben tot geslachtsgemeenschap. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij vervolgens uit de woning is weg kunnen gaan en naar het politiebureau aan de [adres 2] is gelopen. De politie is toen meegegaan naar de woning van [ex-vriendin verdachte 1] in Eindhoven en door bemiddeling van de politie is verdachte de woning uitgegaan. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij op zaterdag 7 oktober 1995 met haar zoon naar Amsterdam zou gaan en dat zij toen heeft waargenomen dat verdachte in een taxi achter haar aanreed tot het NS-station in Eindhoven. Volgens de verklaring van [ex-vriendin verdachte 1] is verdachte in de nacht van 19 op 20 oktober 1995 rond een uur of 03.00/03.30 uur haar woning binnengekomen door met een breekvoorwerp het keukenraam open te breken. Naar aanleiding hiervan heeft zij een gesprek met de politie gehad en heeft zij een week op een onderduikadres gezeten. Nadat zij terugkwam bij haar woning is verdachte in de nacht van 27 op 28 oktober 1995 omstreeks 03.00 uur bij haar aan de deur geweest. Op 13 november 1995 ging [ex-vriendin verdachte 1] om 20.25 uur in de avond haar hond uitlaten. Toen zij terugkwam zag zij dat de deur van haar schuur openstond en dat verdachte uit de schuur stapte. Verdachte heeft haar toen geduwd zodat zij op de grond viel, en heeft haar getrapt en geslagen. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij naar het ziekenhuis is overgebracht, waar is geconstateerd dat haar borstbeen was gescheurd, het hart was gekneusd en in een long een gaatje zat. Haar hele lichaam zat onder de blauwe en beurse plekken. Verdachte is op diezelfde dag om 22.10 uur aangehouden en vervolgens op 14 november 1995 in verzekering gesteld (pag. 403 resp. 406). Verdachte heeft verklaard (pag. 443) dat hij zijn fiets had weggezet zodat [ex-vriendin verdachte 1] die niet zou zien en dat hij in het schuurtje op [ex-vriendin verdachte 1] is gaan wachten om met haar te praten. Hij is toen door het lint gegaan en heeft uit woede haar vele malen geslagen en geschopt tot zij geen reactie meer gaf en bewegingsloos op de grond lag, waarna hij weg is gegaan. Voorts heeft verdachte verklaard (pag. 451-452) dat hij na het einde van de relatie (op 24 september 1995) nog iedere dag bij [ex-vriendin verdachte 1] is geweest; dat zij toen geen gemeenschap hebben gehad tót de avond of nacht dat de politie aan de woning is geweest; dat hij wil aannemen dat dat op 6 oktober 1995 is geweest; dat hij de avond ervoor (hof: op 5 oktober 1995) naar [ex-vriendin verdachte 1] is gegaan en dat het die avond is gekomen tot gemeenschap. Hij ontkent echter [ex-vriendin verdachte 1] de keel te hebben dichtgeknepen en haar op die manier te hebben gedwongen tot gemeenschap. Verdachte voegt daaraan toe (pag. 454) dat zij na de gemeenschap in de nacht ruzie kregen, waarna [ex-vriendin verdachte 1] is weggelopen en terugkwam (naar haar huis) met de politie. Ook heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad in de nacht van 19 op 20 oktober 1995 haar woning is binnengedrongen door het keukenraam open te breken. Verdachte is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 maart 1996 veroordeeld voor zware mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] op 13 november 1995 te Eindhoven. Ter zake van verkrachting en poging tot zware mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] in de periode van juni 1990 tot 13 november 1995 te Eindhoven en verkrachting van [ex-vriendin verdachte 1] op 13 november 1995 is verdachte bij voornoemd vonnis door de rechtbank vrijgesproken. B.2. Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2014 (Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 498-499) blijkt dat verdachte een Mercedes Benz 200, met kenteken [kenteken] op zijn naam had staan van 15 augustus 1994 tot 27 maart 1996. Verdachte heeft aangifte gedaan van diefstal van deze Mercedes tussen 24 oktober 1995 21.30 uur en 25 oktober 1995 00.45 uur aan het [locatie] te [woonplaats] . Dit voertuig is op 1 december 1995 aangetroffen in het water van de rivier de Aa te ’s-Hertogenbosch. Er is toen door de politie geconstateerd dat er een sleutel in het contactslot zat en geen sporen van braak aanwezig waren. De verzekering weigerde aanvankelijk om tot uitkering over te gaan omdat de verzekering het vermoeden had dat de auto niet gestolen is geweest. De kantonrechter te Utrecht heeft op 20 februari 2002 dit geschil beslecht ten gunste van verdachte (Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 619-622). Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2014 (Proforma dossier map 3, onderzoek Bosuil, pag. 729-738) blijkt het volgende. De toenmalige werkgever van verdachte, [werkgever] te Eindhoven, heeft verklaard dat verdachte in 1995 enkele weken bij hem werkte, dat ze geen bedrijfsauto’s hadden maar dat de werknemers met de eigen auto reden en dat de opdrachten voornamelijk in Eindhoven waren. Ze moesten om 07.30 uur op karwei beginnen. B.3. Door [ex-vriendin verdachte 2] is op 18 maart 2014 (Proforma dossier map 3, onderzoek Bosuil, pag. 467-471) een verklaring afgelegd over haar relatie met verdachte vanaf 1997. Zij heeft verklaard over mishandelingen en verkrachtingen door verdachte. Nadat verdachte veroordeeld was in haar zaak en zijn straf had uitgezeten heeft hij volgens [ex-vriendin verdachte 2] een week nadat hij vrij kwam ‘dat meisje in Valkenswaard ’ verkracht (hof: voor het desbetreffende delict, te weten de verkrachting van [slachtoffer x] , is verdachte bij vonnis van 18 januari 2001 veroordeeld tot o.a. Terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging. Uit een Pro Justitia rapportage van psycholoog A.J. de Groot (Proforma dossier map 1, onderzoek Bosuil, pag. 205-217) d.d. 14 december 2008 opgemaakt in het kader van de verlenging van de TBS, blijkt dat verdachte op dat moment driekwart jaar in De Rooyse Wissel verblijft, nadat de behandeling in FPC Veldzicht (waar hij vijf jaar verbleef) is vastgelopen. Binnen het onderzoek door De Groot is bevestiging gevonden voor de psychodiagnostiek en de classificatie hiervan, zoals deze door Veldzicht en De Rooyse Wissel wordt (hof: en werd) gehanteerd. Er is evident sprake van een B-cluster persoonlijkheidsstoornis, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline- en narcistische trekken, en verslavingsproblematiek. B.4. Verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd, afgezien van de verklaring dat hij onschuldig is. Op 28 september 2015 heeft verdachte bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Verdachte heeft verklaard: - dat het niet zijn DNA is dat is aangetroffen; - dat het enige dat hij kan bedenken is dat er dan een vrijwillig seksueel contact is geweest omdat hij in de periode 1990-1995 veel losse seksuele contacten had; - dat hij in zijn leven maar tweemaal anale seks heeft gehad, namelijk met [ex-vriendin verdachte 2] en met het meisje van het delict waarvoor hij tot TBS veroordeeld is; - dat hij Nicole van den Hurk niet kende. Ter terechtzitting van de rechtbank op 2 november 2015 heeft verdachte verklaard: - dat elke stapavond in seksueel contact eindigde; - dat seks en drank hem een goed gevoel gaven omdat hij een laag zelfbeeld had; - dat hij niet op kinderen valt; - dat toen hij in het huis van bewaring zat in de zaak voor de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] hij een foto zag van Nicole van den Hurk maar dat er bij hem geen lampje ging branden. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 augustus 2018 verklaard dat hij vanaf augustus 1995 werkzaam was bij het tegelzettersbedrijf [naam bedrijf] in Eindhoven maar dat hij ten tijde van zijn arrestatie voor de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] in november 1995 naar eigen zeggen in de ziektewet zat wegens overspannenheid. In de periode voorafgaand aan het delict van 13 november 1995 zou hij naar de huisarts zijn gegaan om kalmerende middelen te vragen omdat hij niet meer tot rust kon komen en slecht sliep. Naar zijn zeggen was de aanleiding dat hij zijn zoon niet meer mocht zien en was hij erg overstuur van de aangifte van verkrachting door [ex-vriendin verdachte 1] en zou hij tijdens de eerste dagen in het huis van bewaring suïcide overwogen hebben. Hetgeen daarover is opgenomen in het reclasseringsrapport van 7 februari 1996 (pag. 729) klopt. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen gemakkelijke jeugd heeft gehad en veel tekort is gekomen omdat zijn ouders er nooit voor hem waren. Hij had geen goede band met zijn ouders. Verdachte hield niet van zichzelf en liet geen anderen toe. Hij was depressief en had veel wisselende seksuele contacten. Dat gaf hem een goed gevoel en vrienden keken daardoor tegen hem op. Er was in die periode sprake van gokken, vechten met voetbalhooligans en veel drank. Begin jaren negentig had hij een relatie met [ex-vriendin verdachte 1] en ze kregen samen een kind. Vanaf het begin is het een relatie van aantrekken en afstoten geweest met veel ruzies. In september 1995 hadden hij en [ex-vriendin verdachte 1] besloten om elkaar niet meer te zien. Op 13 november 1995 heeft verdachte zijn (toen) ex-vriendin zwaar mishandeld. Verdachte heeft die zware mishandeling bekend en heeft daarover verklaard dat hij toen door het lint is gegaan. Hij heeft echter ook verklaard dat hij haar nooit heeft verkracht. Verdachte heeft wel aangegeven dat hij na zijn TBS-behandeling is gaan begrijpen dat het kan zijn geweest dat zijn relaties bang voor hem waren, door hoe hij zich profileerde en dat zij geen nee durfden te zeggen als hij na een ruzie seks wilde hebben, vooral als hij drank op had. Over de gebeurtenis op 5 oktober 1995 waarover [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard, dat er toen politie was gekomen, heeft de verdachte desgevraagd aangegeven dat de politie bij [ex-vriendin verdachte 1] meerdere keren aan de deur is geweest en dat hij daarom niet meer kan zeggen waar hij daarna, ook niet op 6 oktober 1995, naar toe is gegaan. Wellicht is hij naar huis of op stap gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij nog wel weet dat hij aan [ex-vriendin verdachte 1] had gevraagd of hij mee mocht met het uitje naar Amsterdam, maar dat zij dat niet wilde. Op de vraag van de voorzitter waarom hij op 7 oktober 1995 met de taxi was, heeft verdachte verklaard dat hij, als hij al met de taxi was, dan zonder vervoer zal hebben gezeten. Hij nam wel vaker een taxi en als hij op het station was dan kan het zijn dat hij de bus naar [woonplaats] wilde