← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2018:815

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.184.782/01 arrest van 27 februari 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [app

Artikel 18

); Het aanbrengen van afwerklagen op muren en plafonds (

Artikel 18

); Het aanbrengen van vloerbedekking als bedoeld in

artikel 17 lid 5; Het in behoorlijke staat brengen van alle tot de privégedeelten behorende ramen en kozijnen waaronder het verwijderen/vervangen van de rotte gedeelten en het aanbrengen van schilderwerk (

Artikel 18

); Het zorgdragen van een behoorlijke verwarming zodanig dat het privégedeelte conform het bouwbesluit verwarmd kan worden bij een buitentemperatuur van min 10 C tot een binnentemperatuur van 15 C en zulks aan te tonen door middel van een verklaring van een VEB-erkend installatiebedrijf Het zorgdragen voor een verklaring van een erkende inspecteur dat de elektrische installatie van [appellant] aan de minimumnormen van NEN 1010-9 voldoet; zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- voor elke week dat [appellant] binnen 3 maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis met één van bovengenoemde punten in gebreke blijft zulks met een maximum van € 200.000,--. [appellant] te veroordelen tot het betalen van € 28.205,06 plus € 4.940,-- is € 33.145,-- te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 3 december 2014, zijnde de datum van deze eisvermeerdering. Subsidiair: [appellant] te veroordelen tot een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; Meer subsidiair: [appellant] te veroordelen tot een schadevergoeding van € 40.000,-- te betalen aan [geïntimeerde] , ter vermeerderen met de wettelijke interest vanaf de datum van de inleidende dagvaarding 12 mei 2012 althans zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. En [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure.’ 6.2.

  1. [appellant] heeft niet binnen de hem verleende termijn op de akte houdende wijziging en vermeerdering van eis gereageerd, waarna de rechtbank aan hem akte niet dienen heeft verleend (in het vonnis van 28 oktober 2015 staat onder 1.1 door een kennelijke verschrijving dat akte niet dienen is verleend aan [geïntimeerde] ). 6.2.
  2. In het bestreden eindvonnis van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank vervolgens, samengevat, als volgt geoordeeld. Op grond van artikel 18 van de akte van splitsing is [appellant] verplicht om de door [geïntimeerde] genoemde onderhoudswerkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft, hoewel [geïntimeerde] daar bij herhaling om heeft verzocht, niet voldaan aan die verplichting. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen werkzaamheden aan zijn privégedeelte kan verrichten omdat [geïntimeerde] over de bouwvergunning beschikt en haar medewerking weigert. Door de genoemde werkzaamheden niet uit te voeren handelt [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] . [appellant] zal daarom worden veroordeeld de gevorderde werkzaamheden uit te voeren (rov. 4.2). [appellant] is ook verplicht om mee te werken aan een feitelijke splitsing van het pand die voldoet aan de akte van splitsing en aan de van rechtswege te stellen eisen. [appellant] handelt onrechtmatig jegens [geïntimeerde] door daaraan niet mee te werken. Uit de bij de inleidende dagvaarding overgelegde gespreksverslagen blijkt dat [appellant] de totstandkoming van afspraken met betrekking tot een feitelijke splitsing diverse keren heeft gefrustreerd. [appellant] zal daarom worden veroordeeld om de feitelijke splitsing te realiseren (rov. 4.3). [appellant] heeft niet aangetoond dat hij zijn privégedeelte heeft verzekerd. De daarover door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen (rov. 4.4). De vordering van [geïntimeerde] ter zake kosten van de VvE zal worden toegewezen, met dien verstande dat het door [appellant] aan de VvE betaalde bedrag van € 2.000,-- op het gevorderde bedrag van € 28.205,-- in mindering moet worden gebracht (rov. 4.5). De vordering van [geïntimeerde] ter zake stookkosten ten bedrage van € 4.940,-- zal worden toegewezen (rov. 4.6). 6.2.
