GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.243.561/01 arrest van 23 oktober 2018 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van Bewindvoering Regio [vestigingsnaam] B.V., in hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [de rechthebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. S.H.J. van der Linden te Venlo, tegen Stichting Woonwenz, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. J.M.H. van den Mosselaar te Best, op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 mei 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante - de bewindvoerster - als gedaagde en geïntimeerde - Woonwenz - als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6337042\CV EXPL 17-7591) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep met grieven tevens eis in incident met producties; - de antwoordmemorie in het incident van Woonwenz met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.
- Het hof gaat voor de beoordeling van de incidentele vordering uit van de navolgende feiten: 3.1.
- Bij beschikking van 22 mei 2012 is [de rechthebbende] (hierna: [de rechthebbende] ) onder bewind gesteld met benoeming van Bewindvoering Regio [vestigingsnaam] B.V. tot bewindvoerster. 3.1.
- [de rechthebbende] huurt vanaf 1 augustus 2013 een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) van Woonwenz. 3.1.
- In eerste aanleg heeft Woonwenz de ontbinding van deze huurovereenkomst gevorderd alsmede de ontruiming van de woning, nadat in de woning op 28 juli 2016 een in werking zijnde hennepkwekerij was aangetroffen. 3.
- De kantonrechter heeft bij vonnis van 9 mei 2018 de tussen [de rechthebbende] en Woonwenz bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbonden en de bewindvoerster veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwenz te stellen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nadat de kantonrechter het verweer om daartoe niet over te gaan, gemotiveerd heeft verworpen. 3.
- De bewindvoerster kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis en is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. In het onderhavige incident vordert zij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Woonwenz heeft deze vordering gemotiveerd betwist. 3.
- Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en bij tenuitvoerlegging een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan. Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, waarvan met name sprake kan zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe - door incidenteel eiser te stellen - omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen; hieronder vallen dus niet omstandigheden die reeds aanwezig waren voor de staat van wijzen, maar die door partijen in de procedure in eerste aanleg niet zijn aangevoerd. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven. 3.
- De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg - toekomt. Reeds hierin ligt het belang van Woonwenz bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad besloten. 3.
- Tegenover voornoemd belang van Woonwenz stelt de bewindvoerster dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor [de rechthebbende] een noodtoestand tot gevolg zou hebben, omdat [de rechthebbende] dan geen onderdak meer zou hebben. De bewindvoerster voert in dat kader - samengevat - aan dat [de rechthebbende] drie inwonende minderjarige kinderen met een beperking heeft. Door de problematiek van de kinderen kan zij niet zomaar ergens anders gaan wonen. Ook zal alle hulpverlening stagneren en kunnen de kinderen geen onderwijs volgen op het moment dat het gezin op straat komt te staan. De stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid die voor de kinderen van wezenlijk belang zijn komt alsdan direct in het gedrang waardoor de kinderen ernstig in hun ontwikkeling zullen worden geschaad. Indien [de rechthebbende] de woning dient te ontruimen, zal ook zijzelf gelet op haar gezondheidstoestand in een noodtoestand komen te verkeren. [de rechthebbende] heeft ondersteuning en stabiliteit nodig om zich te kunnen blijven handhaven. Voorts is het ook voor haar kinderen van wezenlijk belang dat [de rechthebbende] hen kan blijven ondersteunen. Indien het vonnis ten uitvoer wordt gelegd is het voor [de rechthebbende] tevens onmogelijk om via Woonwenz of een andere woningstichting een huurwoning te huren. [de rechthebbende] is dan aangewezen op een particuliere huurwoning, maar kan deze gelet op haar inkomen niet huren, terwijl op het moment dat [de rechthebbende] zou moeten verhuizen naar een andere gemeente haar bijstandsuitkering, waarvan zij en haar gezin afhankelijk zijn, op de tocht zal komen te staan, aldus de bewindvoerster. 3.
