GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 17/00085 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 8 december 2016, nummer AWB 16/368, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Horst aan de Maas, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een beschikking gezonden, waarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2014 is vastgesteld op € 36.000 voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: de OZB) voor het jaar 2015 opgelegd (hierna: de aanslag OZB). 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de WOZ-beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 1 februari 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn partner mevrouw [A] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [B] . Het hoger beroep in de onderhavige zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met het hoger beroep in de zaak met hofkenmerk 17/00086 tussen belanghebbende en de invorderingsambtenaar van de gemeente Horst aan de Maas. 1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een perceel bosgrond met een oppervlakte van 36.511 m². 2.2. De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2014 voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 bij de WOZ-beschikking vastgesteld op € 36.000. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de onroerende zaak is uitgezonderd van waardering ingevolge de Wet WOZ, omdat sprake is van ten behoeve van bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond (bosbouwvrijstelling). Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben ter zitting hun stellingen nader toegelicht. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Heffingsambtenaar, en tot de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak – na toepassing van de bosbouwvrijstelling - op nihil.De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Op grond van artikel 17, lid 1 van de Wet WOZ dient aan een onroerende zaak een waarde te worden toegekend. In artikel 18, lid 4 van de Wet WOZ is bepaald dat (onderdelen van) onroerende zaken van waardering kunnen worden uitgezonderd. In de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) is uitgewerkt welke (onderdelen van) onroerende zaken van waardering zijn uitgezonderd. Artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringsregeling luidt als volgt: “1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen;”. Belanghebbende doet een beroep op de in het aangehaalde artikel 2 bedoelde bosbouwvrijstelling. 4.2. Volgens vaste jurisprudentie is van bedrijfsmatige exploitatie van cultuurgrond alleen sprake, indien met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Het louter uitvoeren van werkzaamheden, die nodig zijn om het bosbestand in stand te houden en om, indien de mogelijkheid daartoe zich voordoet, het uit het bosbestand beschikbaar komende hout te gelde maken, is niet voldoende om van bedrijfsmatige exploitatie te spreken (zie Hoge Raad 30 januari 1980, nr. 19613, ECLI:NL:HR:1980:AX0070 en Hoge Raad 12 november 1980, nr. 20136, ECLI:NL:HR:1980:AW9863). De bewijslast, dat sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, rust op belanghebbende. 4.3. Belanghebbende stelt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, ten onrechte wordt verwezen naar de hiervoor onder 4.2 vermelde arresten van de Hoge Raad. Het Hof deelt die opvatting van belanghebbende niet. Vóór de invoering van de Wet WOZ was in artikel 220d, lid 1, onderdeel a van de Gemeentewet (voorheen in artikel 273, lid 1 van de Gemeentewet) voor de OZB al een voorschrift opgenomen dat overeenkomt met hetgeen in artikel 2, lid 1 aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringsregeling is bepaald. Uit de parlementaire geschiedenis volgt, dat voormelde bepaling in de Gemeentewet uitgangspunt is voor de onderhavige vrijstelling. Het toetsingskader zoals vermeld in de arresten van de Hoge Raad, die zien op de OZB, kan daarom eveneens worden gebruikt voor de toepassing van de in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringsregeling bedoelde bosbouwvrijstelling. 4.4. Ter onderbouwing van zijn stelling, dat de onroerende zaak ten behoeve van bosbouw bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd, heeft belanghebbende een factuur overgelegd van ‘ [C] bv’ gedagtekend 23 mei 2016. Uit die factuur blijkt dat belanghebbende in de periode 12 mei 2016 tot 21 mei 2016 in totaal 199,28 ton hout heeft verkocht aan [C] . Belanghebbende heeft hierover ter zitting verklaard dat:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.