  3. Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank in het dictum van het vonnis de volgende beslissing gegeven: ‘vernietigt het door deze rechtbank op- 18 juli 2012 onder zaaknummer/rolnummer 248889 / HA ZA 12-581 gewezen verstekvonnis en opnieuw beslissend: verklaart voor recht dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] handelt, dan wel heeft gehandeld, doordat hij weigert mee te werken aan het onderhoud van zijn privé gedeelte en zijn privé gedeelte niet heeft verzekerd, althans nalaat dat aan te tonen; veroordeelt [appellant] tot het realiseren van een feitelijke splitsing van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] die voldoet aan de akte van splitsing en de daartoe van overheidswege te stellen eisen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5000,-- voor elke maand waarin [appellant] vanaf 6 maanden na betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de nakoming van deze veroordeling, met dien verstande dat [appellant] niet meer aan dwangsommen zal verbeuren dan maximaal € 75.000,--; veroordeelt [appellant] om in zijn privé gedeelte de volgende werkzaamheden te verrichten: het in behoorlijke staat herstellen van muren en plafonds, waaronder begrepen het aanbrengen van stucwerk; het aanbrengen van afwerklagen op muren en plafonds; het aanbrengen van vloerbedekking als bedoeld in artikel 17 lid 5 van de akte van splitsing; het in behoorlijke staat brengen van alle tot de privégedeelten behorende ramen en kozijnen, waaronder het verwijderen en vervangen van de rotte gedeelten en het aanbrengen van schilderwerk; het zorgdragen voor een behoorlijke verwarming, zodanig dat het privégedeelte van [appellant] conform het bouwbesluit verwarmd kan worden bij een buitentemperatuur van min 10 graden Celsius tot een binnentemperatuur van 15 graden Celsius en zulks aan te tonen door middel van een verklaring van een VEB-erkend installatiebedrijf het zorgdragen voor een verklaring van een erkende inspecteur dat de elektrische installatie van [appellant] voldoet aan de minimumnormen van NEN 1010-9; veroordeelt [appellant] tot betaling van een dwangsom van € 1000,-- voor elke week dat [appellant] vanaf 3 maanden na betekening van dit vonnis met de uitvoering één van voormelde werkzaamheden in gebreke blijft, met dien verstande dat [appellant] niet meer aan dwangsommen zal verbeuren dan € 100.000,--; veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 26.205,06 (zesentwintig duizend tweehonderdvijf euro en zes cent) en van een bedrag van € 4.940,-- (vierduizend negenhonderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen met ingang van 3 december 2014 tot aan de datum der voldoening;’ De rechtbank heeft [appellant] voorts veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure en de verstekprocedure, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. Feiten van na het bestreden vonnis van 28 oktober 2015 6.
  4. Na het vonnis van 28 oktober 2015 hebben zich, samengevat, nog de volgende feiten voorgedaan. [geïntimeerde] heeft het vonnis van 28 oktober 2015 op 30 oktober 2015 aan [appellant] laten betekenen. Aan [appellant] is bevel gedaan binnen zes maanden na betekening te splitsen en binnen drie maanden er voor zorg te dragen dat zijn privégedeelte aan een aantal minimumnormen voldoet die de rechtbank heeft geformuleerd. Op 25 februari 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bericht dat zij een deurwaarder opdracht zal geven om dwangsommen te incasseren. [appellant] heeft [geïntimeerde] vervolgens in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, en gevorderd [geïntimeerde] te verbieden het vonnis van 28 oktober 2015 ten uitvoer te leggen, in het bijzonder haar te verbieden om dwangsommen te incasseren. Bij onder zaaknummer C/01/305260 en rolnummer KG ZA 16-107 gewezen vonnis in kort geding van 24 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Op 7 april 2016 is een voorlopige koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellant] en [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap] ), ter zake de verkoop van het appartementsrecht van [appellant] aan [de vennootschap] . Op 28 april 2016 heeft de comparitie na aanbrengen in dit hoger beroep plaatsgevonden. De partijen zijn er tijdens die zitting niet in geslaagd om hun geschil door een schikking te beëindigen. Op 31 mei 2016 is een definitieve koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellant] en [de vennootschap] , waarbij [appellant] zijn appartementsrecht aan [de vennootschap] heeft verkocht. [appellant] heeft bij dagvaarding van 24 juni 2016 [geïntimeerde] nogmaals in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, en gevorderd [geïntimeerde] te verbieden het vonnis van 28 oktober 2015 ten aanzien van de dwangsommen ten uitvoer te leggen, [geïntimeerde] te gebieden dat zij instemt met vervangende zekerheid en [geïntimeerde] te gebieden alle door haar op het appartementsrecht van [appellant] gelegde conservatoire en executoriale beslagen op te heffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord onder 12 gesteld dat zij op haar beurt een kort geding heeft aangespannen tegen [de vennootschap] omdat [de vennootschap] volgens [geïntimeerde] de executie van de dwangsommen frustreerde. Het hof gaat ervan uit dat beide vorderingen in kort geding gezamenlijk zijn behandeld op 7 juli 2016, de zittingsdatum die genoemd is in het dagvaardingsexploot van 24 juni
  5. Naar het hof begrijpt uit het gestelde in de memorie van antwoord sub 13, hebben de in beide kort gedingenbetrokken partijen ( [geïntimeerde] , [appellant] en [de vennootschap] ) op die zitting een regeling getroffen met de navolgende inhoud: “
  6. [de vennootschap] zal in verband met de door [geïntimeerde] gelegde executoriale beslagen ter zake van dwangsommen, alsmede in verband met de gemaakte kosten € 35.000,= van de aan [appellant] verschuldigde koopsom voor het appartementsrecht [adres 2] te [plaats 1] betalen op de derdenrekening van notaris [notaris] te [plaats 2] met de bij deze gegeven instructie door [appellant] aan de notaris om dit bedrag ten gunste van [geïntimeerde] door te betalen naar Stichting Derdengelden Gillesse en Winnubst Advocaten te ‘ s-Hertogenbosch . ( [rekeningnummer] ) onder vermelding van [geïntimeerde] . Dit bedrag geldt dan als bevrijdend betaald door [de vennootschap] tegenover [appellant] en als bevrijdend betaald door [appellant] aan [geïntimeerde] , met dien verstande dat [appellant] deze betaling onder protest heeft verricht in verband met het lopende hoger beroep.
  7. Bij ontvangst door mr. Gillesse op zijn derdenrekening van genoemd bedrag van € 35.000,00 zullen alle ten laste van [appellant] gelegde executoriale beslagen op de onroerende zaak en het executoriale derdenbeslag onder [de vennootschap] , welke beslagen in deze kort gedingen aan de orde zijn geweest en partijen genoeg zijn bekend, binnen één werkdag worden opgeheven.
  8. [de vennootschap] zal aan [geïntimeerde] voor € 60.000,00 vervangende zekerheid verschaffen in de vorm van een depot van dit bedrag bij genoemde notaris. Vervolgens zal [geïntimeerde] het in mei 2016 gelegde conservatoire beslag op genoemd appartementsrecht binnen één werkdag opheffen. Het geld blijft in depot bij de notaris onder de bepaling dat het betreffende bedrag toekomt aan [geïntimeerde] voor zover dat bedrag aan haar in de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant, thans bekend onder rolnummer 16/458, bij onherroepelijk vonnis of arrest worden toegekend. Voor zover de vordering van [geïntimeerde] geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, komt het niet toegewezen bedrag toe aan [appellant] .
  9. Alle betalingen die [de vennootschap] uit hoofde van deze regeling aan de notaris voldoet (€ 35.000,00 en € 60.000,00) strekken in mindering op de koopsom als bedoeld in de koopovereenkomst van 31 mei 2016 tussen [de vennootschap] en [appellant] .
  10. Partijen wensen aanhouding van beide kort gedingen voor zes weken. Indien geen der partijen voortzetting vraagt zullen beide kort gedingen op 1 september 2016 als ingetrokken worden beschouwd. In dat geval zullen alle partijen hun eigen proceskosten dragen.” Het hof begrijpt uit artikel 3 van de zojuist geciteerde regeling dat bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, inmiddels een bodemprocedure aanhangig is tussen [geïntimeerde] en [appellant] met rolnummer 16-458 waarin [geïntimeerde] betaling van verbeurde dwangsommen en/of gemaakte kosten vordert. [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord onder 15 gesteld dat [appellant] op de voor overdracht van zijn appartementsrecht aan [de vennootschap] bepaalde datum, zijnde 15 september 2016, in gebreke is gebleven om mee te werken aan de overdracht van het appartementsrecht. De vorderingen in hoger beroep 6.4.
