Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001189-18 (OWV) Uitspraak : 18 december 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 april 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-800265-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989 , wonende te [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Van de zijde van de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal vaststellen op € 18.338,-- en de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel ter hoogte van dit bedrag zal opleggen. Door de verdediging is bepleit dat het hof de vordering tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal afwijzen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 21.752,-- en de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel ter hoogte van dit bedrag zal opleggen. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De veroordeelde is bij arrest van het hof van vandaag in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (parketnummer 20-001188-18) veroordeeld voor onder meer vijf diefstallen door middel van valse sleutels (onder 2 bewezen verklaard), waarvan twee diefstallen in vereniging zijn gepleegd. Het hof heeft tevens de omvang van de daarmee gemoeide bedragen bewezen geacht. Het totaal van de met de buitgemaakte bankpassen gepinde bedragen – of dit nu pinbetalingen of opnames van geld zijn – bedraagt € 11.951,--. Bij de drie diefstallen die de veroordeelde alleen heeft gepleegd zijn bedragen van € 800,--, € 700,-- en € 3.569,-- ontvreemd. Het totaalbedrag daarvan is € 5.069,--. Dit bedrag kan worden aangemerkt als door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de diefstal die de veroordeelde samen met een ander heeft gepleegd is een bedrag van € 5.973,-- ontvreemd en bij de diefstal die de veroordeelde samen met twee anderen heeft gepleegd is een bedrag van € 909,-- ontvreemd. Het hof ziet aanleiding het daardoor genoten voordeel op grond van de omstandigheden zoals die zijn gebleken pondspondsgewijs toe te rekenen aan de betreffende daders. Dat leidt tot een door de veroordeelde in die twee zaken wederrechtelijk verkregen voordeel van respectievelijk € 2.986,50 en € 303,--, totaal € 3.289,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.