nemen. Verdachte heeft bevestigd dat bij hem sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en verslavingsproblematiek. Hij heeft verklaard dat hij de verkrachting van [slachtoffer x] (in september 2000) heeft bekend. Ook dat feit had te maken met stappen, drank- en drugsgebruik en hoewel hij niet precies wist wat er was gebeurd, wist hij wel dat het niet goed zat. De verkrachting van [slachtoffer x] is te ver gegaan. Hij is toen gestopt met cocaïne en heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door zelf een TBS-behandeling te willen. Hij is zelf als kind misbruikt en weet hoe erg het is om dat mee te maken. Met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen bij het slachtoffer N. van den Hurk heeft verdachte verklaard dat het zijn DNA niet is, maar als daar van uit wordt gegaan, is er sprake geweest van een vrijwillig seksueel contact. In de periode van de vermissing van het slachtoffer keek hij geen televisie en hield hij zich daar niet mee bezig. Toen hij vast zat vanwege de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] (vanaf 13 november 1995) heeft hij wel televisie gekeken maar omdat hij iedere dag blowde was hij van de wereld en kreeg de dingen niet helder. Hij zat slecht in zijn vel en had zelfmoordgedachten. Hij kan niet aangeven, in geval er seksueel contact is geweest met N. van den Hurk, wanneer dat dan geweest is. Hij heeft daar geen herinnering aan. Hij heeft verklaard dat hij wel een verkrachter is maar geen moordenaar. C. Forensisch onderzoek Met betrekking tot de in en op het lichaam van N. van den Hurk en in haar slip aangetroffen sporen bevinden zich in het dossier meerdere deskundigenrapporten en verklaringen van deskundigen. C.1. De bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) Blijkens het NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013 van drs. J. Klaver, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (en ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie) is de wetenschappelijke bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek bepaald voor de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van de slip van het slachtoffer (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 62). De DNA-profielen van [verdachte] (AVA293), [naam vriend] (RAAM5867NL) en het slachtoffer N. van den Hurk (RCD603) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Uit het verrichte vergelijkende DNA-onderzoek is gebleken dat ten aanzien van de bemonsteringen AWA059#04SF en #06SF van de anusuitstrijkjes en AUA106#02SF van de kruis van de slip van het slachtoffer een onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is verkregen en dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [naam vriend] en [verdachte] (AWA059#04SF en AUA106#02SF) c.q. van [verdachte] (AWA059#06SF). In het rapport is omtrent de wetenschappelijke bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek ten aanzien van de verdachte [verdachte] het volgende vermeld: De DNA-mengprofielen van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje zijn complexe onvolledige DNA-mengprofielen. Het aantal celdonoren kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Het is daarom niet mogelijk om een 'standaard' statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten, omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid. Uit informatie van de politie blijkt dat er mogelijk geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de betrokkene [naam vriend] een aantal dagen voor de verdwijning van het slachtoffer. Na deze gemeenschap zou zij dus nog een aantal dagen geleefd hebben. De kans op het aantreffen van spermacellen in het lichaam van levende personen neemt sterk af na verloop van tijd. Desondanks is op grond van de verkregen informatie en de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek voor hypothese 1C, 1D, 3C en 3D (hof: zie hierna) aangenomen dat [naam vriend] één van de celdonoren is. De analyses zijn echter ook uitgevoerd zonder deze aanname. Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon (niet zijnde [verdachte] , [naam vriend] of N. van den Hurk). Vanwege de complexiteit van de DNA-mengprofielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn. Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten met het DNA-profiel van [verdachte] zijn de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek beschouwd onder verschillende hypothesen. Per bemonstering is aangegeven welke hypothesen zijn beschouwd. AWA059#04 (bemonstering anus) hypothese 1A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 1B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 1C: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 1D: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ). De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als de bemonstering DNA van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 1A en 1C) dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 1B en 1D). AWA059#06 (bemonstering anus) hypothese 2A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 2B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese 2A juist is, dan als hypothese 2B juist is. AUA106#02 (bemonstering slip) hypothese 3A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 3B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 3C: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ). hypothese 3D: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ). De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als de bemonstering DNA van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 3A en 3C) dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 3B en 3D). In algemene zin is in het rapport vermeld: De DNA-deskundige van het NFI maakt gebruik van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen, met bijbehorend likelihood ratio interval: De bevindingen van het onderzoek zijn • ongeveer even waarschijnlijk
(1)• iets waarschijnlijker (>1-10) • waarschijnlijker (10-100) • veel waarschijnlijker (100-10.000) • zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000) • extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000) wanneer hypothese I (of II) juist is, dan wanneer hypothese II (of I) juist is. De gebruikte statistische analysemethode is gebaseerd op inzichten die zijn geaccepteerd in de internationale wetenschappelijke gemeenschap van forensisch DNA-deskundigen en statistici. C.
- De bevindingen van Independent Forensic Services (IFS) In het rapport van 20 september 2015 van R. Eikelenboom en J. van der Meij (los opgenomen in het procesdossier, 92 pagina’s plus 2 bijlagen), zijn onder meer de volgende conclusies (pag. 87-90) opgenomen:
- Uit de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) zijn complexe DNA-mengprofielen verkregen. Om aan te kunnen nemen dat de verdachte en [naam vriend] donor van DNA kunnen zijn geweest aan de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) moet bij alle DNA-profielen die zijn verkregen door het NFI en IFS worden aangenomen dat allelic drop-out heeft plaatsgevonden. (…)
- De statistische analyses van TrueAllele aan de DNA-uitslagen van bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06 en de slip (AUA106#02) van het NFI komen overeen met de resultaten van de statistische analyses van het NFI. De bewijswaarde valt echter lager uit dan bij het NFI.
- Het contra-onderzoek van IFS op de bemonsteringen van de anus (AWA059#04) en de slip (AUA106#02) bevestigen de resultaten van het NFI niet. Er zijn bij het onderzoek van IFS minder matchende DNA-kenmerken verkregen met de verdachte en [naam vriend] . Mogelijk is dit veroorzaakt doordat iets minder DNA aanwezig was in de extracten die aan IFS zijn verstrekt dan in die door het NFI zijn gebruikt.
- Het contra-onderzoek van IFS op de bemonstering van de anus (AWA059#06) bevestigt het onderzoek van het NFI, maar ook door IFS zijn geen volledige matches verkregen.
- Het NFI rapporteert bij het toetsen van de hypothesen over de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) de hoogste verbale conclusie ‘extreem veel waarschijnlijker’, dit zou overeenkomen met een likelihood ratio van meer dan één miljoen. Dat is echter aanzienlijk hoger dan de likelihood ratio die TrueAllele heeft berekend. Op grond van alle DNA resultaten en statistische analyses zou een verbale conclusie van ‘waarschijnlijker’ voor hypothese 3c (de bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte en één willekeurig onbekend persoon) meer gepast zijn. (…)
- Wanneer alle sporen worden bestudeerd waaruit geen (zeer) partiële matches zijn verkregen dan valt op dat de verdachte mogelijk DNA heeft bijgedragen in drie sporen (AUA106#02SF), kruis slip slachtoffer, AWA059#04SF, anus slachtoffer en AWA059#06SF, anus slachtoffer) en de betrokkene [naam vriend] vijf keer (AUA107#11SF, bemonstering van het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer, AUA106#02SF, kruis slip slachtoffer, AUA106#03SF, kruis slip slachtoffer, AWA059#04SF, anus slachtoffer en AWA059#06SF, anus slachtoffer). (…)
- Op grond van het biologische sporen- en DNA-onderzoek is er steun voor de hypothese dat de verdachte en [naam vriend] sperma aan de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) hebben bijgedragen.(…)
- (…) Op grond van het biologische sporenonderzoek is er steun voor de hypothese dat zowel verdachte als [naam vriend] anaal geslachtsverkeer hebben gehad met het slachtoffer vlak voor of na haar dood. Het is mogelijk dat het slachtoffer vlak voor haar dood seksueel op verschillende momenten met de verdachte en [naam vriend] anaal contact heeft gehad, maar het slachtoffer heeft daarna zeer waarschijnlijk geen anale ontlasting meer gehad. (…) In het rapport van IFS (pag. 47-48, 67 en 71) wordt ten aanzien van de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en #06SF vermeld dat IFS de autosomale DNA-profielen die door het NFI waren verkregen aan Cybergenetics/TrueAllele gestuurd heeft om statistische analyses uit te voeren. Vrij vertaald geeft Cybergenetics/TrueAllele aan: - ten aanzien van spoor AUA106#02SF Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 342 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlandse persoon. - ten aanzien van spoor AWA059#04SF Op grond van de analyse met behulp van TrueAllele is er geen steun voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen. - ten aanzien van spoor AWA059#06SF Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 58.600 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen. C.