  11. [appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd tegen het vonnis van 28 oktober
  12. De grieven zijn genummerd 1 tot en met 7, waarbij grief 7 tweemaal voorkomt. Het hof zal de tweede grief 7 aanduiden als grief
  13. [appellant] heeft op grond van zijn grieven geconcludeerd tot vernietiging van het verzetvonnis van 28 oktober 2015 (naar het hof begrijpt: voor zover bij dat vonnis de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen) en tot het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 6.4.
  14. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 28 oktober 2015, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep. Ontvankelijkheid van het verzet 6.
  15. Het hof stelt voorop dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat de rechtbank [appellant] terecht ontvankelijk heeft geacht in het door hem ingestelde verzet. Met betrekking tot de grieven 1, 2 en 4: onderhoudswerkzaamheden aan het privégedeelte 6.6.
  16. Het hof zal de grieven 1, 2 en 4 gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn naar de kern genomen gericht tegen: de verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig handelt doordat hij weigert mee te werken aan het onderhoud van zijn privégedeelte; de veroordeling van [appellant] om de in het dictum van het vonnis opgesomde werkzaamheden aan zijn privégedeelte te verrichten; de veroordeling tot betaling van een dwangsom voor elke week dat [appellant] vanaf drie maanden na betekening van het vonnis met de uitvoering van één van de betreffende werkzaamheden in gebreke blijft. 6.6.
  17. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven voorop dat in artikel 18 lid 1 van de akte van splitsing onder meer het volgende is bepaald: ‘Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zijn privé gedeelte behoorlijk te onderhouden. Tot dat onderhoud behoort met name het schilder-, behang-, en tegelwerk, het onderhoud van de plafonds, de afwerklagen van vloeren en balkons, van het stucwerk en van deuren en ramen (waaronder begrepen de reparatie en vervanging van hang- en sluitwerk), (…). Voorts moet iedere eigenaar en gebruiker van de deuren en raamkozijnen met glas als bedoeld in artikel 9 twe[e]de lid letter a (hof: raamkozijnen en deuren met glas, die zich in de buitengevel bevinden) die zijden die zich in gesloten toestand in het privégedeelte bevinden behoorlijk onderhouden voor zover dit geen vernieuwing betreft.’ Daarnaast stelt het hof voorop dat de vloerbedekking van de privégedeelten volgens artikel 17 lid 5 van de akte van splitsing van een zodanige samenstelling dient te zijn dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat al deze verplichtingen en regels ook voor hem gelden. 6.6.
  18. In het vonnis in kort geding van 24 maart 2016, dat [appellant] als onderdeel van productie 12 bij de memorie van grieven aan het hof heeft overgelegd, heeft de voorzieningenrechter een beschrijving gegeven van de situatie die hij in maart 2016 in het pand heeft aangetroffen. [appellant] heeft de door de voorzieningenrechter gegeven beschrijving van de situatie in het pand niet bestreden en evenmin gesteld dat die situatie ten tijde van het geding in eerste aanleg, dus vóór het wijzen van het bestreden vonnis van 28 oktober 2015, anders was. Het hof vindt de beschrijving van de situatie in het pand, die in de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.15 van het vonnis in kort geding is gegeven, van belang bij de beoordeling van de grieven 1,2 en
  19. Het hof zal die rechtsoverwegingen daarom hieronder weergeven. ‘4.
  20. Hoewel het appartement van [geïntimeerde] strikt genomen geen onderwerp van dit kort geding is, is de voorzieningenrechter in alle ruimtes van beide appartementen en (via de woonruimte van [geïntimeerde] ) in de achtertuin geweest, dit laatste om de achterzijde van het pand van de buitenkant te kunnen bekijken. 4.