- De vraag die thans dient te worden beantwoord, is of de bewindvoerster nieuwe omstandigheden aanvoert die na afweging van de belangen kunnen meebrengen dat het belang van [de rechthebbende] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist, alsnog dient te prevaleren boven het belang van Woonwenz om niet langer te wachten op hetgeen haar, althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg, toekomt. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord. Hetgeen de bewindvoerster aanvoert met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van [de rechthebbende] is, zo leidt het hof af uit de processtukken en het vonnis in eerste aanleg, ook al aangevoerd in eerste aanleg. Deze omstandigheden zijn, anders dan de bewindvoerster meent, ook door de kantonrechter meegenomen bij de door hem gemaakte belangenafweging (vgl. r.o. 4.3 van het bestreden vonnis). Uit r.o. 4.2, laatste volzin van het bestreden vonnis blijkt dat de kantonrechter tevens rekening heeft gehouden met het tijdsverloop tussen de ontdekking van de hennepkwekerij en het starten van de ontbindingsprocedure door Woonwenz. Voor zover de bewindvoerster stelt dat bij tenuitvoerlegging een noodtoestand ontstaat, omdat [de rechthebbende] dan haar huisvesting verliest, overweegt het hof dat dit een aan ontruiming inherente omstandigheid is die ook al bij de belangenafweging door de kantonrechter is betrokken en die dus evenmin kan worden aangemerkt als een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat de zaak in staat van wijzen is gekomen. In zoverre is in het kader van dit incident voor een nieuwe belangenafweging geen plaats. Daar komt bij dat [de rechthebbende] , die er in ieder geval reeds sinds de dagvaarding in eerste aanleg d.d. 18 september 2017, waarbij Woonwenz ontruiming van de woning heeft gevorderd, terdege rekening mee moest houden dat zij elders woonruimte diende te zoeken, niets heeft aangevoerd over inspanningen die zij sedertdien heeft verricht om in aanmerking te komen voor andere woonruimte en ook onvoldoende is gesteld of gebleken dat op geen enkele wijze vervangende woonruimte voor [de rechthebbende] beschikbaar is, terwijl [de rechthebbende] ook haar stelling dat zij na ontruiming van de woning op straat komt te staan op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het enkele feit dat er naar mening van [de rechthebbende] nieuw bewijs voorhanden is in de vorm van de door mevrouw [getuige] op 9 juli 2018 bij de rechter-commissaris in strafzaken afgelegde getuigenverklaring, is evenmin een relevante nieuwe omstandigheid die tot een nieuwe afweging van belangen dient te leiden nu de getuige verklaart over het onder bedreiging dwingen van [de rechthebbende] tot het dulden van de hennepkwekerij en deze omstandigheid reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht. Overigens sluit het hof zich bij de overwegingen van de kantonrechter aan in het kader van de belangenafweging in dit incident. 3.
- Ten aanzien van de door [de rechthebbende] aangevoerde grond “juridische of feitelijke misslag” is het hof van oordeel dat [de rechthebbende] aan haar vordering onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag. [de rechthebbende] stelt slechts dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten om een door [de rechthebbende] voorgedragen getuige te horen. Van een (kennelijke) juridische of feitelijke misslag als hiervoor omschreven is pas sprake wanneer het evident is dat het bestreden vonnis op een vergissing berust. Daarvan is nog geen sprake wanneer ook een andere beslissing - het horen van de door [de rechthebbende] voorgedragen getuige - mogelijk was geweest. De stelling van [de rechthebbende] dat de kantonrechter zou hebben miskend dat [de rechthebbende] en haar gezin nergens terecht kunnen indien [de rechthebbende] de woning dient te ontruimen, kan evenmin tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis leiden. Dat [de rechthebbende] het niet eens is met het desbetreffende oordeel van de kantonrechter is daartoe onvoldoende. De bezwaren van [de rechthebbende] tegen het desbetreffende oordeel van de kantonrechter zullen aan de orde kunnen komen in de hoofdzaak. Het hof kan in het incident niet vooruitlopen op de beslissing in de hoofdzaak. Bovendien dient de kans van slagen van het door [de rechthebbende] ingestelde hoger beroep in dit stadium buiten beschouwing te blijven. Het vonnis van de kantonrechter berust dan ook niet op een (kennelijke) misslag die de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis rechtvaardigt. 3.
- Voor het overige heeft de bewindvoerster geen omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 3.4 aangevoerd die een schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep rechtvaardigen. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van de bewindvoerster zal worden afgewezen. De bewindvoerster zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. In de hoofdzaak 3.
- Uit de roladministratie blijkt dat Woonwenz op de rol van 16 oktober 2018 haar memorie van antwoord heeft genomen. Het hof zal de zaak thans verwijzen naar de rol van 6 november 2018 voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; veroordeelt de bewindvoerster in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van Woonwenz tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.074,- aan salaris advocaat; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 6 november 2018 voor beraad partijen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 oktober
- griffier rolraadsheer