- De bevindingen van Institute of Environmental Science and Research Limited (verder: ESR) In opdracht van de rechtbank heeft de deskundige J.S. Buckleton, hoofdwetenschapper bij het ESR in Nieuw-Zeeland, rapporten uitgebracht. In zijn rapport van 3 juni 2016 komt Buckleton met gebruikmaking van het computermodel STRMix tot een berekening waarbij het sporenbeeld van AUA106#02 168 biljoen keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen. In zijn rapport van 5 augustus 2016 heeft Buckleton met betrekking tot spoor AWA059#04 berekend dat het sporenbeeld 2,08 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen. Voor spoor AWA059#06 geldt dat het sporenbeeld 23.900 keer waarschijnlijker is onder de hypothese dat verdachte en twee onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen dan wanneer drie onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen. Deskundige Buckleton heeft naar aanleiding van vragen van de verdediging van 17 mei 2016 in een schriftelijke verklaring aangegeven dat, kijkend naar alle methodes, uiterst sterk bewijs voor de inclusie van verdachte voor monster #02SF aanwezig is en matige tot zeer sterke ondersteuning voor inclusie van verdachte voor monsters #04SF en #06SF. C.
- Ter gelegenheid van de zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 heeft de rechtbank deskundige drs. J. Koopman opdracht gegeven, met tussenkomst van de rechter-commissaris, een NFI-rapportage op te maken waarin de puntschattingen (gemaakt met het programma MixCal) worden genoemd en tevens de cijfers die uitkomst waren van de berekeningen (LRMix) waar drop-outkansen handmatig zijn ingevoerd, leidend tot twee uitkomsten: één met toepassing van het laagst gehanteerde drop-out-kans en één met het hoogst gehanteerde drop-out-kans. Dit heeft geleid tot een aanvullende rapportage van het NFI d.d. 12 juli 2016, opgemaakt door drs. J. Koopman. In het rapport is het volgende opgenomen: Namens de rechter-commissaris is, naar aanleiding van de zitting in deze zaak op 13 juli jl. (hof: 13 juni 2016), verzocht om de bewijskracht zoals vermeld in de rapportage van 1 oktober 2013 nader te preciseren, te weten door: 1) Een begrenzing (minimum en maximum) van de bewijskracht te geven die voor de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF kan worden berekend ten aanzien van de in het rapport van 1 oktober genoemde hypotheses, op basis van een inschatting van de minimale en maximale te gebruiken drop-outkansen met het programma LRmixStudio, in gebruik bij het NFI. 2) Een schatting van de bewijskracht zoals onder 1) te geven die is verkregen met het programma MixCal, eveneens in gebruik bij het NFI. LRmixStudio en MixCal zijn twee programma's die door het NFI worden gebruikt voor berekeningen aan DNA-mengsels. Beide programma's zijn met name ontworpen om te kunnen rekenen aan mengsels waarbij niet van alle donoren alle DNA-kenmerken zijn bepaald. Als een DNA-kenmerk van een donor niet zichtbaar is in het DNA-profiel spreekt men van een drop-out. Het programma LRmixStudio neemt altijd aan dat de kans op drop-out voor alle onbekende donoren van het mengsel gelijk is. Het programma MixCal kan rekenen met een verschillende drop-out-kans voor elke donor van de bemonstering. Dit is uiteraard met name interessant wanneer de drop-out-kansen van de donoren in werkelijkheid verschillend zijn. Het model lijkt dan meer op de realiteit en zal daardoor een betere bewijskracht uitrekenen. Het programma MixCal is recent gevalideerd. Voor de profielen in deze zaak geldt dat de drop-out-kansen van de verschillende donoren naar inschatting van de DNA-deskundige niet veel van elkaar verschillen. Om die reden zijn de eerder gerapporteerde resultaten gebaseerd op berekeningen met het programma LRmixStudio. Om de hierboven genoemde vraag 1) van de rechter-commissaris te beantwoorden is voor alle bemonsteringen een minimale drop-out-kans van 0,3 en een maximale drop-out-kans van 0,8 genomen. LRmixStudio berekent zelf ook een inschatting van de meest waarschijnlijke drop-out-kansen en deze inschattingen passen in alle gevallen in het interval tussen 0,3 en 0,
- Om vraag 2) van de rechter-commissaris te beantwoorden is met MixCal een puntschatting berekend. Deze puntschatting is geheel door de computer berekend, afgezien van de keuze van het aantal veronderstelde donoren. Hiervoor is telkens drie genomen. MixCal berekent de bewijskracht voor elke combinatie van drop-out-kansen en berekent dan een gewogen gemiddelde. In dit gewogen gemiddelde telt een bewijskracht verkregen bij drop-out-kansen die de DNA-profielen beter verklaren relatief zwaarder mee dan een bewijskracht verkregen bij drop-out-kansen die de DNA-profielen slechter verklaren. De deskundige hoeft in dit geval dus niet meer zelf drop-out-kansen in te schatten. In het reguliere zaaksonderzoek worden dergelijke puntschattingen niet gerapporteerd, maar wordt (op basis van berekeningen met het programma LRmixStudio of MixCal) een getallenrange of ordegrootte gerapporteerd. In dit geval is de deskundige hiervan op specifiek verzoek van de rechtbank afgeweken. Bewijskracht ten aanzien van de verdachte [verdachte] Er wordt een overzicht gegeven van de nieuw berekende resultaten, de berekende intervallen voor de bewijskracht met LRmixStudio uitgaande van drop-out-kansen tussen 0,3 en 0,8 en de met MixCal berekende puntschatting. De resultaten van LRmixStudio en MixCal zijn niet gelijk aan elkaar omdat MixCal gebruik maakt van een rekenmodel dat een verfijning is van het model dat LRmixStudio gebruikt. Spoor AUA106#02: De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn: LRmixStudio: tussen 1 miljard en 6 miljard Puntschatting met MixCal: 180 miljard keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] , en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Spoor AWA059#04: De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn: LRmixStudio: tussen 120 duizend en 1,7 miljoen Puntschatting met MixCal: 1 miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] , en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Spoor AWA059#06: De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn: LRmixStudio: tussen 130 duizend en 470 duizend Puntschatting met MixCal: 1,2 miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, en van twee onbekende, niet aan hem of aan elkaar verwante personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA van drie onbekende, niet aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. C.
- DNA-deskundige T.J.P. de Blaeij is op 9 september 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard: dat zij een rol had in de fase dat er nog geen verdachte in beeld was; dat het NFI van het nog aanwezige sporenmateriaal met behulp van nieuwe technieken nieuwe profielen heeft gemaakt; (hof: naar aanleiding van de vraag van de raadsman hoeveel kenmerken zijn vastgesteld in het spoor van de anus) dat dat niet uitmaakt voor het vaststellen van de bewijskracht van een gevonden overeenkomst, dat het gaat om de statistische evaluatie, die is uitgevoerd door collega Klaver; dat niet de aantallen kenmerken bepalend zijn, maar het complex aan aantallen kenmerken die overeenkomen, die niet overeenkomen, de zeldzaamheid daarvan, het aantal donoren, de kans op een bepaald soort artefacten, drop-ins, drop-outs, stotterpieken etcetera; dat dit tegenwoordig in de nieuwste generatie statistische modellen, die het NFI toepast sinds 2012, zit en dat sinds 2013 of 2014 die methode standaard is bij complexe DNA-mengprofielen; dat het NFI een geaccrediteerd instituut is; dat in dit geval, en dat zal altijd zo zijn, interpretatie van de resultaten plaatsvindt door een deskundige op basis van diens expertise; dat met de statistische tools de ‘human factor’ wel wordt geminimaliseerd; dat zij in haar rapport van 18 december 2012 een beschrijving geeft op basis van de LCN profielen, waarin alle drop-ins en drop-outs etc. voorkomen (hof: Forensisch dossier deel 3, bijlage 61, in welk rapport is vermeld dat verdachte op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het kruis van de slip van het slachtoffer); dat onderzoek een aantal malen wordt herhaald om een zo compleet en betrouwbaar mogelijk beeld te krijgen, wat het NFI het consensus profiel noemt; dat het gaat om de beschrijving van de overeenkomsten en de verschillen; dat de waarde pas kan worden bepaald aan de hand van het daarop volgende statistische onderzoek, waarbij twee hypothesen het uitgangspunt vormen; dat zij een dergelijke duidelijke indicatie bij geen van de andere vergeleken personen heeft aangetroffen, met uitzondering van de vriend van het slachtoffer; dat mevrouw Klaver de door De Blaeij verkregen DNA-profielen als input heeft gebruikt en alle informatie tot haar beschikking had. DNA-deskundige drs. J. Klaver is op 19 juni 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard: dat zij bij haar onderzoek wist dat er een verdachte in beeld was, anders kan zij dat onderzoek niet doen; dat er statistisch gezien geen verschil is indien een verdachte in beeld komt via tactisch onderzoek, dan wel via een DNA-databank match; dat op de vraag bij hoeveel DNA-kenmerken je van een volledig profiel kunt spreken het antwoord is dat dat wisselt omdat elke persoon twee kenmerken krijgt van de vader en van de moeder en die kunnen elkaar op de 15 plekken waar naar wordt gekeken, overlappen; dat er wordt uitgegaan van volledigheid als er 25 tot 30 kenmerken zichtbaar zijn waarbij dan wel de hoogte van de pieken in aanmerking moet worden genomen; dat zij een diagram toont dat de samenvatting behelst van drie individuele analyses op het spoor AUA106#02SF (hof: kruis slip) en dat zij basis van haar deskundigheid tot de conclusie komt dat het hier om de kenmerken van minimaal drie personen gaat, vanwege het totaal aantal allelen en het aantal allelen op de individuele loci (hof: plaatsen); dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van meer dan drie personen; dat de standaardanalyses nauwelijks pieken lieten zien en daarom een LCN techniek is gebruikt; dat er in dit geval drie keer een analyse is gedaan uit hetzelfde bronmateriaal, omdat zij vinden dat ze in hun werkwijze beter kunnen inschatten wat de kans is dat pieken wegvallen; dat al haar onderzoeken door minimaal 1 andere deskundige worden gecontroleerd; dat haar rapporten van 13 september 2013 en 1 oktober 2013 (hof: rapport van 1 oktober 2013 betreft een herziene versie van het rapport van 13 september 2013) door een collega zijn geschaduwd en haar rapport van 27 februari 2014 door een andere collega, en dat deze collega’s niet zelf hebben gerapporteerd in deze zaak; dat in totaal drie deskundigen ernaar hebben gekeken; dat bij de eerste rapporten discussie is geweest over de aanwezigheid van (wel of niet) een derde persoon; dat zij (de deskundige) uiteindelijk een combinatie van pieken in een spoor en in een referentiemonster heeft en die vormen voor haar haar statistische model; dat het NFI een model hanteert dat gebruik maakt van de aanwezigheid of afwezigheid van pieken; dat het NFI sinds 2012 werkt met hetzelfde model, dat daarover ook is gepubliceerd in een internationaal tijdschrift en dat het model gevalideerd is en zij daar zelf bij betrokken is; dat bij validatie wordt gekeken of het programma technisch doet wat het moet doen en daarvoor wordt gecontroleerd op programmeursfouten. Verder is sprake van het gebruik van parameters die moeten worden ingevoerd, het invoeren van het aantal donoren en van de kans op het wegvallen van allelen. Het gaat dan om het inzicht in de gevolgen van het verkeerd invoeren van de parameterwaardes. In verband daarmee is een richtlijn tot stand gekomen betreffende het maximaal aantal mismatches bij een x aantal donoren; dat de hele interpretatie niet geaccrediteerd is; dat, gevraagd naar de toegevoegde waarde van accreditatie, dit niets zegt over de betrouwbaarheid van de techniek maar alleen iets over de wijze waarop je als organisatie de procedures volgt om de techniek correct toe te passen; dat het NFI niet beschikt over een piekhoogtemodel; dat in de onderhavige zaak een piekhoogtemodel ook niet van toegevoegde waarde zou zijn; dat het NFI er voor heeft gekozen zelf een model te ontwikkelen, dat het voordeel daarvan is dat je begrijpt wat er gebeurt en het NFI wil weten waar een model wel of niet betrouwbaar is; dat in de bemonsteringen drie persoonsprofielen zaten; dat als alle pieken verklaard zijn met betrekking tot het profiel van [naam vriend] en dat van verdachte, een aantal pieken over blijft; dat in de lijn van de verwachting ligt dat die dan het slachtoffer betreffen maar daar heeft het NFI geen steun voor kunnen vinden, althans het is niet goed mogelijk om over de aan- of afwezigheid van cellen van het slachtoffer een eenduidige uitspraak te doen; dat los van de context je die overblijvende pieken zou kunnen toedichten aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan; dat contaminatie nooit is uit te sluiten; dat ze werken onder de richtlijnen van de International Society of Forensic Genetics. C.