  21. De gemeenschappelijke voordeur aan de [straat] komt uit in de gemeenschappelijke hal van waaruit de gang rechtdoor, langs de trap, naar de deur van de woonruimte van [geïntimeerde] leidt. Zij bewoont het souterrain en de begane grond van het pand. Het pand kent een gemeenschappelijke gedeelte op de begane grond. In de hal staat bij de voordeur aan de linkerzijde een, matig afgewerkte, omtimmering van een meterkast voor het appartement van [appellant] . Een deel van de vloertegeltjes bij die meterkast ligt los in het zand; kennelijk zijn deze na het verrichten van leidingenwerk ten behoeve van de meterkast voor [appellant] niet meer naar behoren teruggeplaatst. [appellant] heeft op de begane grond aangewezen waar de scheidingsmuur tussen de twee appartementen zou kunnen komen, terwijl in het souterrain is gekeken met het oog op de voorzieningen die al dan niet nodig zijn om de scheidingsmuur te kunnen dragen. Met de bouw van de scheidingsmuur was geen begin gemaakt. 4.
  22. In de hal gaat een trap naar de eerste verdieping van het pand die, evenals de tweede verdieping, bewoond wordt door [appellant] . [appellant] heeft de voorzieningenrechter rondgeleid op de eerste en de tweede verdieping. De cv-installatie is naar de voorzieningenrechter begrepen heeft jaren geleden afgesloten. Er werd in het appartement van [appellant] niet gestookt. De woonruimtes zijn open en komen direct uit op de overloop bij de trap. Zij staan dus alle, ook de wc, in open verbinding met het gemeenschappelijke gedeelte onderaan de trap. Op de eerste verdieping bevindt zich aan de achterkant van het pand een ruimte waarin een keukenblok staat en een wc, zonder deur. De voorzieningenrechter en de griffier voelden bij het betreden van de ruimte op de eerste verdieping aan de achterzijde waarin zich het keukenblok bevindt de vloer onder zich golven. Dit heeft de rechter ertoe gebracht deze ruimte slechts vluchtig te bekijken. 4.
  23. Op de eerste verdieping bevindt zich ook de slaapkamer van [appellant] . [appellant] heeft geen aparte badkamer. Aan de voorkant van de woning op de eerste verdieping heeft [appellant] nieuwe raamkozijnen laten plaatsen. De aansluiting met de muur en met het plafond zijn echter niet afgewerkt. In het plafond heeft [appellant] een rotte balk aangewezen die vervangen moet worden. 4.
  24. Aan de buiten- achterzijde van het pand (vanuit de achtertuin bezien) bleken de kozijnen op de eerste en tweede verdieping (de verdiepingen van [appellant] ) zelfs voor het lekenoog en vanaf de grond gezien in een zeer slechte staat te zijn. Die slechte staat bleek ook bij de bezichtiging van de kozijnen van binnenuit. 4.
  25. Binnen in het pand op de eerste en tweede verdieping heeft de voorzieningenrechter de situatie aangetroffen zoals die in het vonnis van 28 oktober 2015 door de rechtbank als onvoldoende weersproken is aangenomen. De plafonds zijn afgebladderd en vertonen gaten. De muren van een groot gedeelte van de eerste verdieping zijn afgebikt op het steen en nooit opnieuw gestuukt. 4.
  26. De voorzieningenrechter heeft voorts waargenomen dat in alle door [appellant] bewoonde kamers, zowel op de eerste als de tweede verdieping en op de zolder, en ook op de overloop stapels boeken en tijdschriften (veelal met de adreswikkel er nog om) liggen en dat er zaken staan opgestapeld, zoals meubels, oude computers en houten balken. Op het merendeel van de spullen ligt een laag stof, zodat de spullen er waarschijnlijk al jaren liggen. Door al deze stapels met spullen was het moeilijk om over de verdiepingen en door de kamers te lopen. Deze waarneming bevestigt de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] , dat [appellant] voordat hijzelf, dan wel een aannemer een aanvang kan nemen met de werkzaamheden, de ruimtes in zijn woning beter doorgankelijk zal moeten maken en ingrijpend zal moeten opruimen. Hier kan geen enkele bouwvakker uit de voeten. Op de vraag van de voorzieningenrechter hoe [appellant] dacht een aanvang te maken met de verbouwingswerkzaamheden terwijl de kamers vol liggen met alle spullen antwoordde [appellant] dat hij de spullen dan zou verplaatsen naar een andere plek. 4.
