GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.184.770/01 arrest van 6 februari 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, verder: [appellante] , advocaat: mr. J.A.M.G. Vogels te Roermond, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, verder: [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.T.J. Gorissen te Heerlen, als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 15 maart 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 530120 CV EXPL 13-4853 tussen partijen gewezen vonnissen van 26 februari 2014, 4 juni 2014, 1 oktober 2014 en 8 juli 2015. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 15 maart 2016; het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 12 april 2016; de memorie van grieven van [appellante] van 21 juni 2016 met producties; de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van [geïntimeerde] van 30 augustus 2016 met producties; de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellante] van 11 oktober 2016 met producties; de akte van [geïntimeerde] van 22 november 2016 met een productie; de antwoordakte van [appellante] van 17 januari 2017. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg 6De gronden van het hoger beroep In het principaal appel en in het incidenteel appel Voor de tekst van de drie grieven van [appellante] in het principaal appel en de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel wordt verwezen naar de memories van grieven. 7De verdere beoordeling In het principaal appel en in het incidenteel appel 7.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. Partijen zijn buren. [appellante] is sinds 1959 eigenares van de vrijstaande woning met tuin aan de [adres 1] te [plaats] . [geïntimeerde] is sinds 2001 samen met zijn echtgenote eigenaar van de vrijstaande woning met tuin aan de [adres 2] te [plaats] . De erven van partijen grenzen aan de zijkant aan elkaar. De [weg] bevindt zich in het bebouwde gedeelte van het dorp [plaats] , dat deel uitmaakt van de gemeente [plaats] . Tussen partijen bestaan sinds 2008 geschillen over de bomen in de tuin van [appellante] en de overlast die [geïntimeerde] daarvan zegt te ondervinden. Correspondentie tussen de advocaten van partijen begin 2013 heeft niet tot een oplossing geleid. 7.2 Bij dagvaarding van 7 juni 2013 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellante] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat hij overlast ondervindt van de bomen in de tuin van [appellante] doordat hierdoor de lichtinval in zijn tuin aanzienlijk wordt beperkt, sprake is van overvloedige bladval die met name hinderlijk is voor het zwembad in zijn tuin, de begroeiing in zijn eigen tuin wordt belemmerd en gevaarzetting optreedt. Volgens [geïntimeerde] is door dit alles sprake van onrechtmatige hinder van de kant van [appellante] . Op grond hiervan vorder [geïntimeerde] , samengevat, veroordeling van [appellante] om de bomen in haar tuin te snoeien en te knotten, op verbeurte van een dwangsom. [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerde] bestreden. Volgens haar veroorzaken de bomen in haar tuin geen onrechtmatige hinder aan [geïntimeerde] . Ook beroept [appellante] zich op verjaring en stelt zij subsidiair dat de situatie hoogstens zou moeten worden teruggebracht tot die in 2001 of 2013. 7.3 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen bepaald die op 21 oktober 2013 heeft plaatsgevonden. Bij tussenvonnis van 26 februari 2014 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te reageren op een door [appellante] overgelegde expertiserapport van [beheer] van 9 december 2013. In dit rapport worden de relevante bomen aangeduid met de nummers 1 tot en met 12. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 4 juni 2014 het uitbrengen van een deskundigenbericht over de situatie ter plaatse noodzakelijk geoordeeld en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Bij tussenvonnis van 1 oktober 2014 heeft de kantonrechter Angeline Mette van Groenvisie Mette tuinarchitectuur, boomveiligheidscontrole en boomtaxatie te [plaats 2] tot deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 18 november 2014 rapport uitgebracht. Hierin wordt eerdergenoemde nummering van de bomen gevolgd. Bij eindvonnis van 8 juli 2015 heeft de kantonrechter de bevindingen van het rapport van deskundige Mette tot uitgangspunt genomen en aan de hand daarvan als volgt beslist. [appellante] is veroordeeld om, samengevat: de kroon van boom 5 rondom met 20% in te korten; boom 6 te verwijderen dan wel in te korten tot minimaal één meter boven de spanband, welke aan de stam bevestigd is op enkele meters hoogte; de bomen 7 en 8 in te korten met ca. 100 cm; van de bomen 9 en 10 de (overhangende) takken met 100 cm in te korten; de bomen 11 en 12 met 500 cm in te korten; met bepaling dat [appellante] deze werkzaamheden uiterlijk 30 november 2015 volledig moet hebben uitgevoerd, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag met een maximum van € 25.000,=, en om, nadat de bomen 5 tot en met 12 zijn ingekort als hiervoor aangegeven, de bomen periodiek terug te snoeien tot die hoogte, de bomen 5 tot en met 10 om de vijf jaar, de bomen 11 en 12 om de drie jaar, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten met nakosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde. 7.4 De grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel betreft het niet verbinden van een dwangsom van € 1.000,= per dag met een maximum van € 25.000,= aan de verplichting tot periodiek terugsnoeien. Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen grieven aangevoerd tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen (met name ten aanzien van de bomen 1 tot en met 4), zodat afgezien van deze dwangsom in dit hoger beroep de vorderingen van [geïntimeerde] alleen aan de orde zijn voor zover zij door de kantonrechter zijn toegewezen. De grief van [geïntimeerde] komt aan de orde na de bespreking van het principaal appel. 7.5 In haar memorie van grieven heeft [appellante] een aantal stellingen vermeld over het karakter van de omgeving van de woningen van partijen, over het onderhoud aan de bomen en over de afwezigheid van gevaarzetting. Grief 1 van [appellante] in het principaal appel richt zich ertegen ‘voor zover de door de kantonrechter in zijn vonnissen gerelateerde feiten hiermee in strijd zijn of hiermee niet overeenkomen’. Door [appellante] wordt niet aangegeven op welke passages en/of vermeldingen in welke vonnissen zij doelt, zodat het hof aan deze grief voorbijgaat. De feiten waar het hof van uitgaat, zijn hiervoor in 7.1 weergegeven. Grief 1 wordt verworpen. 7.6 Dat geldt ook voor grief 3 die zich richt tegen alle vonnissen van de kantonrechter zonder aan te geven welk oordeel daarin door [appellante] wordt bestreden. 7.7 Wat het principaal appel betreft resteert grief 2 die zich richt tegen het eindvonnis van 8 juli 2015. Met deze grief betoogt [appellante] primair dat de bomen 5 tot en met 12 in haar tuin geen onrechtmatige hinder veroorzaken. Subsidiair beroept [appellante] zich op verjaring. Meer subsidiair stelt [appellante] dat pas vanaf rond 16 januari 2013 sprake is van hinder en nog meer subsidiair dat dit pas vanaf oktober 2001 het geval is. [geïntimeerde] heeft een en ander bestreden. De verschillende onderdelen van deze grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 7.8 Het hof overweegt hierover het volgende. Bij de bespreking van de inhoud en de consequenties van het deskundigenbericht heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat het een eigenaar van een woonhuis met tuin vrijstaat zijn eigendom naar eigen goeddunken te gebruiken, mits dit gebruik niet strijdt met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Dat betekent, aldus de kantonrechter, dat [appellante] in beginsel het recht heeft haar tuin in te richten en te onderhouden zoals zij dat zelf wil, maar dat dit recht wordt begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie [geïntimeerde] , geen onrechtmatige hinder mag toebrengen waarbij het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder afhangt van de aard, ernst en duur van de hinder en van de verdere omstandigheden van het geval. Dit uitgangspunt is door partijen niet bestreden en zal ook door het hof worden gehanteerd. 7.9 Om in dit geval te kunnen beoordelen of en in hoeverre door de bomen in de tuin van [appellante] hinder wordt toegebracht aan [geïntimeerde] is een onafhankelijke beschrijving van de situatie ter plaatste onontbeerlijk. Daartoe dient het deskundigenbericht dat in eerste aanleg is uitgebracht. Aan deskundige Mette zijn de volgende vragen voorgelegd: Hoe oud zijn de onderwerpelijke bomen die in productie 17 bij dupliek (rapport [beheer] ) met boomnummer 1 tot en met 12 worden aangeduid? Op welke afstand van de erfgrens bevinden zich de onderwerpelijke bomen? In welke conditie bevinden die bomen zich momenteel? Hoe is de stabiliteit van die bomen? Wat is de groeisnelheid van die bomen? Zijn de betreffende bomen sinds oktober 2001 in omvang toegenomen, en zo ja, in welke mate? Zijn er sinds oktober 2001 nog bomen op of nabij de erfgrens geplaatst? Is de schaduw in de tuin van eiser toegenomen sinds oktober 2001 en zo ja, in welke mate? Is de bladafval in de tuin van eiser toegenomen sinds oktober 2001 en zo ja, in welke mate? Kunt u aangeven of en zo ja, op welke wijze, de bomen die zich rond de erfgrens bevinden, kunnen worden gesnoeid en ingekort? Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn? Aangezien het hoger beroep geen betrekking heeft op de bomen 1 tot en met 4, is het deskundigenbericht thans alleen van belang voor zover het betrekking heeft op de bomen 5 tot en met 12. 7.10 De deskundige heeft in haar rapport bij de eerste vijf vragen per boom de desbetreffende feitelijke gegevens vermeld. Bij vraag
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.