- Ter terechtzitting van 9 en 10 november 2015 en 13 juni 2016 zijn de DNA-deskundigen drs. J. Koopman en dr. R. Eikelenboom gehoord over het door hen verrichte onderzoek en aanverwante onderwerpen. Op 13 juni 2016 is ook J.S. Buckleton als deskundige gehoord. In deze verhoren is onder meer volgende verklaard: Met betrekking tot de bemonstering, de sporen, de toegepaste technieken en methodes Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015: Koopman: - De sporen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 zijn bij nieuw onderzoek veiliggesteld. Er waren nog delen van wattenstaafjes over. Die zijn veiliggesteld, geïsoleerd en gesplitst in een werk- en een contra-extract. Ten behoeve van het contra-onderzoek heeft het NFI de stukken van overtuiging bewerkt en verstrekt aan IFS (pag. 46). Er wordt altijd eerst een standaard DNA-onderzoek gedaan met de NGM-kit, waarbij het NFI altijd kijkt naar de 15 loci op het DNA. Als er zo weinig DNA in het monster zit, is die techniek niet geëigend en dan kan de LCN (hof: Low Copy Number)-techniek worden gebruikt. Ten aanzien van de sporen AWA059#04, #06 en AUA106#02 is de LCN techniek toegepast. De LCN-methode ziet op de techniek van vermeerdering. Als er weinig DNA is, kan dat zichtbaar gemaakt worden bij kopiëren. LCN ziet erop hoeveel kopieerstappen er worden genomen (pag. 46). Een DNA-profiel wordt grafisch weergegeven met piekenprofielen. Onder elke piek staat een getal. Dat doet het programma (pag. 47). Als er weinig DNA in de bemonstering aanwezig is, dan is te verwachten dat niet alle DNA-kenmerken van de donoren zichtbaar zijn in het DNA-profiel. Soms wordt een piek gezien en soms niet. Daarom worden verschillende keren DNA-profielen gemaakt. Omdat er zo weinig DNA is en door de gebruikte techniek is het normaal dat niet elk resultaat hetzelfde DNA-profiel oplevert (pag. 48). Het lichaam van het slachtoffer is zes weken na haar verdwijning aangetroffen. Het verbaast niet dat het DNA erg beschadigd was. Er zijn monsters genomen van het lichaam van het slachtoffer zelf, waar haar DNA zelf niet in kon worden teruggevonden. Dat zegt wel iets over hoe gedegenereerd het was. Het is heel bijzonder om na zo een lange periode überhaupt nog DNA aan te treffen waarvan na onderzoek nog goede resultaten kunnen worden verkregen. Het verbaast mij niet dat er geen enkelvoudige profielen vervaardigd zijn kunnen worden, ondanks dat er spermacellen zijn waargenomen (pag. 48). Voor de onderhavige sporen is de scheiding (lysisfractie) toegepast (pag. 49). Als IFS andere kits heeft gebruikt, dan is het logisch dat zij naar andere plaatsen op het DNA heeft gekeken. Er zal ook overlap zijn (pag. 50). Er zijn inderdaad andere resultaten (het hof begrijpt gelet op de vraag van de oudste rechter: piekenprofielen) verkregen, maar dat betekent niet dat deze niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Het gaat uiteindelijk om de bewijskracht voor de stelling of een persoon donor is of niet. Uit beide onderzoeken volgt een bewijskracht en die kan naast elkaar worden gelegd (pag. 50). Hoe meer loci op het DNA worden onderzocht, hier robuuster de bewijskracht berekend kan worden (pag. 51). Het NFI is wat stringenter voor wat betreft de vraag wanneer zij iets geschikt acht voor vergelijkend DNA onderzoek. Het wordt pas geschikt gevonden daarvoor als er een bewijskracht aan kan worden gegeven. Immers een piek heeft alleen een meerwaarde als de bewijskracht daarvan op betrouwbare wijze kan worden berekend. Bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ kan dat niet betrouwbaar worden berekend. Omdat die bewijskracht niet betrouwbaar kan worden berekend, vinden we het niet geschikt om te betrekken bij vergelijkend DNA-onderzoek (pag. 52). Als ik verwacht dat er veel ‘allelic drop-out’ zal zijn, dan laat ik ook meer ‘allelic drop-out’ toe. Het is geen willekeur, zoals de raadsman stelt. Voordat ik een DNA-profiel ga vergelijken, maak ik een inschatting van wat ik zal gaan zien. Als het bijvoorbeeld een DNA-profiel betreft, waarin weinig DNA zit, dan verwacht ik, ook als ik het DNA-profiel van de donor er naast leg, niet dat ik al de kenmerken van die donor terug zal zien. Het is dus wel een subjectieve aanname. In de onderhavige profielen zit zo weinig DNA, dat ik verwacht dat ik pieken mis (pag. 58). Vooraf schatten we het aantal donoren in op basis van het aantal pieken die we zien. Op basis van piekhoogte kunnen we een inschatting maken of er een reële kans is dat we pieken niet zien. Zelfs als we op lange stukken DNA een bepaalde piekhoogte zien, dan schatten we de kans dat we nog pieken missen van die persoon laag in. Op basis van het DNA-profiel maken we die inschatting. Dan halen we nog geen referentieprofiel van de betreffende persoon erbij. Ik kijk naar de piekenprofielen en op basis daarvan maken we een verbale beschouwing van het profiel. Het wordt vastgelegd in het dossier en er wordt door een andere deskundige naar gekeken (pag. 59). De beginvaststelling heeft invloed op de uiteindelijke resultaten. We berekenen alle mogelijkheden en we rapporteren de meest conservatieve waardes voor de bewijskracht. We rapporteren alleen de veilige ondergrens (pag. 59-60). Ik ben nauw betrokken geweest bij het ontwikkelen van het statistische model dat het NFI gebruikt. Dit programma heette toen de rapporten werden opgemaakt LR-Mix en nu LR-Studio. Ons programma is veel simpeler dan TrueAllele. Het neemt namelijk alleen mee of er een piek er wel is of niet. TrueAllele neemt ook de piekhoogte mee. De hoogte van de piek geeft aan hoeveel DNA er in zit. De bewijskracht die TrueAllele kan leveren is hoger dan de bewijskracht die het programma van het NFI kan leveren, maar alleen als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt in het mengprofiel. In een LCN-spoor geeft een piekhoogte niet meer zoveel informatie. Het kan zijn dat bij de ene keer een piek hoog is en bij de andere keer de piek niet eens wordt waargenomen. De hoogte van de piek is geen echt betrouwbare informatie (pag. 60). De LR (hof: likelihood ratio) wordt uitgedrukt in een getal. Een exact getal is niet mogelijk. Een range tussen 10.000 en een miljoen noemt het NFI ‘zeer veel waarschijnlijker’ (pag. 60). Extreem veel waarschijnlijker is een miljoen of meer (pag. 61). Voordat we een verwachting hebben uitgesproken waar de ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden, weten we welke datapunten voor ons relevant zijn (pag. 61). De noodzaak om de software te ontwikkelen was gelegen in het feit dat het NFI van heel veel profielen de bewijskracht niet kon berekenen. We hebben gekeken hoe we het model nog beter kunnen maken. Voor ons gevoel zijn het de puntjes op de ‘i’, maar voor de bewijskracht levert het nauwelijks meer op, omdat we in de meeste gevallen al in de hoogste categorie bewijskracht uitkomen die we nu gedefinieerd hebben (pag. 62). Het stoffelijk overschot lag er al zes weken en de wijze waarop toen werd bemonsterd moet goed in ogenschouw worden genomen. De lichaamsdelen staan allemaal in nauw contact met elkaar. Er waren toen ook andere bemonsteringstechnieken (pag. 69). (Hof: In antwoord op de vraag van de raadsvrouw mr. Van der Hut of de sporen uit de anale bemonstering eigenlijk afkomstig kunnen zijn uit de vagina, maar vanwege decompositie van het lichaam uiteindelijk in de anale bemonstering zijn aangetroffen) Dit zou mogelijk kunnen zijn. Ik zeg dit vanuit mijn algemene kennis dat beide lichaamsopeningen in contact staan met de slip en dat in beide bemonsteringen van de slip spermacellen zijn aangetroffen en ik zeg dit ook op basis van kennis over de wijze van bemonstering, dat het minder nauwkeurig er aan toe ging (pag. 69). Ik zou het liever bij seksueel contact houden, kijkend naar de zes weken buiten en de afhankelijkheid van de sporen (pag. 70). Toen ik bezig was met het ontwikkelen van de software, heb ik mij veel verdiept in piekhoogtemodellen. Ik heb kennis van de achtergrond van die modellen. Piekhoogte informatie meenemen in de modellen vind ik een goed idee, maar alleen als die piekhoogte daadwerkelijk relevant is (pag. 75). Ik ben het niet eens met Eikelenboom dat het aannemen van ‘allelic drop-out’ (hof: bij een door de oudste rechter ter sprake gebrachte tabel waarin 28 kenmerken van de 30 zijn genoteerd voor wat betreft verdachte) in het nadeel van verdachte is. Ik heb ongeveer 200 statistische analyses gedaan en het lijkt erop dat ook in de DNA-profielen waar veel ‘allelic drop-out’ is, er toch extreem hoge bewijswaardes uit komen (pag. 82). Ook het ontbreken van DNA-kenmerken heeft een waarde. Niet gezegd kan worden dat aangenomen wordt dat er twee kenmerken ontbreken en dat dan voor