  27. Afgezien van het feit dat er twee nieuwe kozijnen aan de voorkant van het pand waren geplaatst bleek niet dat er enige van de in het vonnis opgedragen werkzaamheden waren verricht of dat er verbouwingswerkzaamheden in uitvoering waren, terwijl de bezichtiging op 10 maart 2016, dus meer dan drie maanden na de betekening van het vonnis op 30 oktober 2015, heeft plaatsgevonden. De aangetroffen situatie in het appartement van [appellant] is zo extreem dat de voorzieningenrechter het oordeel van de rechtbank dat [appellant] door de werkzaamheden niet uit te voeren onrechtmatig handelt jegens de andere appartementseigenaar [geïntimeerde] niet alleen onderschrijft omdat de kort geding rechter zich heeft te richten naar het oordeel van de bodemrechter, maar ook omdat hij met eigen ogen heeft gezien dat het feitelijk juist blijkt te zijn. [geïntimeerde] kan, als zij dat al zou willen, niet eens metterwoon uit het pand vertrekken want het is zonneklaar dat haar appartement onverkoop- en onverhuurbaar is, zolang in het appartement van [appellant] niet drastisch orde op zaken wordt gesteld.’ 6.6.
  28. Naar het oordeel van het hof staat als onvoldoende bestreden vast dat [appellant] zijn appartement jarenlang in de hierboven omschreven toestand heeft laten verkeren. Gelet op hetgeen waartoe [appellant] als lid van de VvE gehouden is jegens [geïntimeerde] als het enige andere lid van de VvE, acht het hof het juist dat de rechtbank [appellant] in het bestreden vonnis heeft veroordeeld om: de muren en plafonds in zijn privégedeelte behoorlijk te herstellen, waaronder begrepen het aanbrengen van stucwerk; afwerklagen aan te brengen op die muren en plafonds; vloerbedekking aan te brengen die voldoet aan artikel 17 lid 5 van de akte van splitsing; alle tot zijn privégedeelte behorende ramen en kozijnen in behoorlijke staat te brengen, en daartoe de rotte gedeelten te verwijderen/vervangen en de kozijnen te schilderen; zorg te dragen voor een behoorlijke verwarming zodanig dat het privégedeelte conform het bouwbesluit verwarmd kan worden bij een buitentemperatuur van min 10 graden Celsius tot een binnentemperatuur van 15 graden Celsius, en dat aan te tonen door middel van een verklaring van een VEB-erkend installatiebedrijf; zorg te dragen voor een verklaring van een erkende inspecteur dat de elektrische installatie van [appellant] aan de minimumnormen van NEN 1010-9 voldoet. 6.6.
  29. De omstandigheid dat nog geen feitelijke bouwkundige splitsing tussen beide appartementen is gerealiseerd, voert niet tot een ander oordeel. Naar het hof begrijpt, bestaat de aan te brengen feitelijke splitsing met name in de plaatsing van een scheidingsmuur in de hal op de begane grond. Het hof ziet niet in dat het feit dat die scheidingsmuur nog niet is aangebracht, voor [appellant] een beletsel moet zijn om de hierboven opgesomde werkzaamheden, die hoofdzakelijk betrekking hebben op zijn op de eerste en tweede verdieping gelegen appartement, uit te voeren. 6.6.
  30. Ook het feit dat [appellant] met [geïntimeerde] geen overeenstemming heeft bereikt over een aan te brengen nadere brandvertraging in het plafond tussen de begane grond en de eerste verdieping, hoeft daar niet aan in de weg te staan. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de huidige situatie van dat plafond / die verdiepingsvloer aan de geldende eisen van brandvertraging voldoet en [appellant] heeft het tegendeel niet voldoende onderbouwd. Bovendien staat het [appellant] vrij om, indien hij bij die verdiepingsvloer een nadere brandvertraging wil aanbrengen, dat vanuit zijn appartement, dus van bovenaf, te realiseren. Daar komt bij dat sinds de juridische splitsing van het pand in 1997 inmiddels ruimt 20 jaren zijn verstreken. Dat op enig moment bij [appellant] de wens is ontstaan om de brandwerendheid van de verdiepingsvloer te verbeteren, kan bij deze stand van zaken niet als excuus worden gebruikt om de bovengenoemde werkzaamheden aan zijn eigen appartement, tot het verrichten waarvan [appellant] verplicht is, te blijven uitstellen. 6.6.