de rest van de DNA-kenmerken een matchkans wordt berekend. Dat is heel erg in het nadeel van de verdachte. Matchende pieken geven steun aan de hypothese dat verdachte donor kan zijn, maar ontbrekende pieken geven steun aan de andere hypotheses. Daarom is het juist van belang om die ontbrekende pieken mee te wegen in de berekening. En dat doen beide programma’s (pag. 83). Samenvoegen van de tabellen van de DNA-profielen van spoor AUA106#02 van respectievelijk het NFI en IFS is zeker mogelijk, maar in dit specifieke geval is het lastig om te combineren. Bovendien heeft het NFI op basis van de resultaten van het NFI al de hoogste bewijskracht gerapporteerd bij dit spoor. Het enige wat ik wel kan zeggen is dat het nog meer steun biedt voor de hypothese dat verdachte één van de donoren is, maar het NFI zal niet tot een hogere bewijskracht komen, omdat we al in de hoogste bewijskrachtcategorie zitten (pag. 92). Er is sprake van ‘allelic drop-out’, dat is gebleken (pag. 95) Er hoeft niet van tevoren gezegd te worden dat een bepaalde piek een ‘allelic drop-out’ is. Er wordt door het NFI slechts een inschatting gemaakt van de kans dat ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden en vervolgens wordt daarmee de kans op een DNA-profiel berekend (pag. 95). Drop-in is een piek die niet is toe te schrijven aan een donor. Het kan een in gedwarrelde piek zijn of een stotter. We weten dat het bij LCN-profielen niet meer dan 10% is. Drop-in corrigeert voor alle pieken die we niet willen toeschrijven aan een donor (pag. 100). In het verleden hebben we altijd gekeken naar enkelvoudige DNA profielen met een bewijswaarde groter dan een miljard en nu kijken we naar een complex mengprofiel waaraan toch zo’n grote bewijswaarde kan worden gekoppeld. Het is goed om te beseffen dat de bewijskracht van een enkelvoudig profiel een bewijskracht heeft van 10 tot de 22ste. Zoveel informatie zit er in een enkelvoudig profiel. We hebben thans een complex mengprofiel. Als we 9 nullen van dit immense getal halen, dus een miljard aan bewijskracht verliezen, dan is de bewijskracht nog steeds groter dan 1 op 1 miljard en dus zitten we dan nog steeds in de hoogste verbale schaal (pag. 100-101). De drie sporen komen allemaal bij elkaar in de buurt. De vraag die beantwoord moet worden is of het celmateriaal van verdachte is. Het maakt niet uit of één, twee of drie keer in de hoogste categorie van waarschijnlijkheid wordt uitgekomen. De waarschijnlijkheidsgraden moeten niet met elkaar verbonden worden. Voor mij zou één keer de hoogste waarschijnlijkheidsgraad voldoende zijn (pag. 103). NFI-onderzoeken zijn allemaal op bronniveau. De vraag hoe het materiaal er is gekomen, is niet door het NFI beantwoord (pag. 104). Er komt één getal uit voor alle drie replica’s gezamenlijk. Ik kan de puntschatting en sensitiviteitsanalyse geven. Gekeken wordt dan hoe gevoelig de waarde is voor de aanname van ‘allelic drop-out’ (pag. 114). Per spoor wordt de meest conservatieve waarde gegeven. De ondergrens die het NFI geeft is ook echt de ondergrens. De bewijswaarde ligt dus in ieder geval hoger (pag. 114). Er is een tand onder het stoffelijk overschot aangetroffen en bemonsterd. Er ontbrak ook een tand. Het idee was dat er mogelijk aanraaksporen op die tand aanwezig zouden kunnen zijn. Dat onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Op de tand is zelfs het DNA-profiel van het slachtoffer niet meer aangetroffen (pag. 109). Eikelenboom: IFS maakt gebruik van de MiniFiler-kit en Identifiler Plus-kit (pag. 46). De Identifiler-kit onderzoekt een paar verschillende locaties vergeleken met de NGM-kit. Het verkrijgt dus iets andere resultaten. Ook worden veel dezelfde locaties onderzocht (pag. 47). Bij minimale sporen en zeker bij complexe mengsels kan je vooraf verwachten dat ‘allelic drop-out’ optreedt bij donoren. Sperma is normaal gesproken een zeer goede bron van DNA. Dat is anders bij aanraaksporen. Er zijn spermakoppen waargenomen in de preparaten. Er heeft decompositie plaatsgevonden van het lichaam. De spermakoppen zijn microscopisch waargenomen door mijzelf en het NFI. Als deze nog intact zijn dan blijft het DNA in die kop ook redelijk intact (pag. 48) Ik heb in 1995 onderzoek verricht aan deze zaak bij het NFI. Ik heb de spermakoppen met eigen ogen gezien destijds. Ik heb in 1995 sporenonderzoek verricht op de Afdeling Biologie (toen nog Serologie). Deze afdeling is de huidige DNA afdeling. Ik geloof dat ik de sporen op de slip en de anus heb veiliggesteld. Ik heb de gegevens van mijn waarnemingen in 1995 en van de foto’s die later door het NFI zijn genomen gecombineerd (pag. 50). In deze zaak zijn niet heel veel spermakoppen aangetroffen en afbraak en decompositie hebben een rol gespeeld. Hierdoor neemt de kans op ‘allelic drop-out’ wel toe (pag. 50). Het contra-onderzoek staat in beginsel los van het onderzoek van het NFI. De rechtbank heeft wel gelijk, dat de resultaten gecombineerd kunnen worden. Er zijn drie sporen: twee van de anus en één van de slip. Het NFI heeft per spoor 10 tot 15 profielen vervaardigd en het IFS ook
- Er zijn dus 25 profielen van één spoor gemaakt. Geen enkel profiel is hetzelfde. In deze zaak zijn extreem complexe mengprofielen verkregen waaraan minimaal drie donoren hebben bijgedragen (pag. 51). Het NFI neemt dan een consensusprofiel, waarbij een aantal resultaten bij elkaar worden genomen. IFS gebruikt een composietprofiel, waarbij alle resultaten die zijn verkregen in het profiel worden gebruikt (pag. 51). Een artefact is bijvoorbeeld een luchtbelletje. Dat kan een piek veroorzaken, terwijl het geen piek is. De computer vergist zich daar soms in en een deskundige kan dat herkennen (pag. 51). Het NFI is van oordeel dat een piek alleen een meerwaarde heeft als de bewijswaarde daarvan op een betrouwbare wijze kan worden berekend en het NFI vindt dat dat bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ niet betrouwbaar kan worden berekend. IFS kijkt daar anders tegenaan. Als pieken niet overeenkomen met een verdachte, dan zijn ze per definitie ontlastend (pag. 52). Het aannemen van ‘allelic drop-out’ kan in het nadeel van een verdachte zijn (pag. 58). In de stringente lysisfractie kunnen wel eens niet-spermacellen aanwezig zijn, omdat die dan doorlekken. Je kunt dan wel zien dat er sperma gedoneerd is geweest, maar niet door wie (pag. 69). In 1995 werkte ik nog bij het NFI. Ik ben zelf bij het sporenonderzoek betrokken geweest. Dat er sperma vanuit de vagina naar de anus is gebracht bij de bemonsteringen is regelmatig voorgekomen. Mijn conclusie geldt echter nog steeds. Als de bemonsteringen juist zijn genomen, zou je dit sporenbeeld verwachten bij anale seks (pag. 70). Het NFI en IFS onderzoeken niet dezelfde loci. Beiden onderzoeken wel 15 loci (pag. 94). Ik ben het eens met deskundige Koopman dat er sprake is van ‘allelic drop-out’ (pag. 95). Zitting rechtbank 13 juni 2016: Koopman: Ik kan de onderliggende getallen presenteren, omdat we nu met een verbeterde versie van het programma werken, MixCal. Er is een verbeterde versie van het programma LRmix, dat zelf de drop-out-kansen berekend. Het programma is echter nog niet gevalideerd en gepubliceerd (pag. 25). (Hof: Mededeling oudste rechter: de deskundige Koopman kan twee getallen geven, aan elke kant van de drop-out range en daarnaast een puntschatting) Ik kan inzicht verschaffen in de getallen en ik zal ook de puntschatting geven (pag. 26). Ik heb de cijfers, maar ik maak hierbij een kanttekening. Als de cijfers de status van een NFI-deskundigenrapport krijgen, dan verlang ik dat deze eerst geschaduwd worden door een tweede NFI-deskundige (pag. 27). Er wordt om een puntschatting verzocht in plaats van ranges. Het verandert niets aan de resultaten ten aanzien van spoor 02SF (pag. 36). Eikelenboom: Iedere replica/vermeerderingsprocedure levert een ander resultaat op. Als het slechte kwaliteit is, dan kan de bewijswaarde omlaag gaan, maar als er bijvoorbeeld extra allelen worden aangetroffen, die niet in de andere profielen zijn aangetroffen en die met de verdachte matchen, dan kan de bewijswaarde omhoog gaan (pag. 12). Koopman en ik hebben geen twijfel over het aantal donoren. Wij gaan beiden uit van drie donoren. In ons onderzoek hebben we andere DNA-kits gebruikt. Als we de delen die overeenkomen over elkaar leggen, dan zien we ook op meerdere locaties vijf kenmerken (pag. 18). Met betrekking tot het aan deskundige Eikelenboom verstrekte materiaal en daarmee verricht onderzoek, waaronder het aantal replica’s Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015: Koopman: Ten behoeve van het contra-onderzoek heeft het NFI de stukken van overtuiging bewerkt en verstrekt aan IFS (pag. 46). De piekenprofielen die het NFI heeft vervaardigd zijn verstrekt aan IFS (pag. 47). Een klein beetje vermindering van kwaliteit van het DNA, bijvoorbeeld door tijdsverloop, kan het verschil in resultaten verklaren (pag. 55). Dezelfde resultaten van TrueAllele kunnen verwacht worden, mits alle vier replica’s per spoor zijn doorgerekend (pag. 62). Gebruik maken van een programma dat gebruik maakt van piekhoogte informatie is alleen relevant als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt. Ik maak me zorgen dat in de berekening van TrueAllele de piekhoogte als relevant is aangeduid, terwijl hij dat niet is. Dat blijkt uit de verschillende replica’s. Als er door TrueAllele slechts één replica gebruikt wordt en daarop wordt de bewijskracht berekend, dan kan het programma niet zien dat de piekhoogte niet betrouwbaar is. Als TrueAllele alle replica’s gezamenlijk kan beoordelen, maak ik mij geen zorgen, want ik weet dat het een goed programma is (pag. 63). Op basis van korte lezing van het rapport van IFS denk ik dat TrueAllele telkens maar één replica berekend heeft en dan kan het misgaan (pag. 63-64). Als er maar één replica is gebruikt, dat is dat een derde of een kwart van alle data. Als maar één replica wordt gebruikt, dan worden veel data gemist en is de verwachting dat uit de data veel minder bewijskracht wordt gehaald dan wanneer alles gezamenlijk wordt betrokken (pag. 72). Destijds is geprobeerd om alle individuele ‘samples’ bij elkaar te voegen en daarvan een DNA-profiel te maken. Dat noemt het NFI een poolprofiel. Het NFI heeft daar in de berekeningen niets mee gedaan, want het staat niet onafhankelijk van de vier replica’s. Het is namelijk samengevoegd. Het NFI heeft met het poolprofiel niets gedaan in de bewijswaarde (pag. 73). Ik heb het poolprofiel niet gebruikt voor mijn berekening en TrueAllele kennelijk wel. Dat verklaart mogelijk waarom er een verschil is in de resultaten (pag. 74). TrueAllele heeft het poolprofiel gebruikt en ik drie replica’s. Er is dus een verschil van input en dat kan het verschil in output verklaren (pag. 75). In het verleden dachten we dat het bij elkaar voegen van resultaten van afzonderlijke replica’s en het daarvan opnieuw een profiel maken, mogelijk een meerwaarde had. Het leverde echter niet bijzonder veel meer informatie op en voor een statistische berekening kon het niet worden gebruikt, want daarvoor zijn juist die individuele replica’s van belang. Het poolprofiel kan eigenlijk worden gezien als een samenvatting van de rest. Dat er wordt gezocht naar de meest informatieve replica, zoals IFS heeft laten doen, kan ik me wel voorstellen. Ik ben alleen nog steeds tegen het kiezen van één replica uit de hele dataset. Dit is een voorbeeld van data niet meewegen. We hoopten dat het poolprofiel als geheel meer zou zijn dan de som der delen, maar dat bleek niet zo te zijn (pag. 75-76). De meerwaarde is om de verschillende replica’s samen te voegen, omdat je dan kan meenemen dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen. Juist dat is de informatie die waardevol is in deze analyse en die informatie mis je als je maar één replica bekijkt (pag. 76). Naar aanleiding van wat gisteren (hof: 9 november 2015) op de zitting is gezegd, heb ik mij afgevraagd wat er zou gebeuren als dezelfde input zou worden gebruikt. Wat ik verwachtte is ook daadwerkelijk gebeurd: ook uit mijn programma volgt een lagere bewijskracht als slechts met één replica gerekend wordt. Dit komt doordat minder informatie in de berekening wordt meegenomen (pag. 91). Het aantal replica’s verschilt per spoor. Ik heb voor AUA106 drie replica’s gebruikt en voor de andere sporen (AWA059) vier replica’s (pag. 98). Het is van belang om zoveel mogelijk informatie mee te nemen. Om die reden neemt het NFI de resultaten van de drie replica’s gezamenlijk mee in de berekening. Als maar één replica meegenomen wordt, dan zakt ook de bewijskracht met de methode die het NFI hanteert. Ik verwacht dat de piekhoogte informatie in de TrueAllele-berekening wordt meegenomen. Gisteren (hof: zitting 9 november 2015) is gezien dat het hele onbetrouwbare informatie is. De ene keer is de ene piek hoog en de andere keer is de andere piek hoog. Ik denk dat doordat deze onbetrouwbare informatie is meegenomen in de berekening van TrueAllele de bewijswaarde nog lager uitkomt (pag. 98). De pool is eigenlijk weer een nieuw enkelvoudig DNA-profiel van een ‘gepoold’ extract. Het zijn dus niet de drie afzonderlijke replica’s die worden meegenomen in één statistische berekening. Het is als het ware een vierde replica en op die ene replica is de berekening gemaakt. Daar zit piekhoogte-informatie in die ook meegenomen wordt in de statistische berekening die TrueAllele uitvoert. Als TrueAllele alle verschillende profielen in één berekening zou kunnen meenemen, dan zou het programma kunnen zien dat in de ene replica de ene piek hoog scoort en in de andere replica de andere piek, en dan zou dat gecorrigeerd kunnen worden (pag. 98). Eén replica gebruiken in plaats van de hele dataset, en daarnaast de piekhoogte meenemen, is onbetrouwbaar (pag. 99) Het computerprogramma TrueAllele kan niet meerdere replica’s tegelijkertijd analyseren. StarMix (hof: STRMix) is een piekhoogtemodel dat vergelijkbaar is met TrueAllele, maar kan wel met verschillende replica’s rekenen. StarMix wordt regulier gebruikt in onderzoeken in Australië en Nieuw-Zeeland (pag. 98-99). Eikelenboom: Het materiaal voor contra-onderzoek is aan IFS verstrekt. Het NFI heeft aan IFS de extracten van de DNA-monsters verstrekt (pag. 45). IFS heeft uit de contra-extracten ook zelf profielen vervaardigd (pag. 47). Wat aan TrueAllele is gestuurd, betroffen niet de profielen van IFS, maar de profielen van het NFI. IFS heeft de profielen van het NFI verstrekt aan TrueAllele en daarmee laten rekenen (pag. 53). (Hof: In antwoord op de vraag of hetgeen IFS zelf aan de extracten heeft gedaan dan verder geen rol meer heeft gespeeld) Een statistische analyse van deze soort profielen, waarbij zoveel ‘allelic drop-out’ moet worden aangenomen had weinig zin. TrueAllele zal dan geen verband meer zien tussen een spoor en een persoon (pag. 53) De computer kijkt vooral naar DNA-kenmerken. De computer kan er wel eens naast zitten. Er kijken vervolgens ook twee specialisten naar de resultaten. Als zij bij heranalyse bepalen dat er wel degelijk sprake is van een kenmerk, dan komt het in het rapport (pag. 53). Het zijn extracten met veel afgebroken DNA. Extracten nu
(2015)zijn meer verouderd dan ten tijde van het onderzoek van het NFI in
- We weten wel zeker dat DNA van het slachtoffer vrij rondzweeft in de bemonsteringen. Het feit dat in het anusuitstrijkje van het slachtoffer haar DNA niet gedetecteerd is en geen match oplevert, heeft natuurlijk te maken met DNA-afbraak. Dat zegt niet dat er geen DNA is. Er heeft mogelijk toch DNA-afbraak plaatsgevonden in die laatste jaren (pag. 54-55). IFS heeft gebruik gemaakt van composietprofielen. Bij een composietprofiel neem je alles bij elkaar (pag. 57). IFS heeft alle profielen van het NFI verkregen (pag. 57). IFS heeft de DNA-profielen van het NFI opgestuurd naar Cybergenetics. Cybergenetics heeft met het programma TrueAllele statistische analyses uitgevoerd op de profielen van het NFI. True-Allele past ook de likelihood-ratio (LR) toe (pag. 60). TrueAllele gebruikt informatie over de kans op ‘allelic drop-out’. Dat zijn complexe formules. Er zijn allerlei formules die gebruikt kunnen worden bij de aanname van ‘allelic drop-out’. Kijkend naar de composietprofielen en de ruwe data, kan worden gezien dat ‘allelic drop-out’ ook moet worden aangenomen op een kort DNA-fragment. Dat is minder waarschijnlijk, maar het moet wel worden meegenomen. ‘Allelic drop-out’ kan in beginsel op iedere locus plaatsvinden, maar gemiddeld genomen komt het bij langere fragmenten vaker voor (pag. 62). IFS gebruikt ook verbale schalen bij toetsen van hypotheses. Steun, geringe steun, enige steun, betreffen mijn gevoel. Er zitten geen getallen aan vast (pag. 62). Er moet voorzichtigheid worden betracht om aan te nemen dat op de plaatsen waar de kenmerken van verdachte ontbreken ‘allelic drop-out’ heeft plaatsgevonden (pag. 63). Cybergenetcis heeft de eerste keer alles grof bekeken. Ze hebben een selectie gemaakt van het beste profiel en dat wekenlang geanalyseerd (pag. 71). Ik trek de bevindingen van TrueAllele niet in twijfel. Er zit veel minder subjectiviteit in. TrueAllele doet ook subjectieve aannames. Zij doen ook aan ‘allelic drop-out’. Ik weet niet wat het programma precies voor aannames doet. Het is een beetje een ‘black box’ (pag. 72). De berekening is gebaseerd op één replica (pag. 72). Cybergenetics screent alle losse profielen en vervolgens hebben ze de beste replica gebruikt en daarop heeft de analyse plaatsgevonden (pag. 73). Er is gerekend met de pool (pag. 73). TrueAllele heeft het profiel gebruikt dat het meest informatief is. Dat is de reden dat met deze replica is gerekend en niet met de andere. Ik kan met zekerheid zeggen dat het poolprofiel is gebruikt (pag. 74). Het poolprofiel is een eerlijker weergave van hetgeen er daadwerkelijk in zit dan de losse replica’s (pag. 77). Bij TrueAllele bepaalt de computer de kans op stutters en artefacten (pag. 83). Ik heb met Mark Perlin van TrueAllele gemaild. Uit de e-mails volgt dat er geen instellingen handmatig worden ingevoerd. Het programma berekent de factoren van ‘allelic drop-out’. Het programma houdt rekening met ‘allelic drop-out’, stotterartefacten. Het aantal donoren kan wel enigszins bijgesteld worden (pag. 91-92). Kijkend naar het poolprofiel dan zien we dat er minimaal vijf DNA-kenmerken zichtbaar zijn op meer dan twee locaties en dus weten we daaraan ten minste drie donoren hebben bijgedragen (pag. 92). (Hof: Naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie over spoor AUA107#06SF en het gegeven dat Eikelenboom in zijn rapport een aantal malen spreekt over “meerdere betrokkenen”) Als er zo weinig bewijswaarde is, heb ik ervoor gekozen om slechts te spreken van betrokkenen. De bewijswaarde van deze sporen is nihil (pag. 112). (Hof: naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie over spoor AWA059#06NF en welke hypothese concreet is bedoeld in Eikelenbooms rapport op pagina 69, wie deze heeft opgesteld, welke hypothese(n) hier tegenover staat/staan, en hoe de waardering van de hypothese dan beoordeeld dient te worden) IFS bezigt schrijftaal. Het heel uitgebreid opnemen van hypothesen maakt het rapport onleesbaar. De ene hypothese is dat verdachte DNA heeft bijgedragen en de andere hypothese is dat verdachte geen DNA heeft bijgedragen. Ik vind het wel voldoende duidelijk. Ik erken dat het anders formuleren van hypotheses statistisch gezien meer correct zou zijn (pag. 112). Met betrekking tot het aantal donoren en mogelijke contaminatie Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015: Koopman: - Er is een aanwijzing dat een onbekende persoon celmateriaal heeft achtergelaten, maar niet bekend is wanneer dat zou zijn gebeurd. Ik wil het graag hebben over de wijze waarop destijds werd bemonsterd en decontaminatie. Decontaminatie is het voorkomen dat er vreemd DNA op de wattenstaafjes terechtkomt voordat de bemonstering plaatsvindt. Ook na de bemonsteringen werd er heel anders omgegaan met wattenstaafjes, bijvoorbeeld na secties. Een wattenstaafje kon toen best nog even op de labtafel liggen. Nu wordt daar veel zorgvuldiger mee omgegaan en wordt zoiets afgesloten verpakt. We moeten dus rekening houden met de periode waarin de bemonsteringen zijn gedaan. De context waarin de sporen zijn genomen moet niet uit het oog worden verloren bij het interpreteren van het extra celmateriaal dat gevonden is. Wanneer is het celmateriaal op de wattenstaaf gekomen, zat het er al, op welke plaats zat het? Er zijn zaken uit het verleden bekend, zeker toen we LCN-technieken gingen gebruiken, dat een onbekende persoon uiteindelijk een medewerker van een wattenstaaffabriek bleek te zijn. Contaminatie kan dus één van de mogelijkheden zijn voor de verklaring dat naast drie genoemde personen er ook een aanwijzing is dat een onbekende donor celmateriaal zou kunnen hebben gedoneerd (pag. 77-78). Als ik de statistische analyse bekijk, dan bestaat er steun voor de hypothese dat iemand anders donor is dan Nicole van den Hurk (pag. 78). (Hof: In antwoord op de vraag van raadsvrouw mr. Van der Hut of dit ook gezegd kan worden als het om SF-bemonsteringen gaat) Het idee van de stringente lysisfractie is om de overige cellen te scheiden van de spermacellen. Een contaminatie van wattenstaafjes met spermacellen is zeer onwaarschijnlijk. In dit geval hebben we te maken met heel weinig DNA, dus contaminatie is wellicht toch de meest reële verklaring voor het aantreffen van extra pieken. Een persoon kan overigens een man of een vrouw zijn (pag. 78). Toen het spoor werd veiliggesteld bestond de eliminatiedatabank nog niet. Toen het tweede deel van het wattenstaafje is onderzocht, in 2011, wel (pag. 78). Eikelenboom: - De spermafractie speelt wel een rol, omdat je contaminatie sneller verwacht in de nucleaire (milde) fractie, dan in de spermafractie. Het is bekend dat niet-spermacellen kunnen doorlekken in de spermafractie. Echter als die scheiding echt goed gelukt is, dan is dat onwaarschijnlijk. En dan heb je sperma van drie donoren. Contaminatie bij pathologie vind ik een reële optie. Zeker gezien de wijze waarop destijds werd gewerkt. Dit zou dan echter wel in de nucleaire fractie terecht zijn gekomen (pag. 78). (Hof: Geconfronteerd door raadsvrouw mr. Van der Hut met een citaat uit het IFS-rapport, pagina 51: “Ten minste één persoon heeft een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd. De combinatie van de verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, de verdachte [verdachte] en de overige betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract.”, en de daaraan gekoppelde vraag of het waarschijnlijker is dat een mannelijke persoon dit heeft gedoneerd of een vrouwelijke) Dit is een moeilijke vraag. Er komt helemaal geen Y-chromosomaal DNA-profiel uit. Dat is vreemd, want als de differentiële lysis goed gelukt is, dan zou je daarin in theorie alleen maar mannelijk DNA verwachten, want al het vrouwelijke DNA zou gefilterd moeten zijn in de nucleaire fractie. Omdat er bij het Y-chromosomale onderzoek geen resultaten zijn verkregen, zijn er dus geen aanwijzingen voor mannelijk DNA. Dit betekent echter niet dat er geen man gedoneerd kan hebben, omdat de autosomale kits gevoeliger zijn dan de Y-chromosomale kits. In dit geval weet ik niet of het een mannelijke of vrouwelijke donor is (pag. 79). Sperma heeft de grootste kans op overleven, dus dit maakt het wel waarschijnlijker dat het een mannelijke donor was (pag. 80). (Hof: In antwoord op de vraag van de jongste rechter of deskundige Eikelenboom de conclusie van het NFI deelt dat een ander persoon donor kan zijn geweest) Deze conclusie deel ik ten aanzien van de drie sporen. De vraag is alleen of het een man of vrouw is. Ik denk dat het een man is geweest gezien de spermafractie en de decompositie (pag. 80). Zitting rechtbank 13 juni 2016: Buckleton: - (Hof: Geconfronteerd met een passage uit zijn rapport van 3 juni 2016: “Alhoewel ik alle monsters heb behandeld als een mix van drie personen, is dit geen voor de hand liggende beslissing. De locus en replicatie waar ik het over heb duidt het sterkst op een mix van drie personen: D22S1045 in AWA059#06SF replica 4 met vijf allelische pieken. De meeste of alle andere replicaties van de drie verschillende monsters zouden beschreven kunnen worden als wijzend op een mix van twee personen.”) Deze passage mag zo begrepen worden dat ik op slechts één locus een aanwijzing zie voor drie donoren in plaats van twee. Dat komt omdat op dat locus vijf allelen te zien zijn. Ik denk dat er waarschijnlijk drie donoren zijn geweest. De aanwezigheid van vijf allelen kan alleen worden uitgelegd als afkomstig van twee personen als ‘allelic drop-in’ wordt verondersteld of als een stotterpiek niet als allel wordt gezien. Ik kan niet zien of het een stotterpiek is of dat er sprake is van ‘allelic drop-in’ (pag. 16-17). Kijkend naar dezelfde locus op spoor #04SF zie ik op de 3e replica de kenmerken 11, 16 en 17, op de 2e replica de kenmerken 11, 15, 16 en 17 en bij replica 1 (29 + 5) de kenmerken 11, 13, 15, 16 en