  31. Hetgeen [appellant] overigens in de toelichting op de grieven 1, 2 en 4 naar voren heeft gebracht, voert evenmin tot het oordeel dat [appellant] ten onrechte is veroordeeld om de genoemde werkzaamheden aan zijn eigen appartement uit te voeren. 6.6.
  32. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1000,-- voor elke week dat [appellant] vanaf 3 maanden na betekening van het vonnis met de uitvoering één van de hiervoor in rov. 6.6.4 genoemde werkzaamheden in gebreke blijft, en bepaald dat [appellant] niet meer aan dwangsommen zal verbeuren dan € 100.000,--. [appellant] heeft aangevoerd dat de termijn van drie maanden onredelijk kort is, mede omdat het vonnis van 28 oktober 2015 dateert en werkzaamheden zoals het vervangen van ramen en kozijnen en het verrichten van schilderwerk aan de buitenzijde van de woning volgens [appellant] niet in de wintermaanden kunnen worden verricht. Het hof verwerpt dit betoog. Dat kozijnen niet in de herfst- of wintermaanden kunnen worden vervangen heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. De veroordeling tot het verrichten van schilderwerk moet, mede gelet op de grondslag van de vordering en het bepaalde in artikel 18 lid 1 van de akte van splitsing, zo worden uitgelegd dat die alleen ziet op het schilderwerk aan de binnenzijde van de kozijnen. Bovendien is het naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid dat het verrichten van buitenschilderwerk, afhankelijk van de weersomstandigheden, met daarvoor geschikte verf ook in de wintermaanden mogelijk is. [appellant] heeft dus onvoldoende onderbouwd dat het niet mogelijk was om de werkzaamheden aan zijn appartement, tot het verrichten waarvan hij is veroordeeld, te verrichten binnen drie maanden na betekening van het te wijzen vonnis. Uit de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals neergelegd in het vonnis in kort geding van 24 maart 2016, blijkt dat [appellant] overigens ook geen enkele poging heeft gedaan om aan de gestelde termijn te voldoen. 6.6.
  33. [appellant] heeft tegen de hoogte van de dwangsom geen grief gericht. Indien in eerste aanleg een dwangsom is opgelegd en de hoofdveroordeling waaraan de dwangsom is verbonden in appel door een grief opnieuw aan de orde is gesteld, staat het de appelrechter echter vrij het bedrag en de modaliteiten van die dwangsom in zijn beoordeling te betrekken, ook zonder dat in hoger beroep daartegen een specifieke grief is gericht (zie onder meer HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ
  34. Het hof acht de hoogte van de door de rechtbank bepaalde dwangsom en de hoogte van het bedrag waarboven volgens het vonnis geen verdere dwangsommen worden verbeurd echter passend. 6.6.
  35. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven 1, 2 en 4 geen doel treffen. Het hof zal het bestreden vonnis van 28 oktober 2015 bekrachtigen, voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] om op straffe van verbeurte van een dwangsom de in het vonnis genoemde werkzaamheden aan zijn appartement te verrichten. Met betrekking tot grief 3: de veroordeling tot het realiseren van een feitelijke splitsing 6.7.
  36. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot het realiseren van een feitelijke splitsing van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] die voldoet aan de akte van splitsing en de daartoe van overheidswege te stellen eisen, zulks op straffe van een dwangsom. 6.7.
  37. [appellant] is met grief 3 opgekomen tegen die beslissing. [appellant] heeft in de toelichting op de grief niet het oordeel van de rechtbank bestreden dat de appartementseigenaren jegens elkaar gehouden zijn om mee te werken aan een feitelijke splitsing van het pand die voldoet aan de akte van splitsing en aan de van rechtswege te stellen eisen, en dat een appartementseigenaar die daar niet aan meewerkt, in beginsel onrechtmatig handelt tegenover de andere appartementseigenaar. Die oordelen strekken in dit hoger beroep dus tot uitgangspunt. 6.7.