- Dat zijn dus vijf allelen (pag. 17). De conclusie mag worden getrokken dat bij twee sporen op dezelfde locus vijf allelen te zien zijn (pag. 17). De aanwezigheid van vijf allelen in locus D22 in replica 4 van spoor #06SF is een redelijke zuivere aanwijzing voor drie donoren (pag. 17). Met betrekking tot deskundigheid, validatie, accreditatie en het door Buckleton uitgevoerde onderzoek Zitting rechtbank 10 november 2015: Koopman: (Hof: In antwoord op de vraag of de door het NFI gebruikte DNA-profilering methodes gevalideerd en geaccrediteerd zijn.) Ik heb een aantal statistische analyses uitgevoerd. Het NFI beschikt over een gevalideerd programma dat heel gebruikersvriendelijk is. Er bestaat ook een werkversie waarmee uitgebreidere analyses kunnen worden gedaan. De werkversie heet MixCal. Het gevalideerde programma heb ik zojuist op de terechtzitting laten zien en de bewijskracht komt uit dat programma. De werkversie is formeel niet gevalideerd met een validatierapport, maar er is wel uitvoerig onderzocht of het programma dezelfde resultaten geeft als het gevalideerde programma. Validatie komt voor accreditatie (pag. 110). Het NFI kijkt of de software goed werkt en of de theoretisch kloppende formules die in het programma zijn ingevoerd goed geprogrammeerd zijn. Er heeft dus een technische validatie plaatsgevonden (pag. 110). Op het moment van uitbrengen van het rapport was de software wel grondig gecheckt, maar nog niet gevalideerd. Dit staat ook in het rapport. Uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou nu hetzelfde uitkomen, omdat er sindsdien niets is gewijzigd in het programma (pag. 110). De werkversie heb ik in ongeveer 200 tot 300 zaken gebruikt sinds 2013 (pag. 110). Er kan gesteld worden dat er verschillende statistische analyses hebben plaatsgevonden, maar deze zijn telkens door hetzelfde programma uitgevoerd. Het programma dat ik zojuist heb laten zien en de werkversie zijn door twee personen onafhankelijk van elkaar geprogrammeerd. Uit beide programma’s komen dezelfde resultaten. Technisch gezien doen de programma’s wat ze moeten doen (pag. 111). Er heeft geen externe ‘peer review’ plaatsgevonden. Dat is geen routine, ook niet bij de complexe mengprofielen in dit specifieke geval (pag. 111). Zitting rechtbank 13 juni 2016: Buckleton: Er is een nieuw rapport van 3 juni 2016 opgemaakt, omdat in het eerste rapport een vergissing was gemaakt. De allelen 15,3 en 17,3 van de referentieprofielen waren aanvankelijk fout door ons ingegeven als 15,2 en 17,
- Na het constateren van de fout ben ik opnieuw gaan rekenen. De sporen #02SF en #06SF zijn door mij herberekend. Het spoor #04 is niet gewijzigd en dus niet herberekend. De gegevens voor spoor #04SF waren goed ingevoerd. Ik heb dat zelf gecontroleerd (pag. 7-8). Ik vond het uitdagende sporen. De piekhoogte en de piekaanwezigheid varieerden sterk tussen de verschillende replica’s (pag. 15-16). Ik maakte me over twee dingen zorgen. Ten eerste de variabiliteit van de profielen. Deze zorg was zeker gebaseerd op de data. Mijn andere zorg was de noodzaak om een onbekende persoon in de hypothese op te nemen. Ik had informatie over een onbekende persoon ontvangen in deze zaak. Ik had een beschrijving en analyse gekregen van deze zaak en de consensus voorstellen waarvan ik was gevraagd deze te onderzoeken (pag. 16). Ik zeg dat het niet realistisch is om een volledige validatie uit te voeren voor slechts één zaak (pag. 19). In antwoord op de vraag van deskundige Eikelenboom welke drop-out-ratio is gebruikt voor STRmix: de drop-out-ratio is berekend in STRmix en deze is verschillend voor elke allele positie. Het is volledig uit het profiel bepaald (pag. 21). Het TrueAllele-resultaat verandert het STRmix-resultaat niet (pag. 31). Het feit dat TrueAllele alleen aan het poolprofiel heeft gewerkt, zou het verschil in getallen mogelijk kunnen verklaren (pag. 32). Koopman benadrukt het belang van replica’s en daarin heeft ze gelijk. Replica’s zijn zeer waardevol bij ‘low template’ DNA. Alles in aanmerking genomen denk ik dat het standpunt van Koopman correcter is aangaande het benadrukken van het belang van replica’s (pag. 33-34). Koopman: Met de toelichting van Buckleton bestaat er bij mij geen twijfel dat de juiste input van bestanden door hem zijn gebruikt. Wij hebben de bestanden per e-mail verstuurd (pag. 9). Ik heb vier replica’s opgestuurd, alsook het poolprofiel. Ik heb gezegd dat het poolprofiel niet gezien kan worden als een afzonderlijke replica. Wat mij betreft kunnen de 29+5 replica’s gecombineerd worden met de overige replica’s. Ik hoor Buckleton zeggen dat hij dat ook heeft gedaan. Dat zou valide resultaten moeten opleveren (pag. 10-11). Ik zou graag van deskundige Buckleton willen horen wat de betere rekenmethode is: met één poolprofiel (één replica) of met zoveel mogelijk replica’s (pag. 12). Van alle drie de sporen hebben we vier replica’s. We hebben gezien dat er bij één spoor (#02SF) een mislukt resultaat (replica) is. De verschillende replica’s moeten vergelijkbaar zijn, dezelfde parameters moeten ingesteld kunnen worden. Het is belangrijk dat Buckleton voor spoor #02SF niet alle replica’s meeneemt in zijn berekening, omdat hij dan een replica toevoegt die mislukt is. Die replica is wel verstrekt aan hem (pag. 12). Ik heb voor alle drie sporen de vier replica’s opgestuurd (pag. 13). Voor spoor #02SF is het 29+5 profiel dermate afwijkend en van slechte kwaliteit, en bevat het minder informatie, dat ik vind dat het niet te combineren is met de andere replica’s (pag. 13). Het model van Buckleton leest al de verschillende replica’s in. Dat was het voordeel ten opzichte van van TrueAllele, dat maar met één replica tegelijk werkt (pag. 15). Als STRmix gebruikt moet worden om data te analyseren, dan is het noodzaak om het programma op het laboratorium af te stemmen. Het afstemmen van het model op het laboratorium zal een kleine verandering in de resultaten met zich brengen, maar de verschillen in resultaten zullen volgens Buckleton niet significant zijn (pag. 19). Buckleton heeft fouten gemaakt in zijn eerste rapport. Buckleton is echter wel één van de meest vooraanstaande DNA-statistici die met deze modellen werken. Ik heb veel waardering voor zijn rapport, de wijze waarop hij zijn resultaten heeft gepresenteerd en dat hij duidelijk heeft aangegeven waar hij twijfels over heeft (pag. 23) Buckleton is een zeer geleerd persoon die zelf dit soort modellen heeft ontwikkeld en de hele geschiedenis van deze DNA-statistische modellen heeft meegemaakt (pag. 23). Buckleton heeft geschreven dat in de meest brede zin alle methodes uiterst sterk bewijs suggereren voor de inclusie van AVA (hof: verdachte) voor monster #02SF en matige tot zeer sterke ondersteuning voor de inclusie van AVA (hof: verdachte) voor monsters #04SF en #06SF. Ik sluit me aan bij het oordeel van Buckleton (pag. 23). Eikelenboom: Buckleton is de ontwerper van STRmix. Het is aan hem om te beoordelen hoe betrouwbaar de data zijn (pag. 19). De deskundigheid van Buckleton staat zeker niet ter discussie (pag. 24). De resultaten van LRmix en STRmix komen redelijk met elkaar overeen. TrueAllele heeft enkele afwijkende resultaten laten zien. Dat heeft te maken met alle verschillende variabelen die door TrueAllele (en overigens ook STRmix) worden gebruikt (pag. 24). (Hof: De oudste rechter deelt mede dat voor de hypothesen “verdachte, [naam vriend] en een onbekende” versus “ [naam vriend] en twee onbekenden” STRmix op 1,68x10 tot de 14e en MixCal op 4 miljard komt.) In beide gevallen is er zeer veel steun voor de hypothese dat verdachte donor is van het DNA. Er leven zeven miljard mensen op de aarde. Of de kans nu één miljard is of tien miljard, dat maakt niet meer zoveel uit. Het is zeer sterk bewijs (pag. 29). Het verschil tussen 1,68x10 tot de 14e en 4 miljard maakt niet dat beide programma’s (of één daarvan) onbetrouwbaar zijn. Het is verklaarbaar uit de verschillen van benadering van de twee modellen. De continue modellen gebruiken zoveel meer informatie, dat als er een match is, dan komt dat veel sterker naar voren. Het verbaast mij niet dat de getallen uit de continue modellen astronomisch hoger zijn dan de getallen uit de binaire modellen (pag. 30). C.
- De bevindingen van Principal Forensic Services (PFS) In hoger beroep heeft dr. J. Whitaker, forensisch DNA-deskundige van PFS uit het Verenigd Koninkrijk, op 1 december 2017 een rapport uitgebracht. Hij concludeert dat het naar zijn mening niet mogelijk is om op een degelijke en betrouwbare manier de resultaten van de DNA-profilering in deze zaak op activiteitenniveau te evalueren. Dit komt voort uit de onzekerheid van de aannames op sub-bronniveau, de onzekerheid omtrent de toewijzing van DNA aan lichaamsvloeistoffen, de moeilijkheid om sperma op de anale uitstrijkjes specifiek te associëren met anale seks en andere aspecten die te maken hebben met de relevantie en de bevindingen met betrekking tot het misdrijf in kwestie. Echter, bij gebrek aan een alternatieve verklaring voor de bevindingen levert de sub-bronniveau-evaluatie bewijsmateriaal op ter onderbouwing van de bewering dat DNA van verdachte aanwezig is en impliceert het dat het slachtoffer enige tijd voor haar dood op enigerlei wijze contact met hem heeft gehad waarbij zijn DNA werd overgebracht naar haar genitale gebied. D. De bevindingen van de politie en het NFI met betrekking tot de jas van het slachtoffer en de daarop aangetroffen haren, waaronder haar ALA045 Met betrekking tot de jas van het slachtoffer en de daarop aangetroffen haren, waaronder haar ALA045, bevinden zich in het dossier diverse deskundigenrapporten en verklaringen. Naar het materiaal van de