  38. [appellant] heeft in de toelichting op grief 3 wel aangevoerd dat hij nu ten onrechte is veroordeeld tot het verrichten van een handeling die alleen de VvE en niet [appellant] in persoon kan verrichten. Het hof verwerpt dat verweer. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] niet heeft betwist dat [geïntimeerde] haar privégedeelte zo heeft laten verbouwen dat dit een afgesloten eenheid vormt, dat bereikbaar is vanuit de gemeenschappelijke hal op de begane grond. [appellant] heeft evenmin betwist dat zijn privégedeelte op de eerste en tweede verdieping nog steeds in open verbinding staat met het algemene gedeelte op de begane grond. Bij deze stand van zaken is het aan [appellant] om ook zijn privégedeelte overeenkomstig de akte van splitsing af te scheiden van het algemene gedeelte in de hal op de begane grond, door het plaatsen van een wand met een deur die toegang geeft tot de trap naar zijn etages op de eerste en tweede verdieping. 6.7.
  39. [appellant] heeft grief 3 voorts gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de totstandkoming van afspraken met betrekking tot een feitelijke splitsing van het pand diverse keren heeft gefrustreerd. In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd, kort samengevat, dat hij vanaf 2002 herhaaldelijk heeft geprobeerd om met [geïntimeerde] afspraken te maken over de wijze waarop de splitsing moest worden gerealiseerd, en dat het juist [geïntimeerde] is geweest die de realisatie van de splitsing heeft tegengehouden. 6.7.
  40. Het hof stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt voorop dat de kantonrechter in rov. 3.9 van de hiervoor genoemde beschikking van 29 april 2010 onder meer het volgende heeft overwogen: ‘Partijen zijn het erover eens, dat zij sinds de formele splitsing voortdurend aanhoudende meningsverschillen hebben gehad omtrent de feitelijke realisatie van de splitsing en het beheer en onderhoud van gemeenschappelijke gedeelten en zaken. Ook nu maken zij elkaar over en weer verwijten. De kantonrechter geeft partijen in overweging in gezamenlijk overleg een voorziening te treffen voor het voorkomen van patstellingen in de toekomst, bijvoorbeeld door zich bij niet oplosbare meningsverschillen neer te leggen bij het standpunt van een in gezamenlijk overleg aan te wijzen onafhankelijke derde.’ Daarna hebben de partijen en hun advocaten in de loop van 2010 en 2011 een aantal besprekingen gevoerd, waarvan verslagen in het geding zijn gebracht als producties 4 tot en met 7 bij de inleidende dagvaarding. Naar het oordeel van het hof rijst uit deze verslagen geenszins het beeld dat [geïntimeerde] de realisatie van de splitsing heeft tegengehouden of heeft bemoeilijkt door onredelijke eisen te stellen. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat uit deze verslagen naar voren komt dat het in hoofdzaak aan [appellant] is te wijten dat de splitsing niet is gerealiseerd. Het hof noemt in dit kader, puur ter illustratie, dat [appellant] tijdens de besprekingen diverse kwesties aan de orde heeft gesteld die niet van belang waren met betrekking tot de situatie in het pand en dat [appellant] zonder opgave van redenen geweigerd heeft een depot te storten zodat de noodzakelijke werkzaamheden konden worden uitgevoerd. 6.7.
  41. Dit beeld wordt bevestigd door de gang van zaken na
  42. Zo heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] er bij brief van 13 januari 2012 wederom op gewezen dat de zaak in een impasse verkeert, omdat [appellant] niets aan de VvE betaalt, ook niet met betrekking tot de algemene delen van het pand, en dat [appellant] evenmin enige stap zet om een feitelijke splitsing tussen de beide appartementen te realiseren. Ook het feit dat [geïntimeerde] meermalen de voet van artikel 5:12 1 BW bij de kantonrechter machtigingen heeft gevraagd en gekregen om hoogst noodzakelijke werkzaamheden aan de gemeenschappelijke delen van het pand te laten uitvoeren, is wat dit betreft illustratief. Van enige daadwerkelijke bereidheid van [appellant] om op constructieve wijze mee te werken aan de realisatie van de feitelijke splitsing, is in de in dit geding relevante periode niet gebleken. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking de feitelijke situatie die de voorzieningenrechter, die het vonnis in kort geding van 24 maart 2016 heeft gewezen, in maart 2016 in het pand heeft aangetroffen en die het hof hiervoor bij de behandeling van de grieven 1,2 en 4 heeft weergegeven. Die situatie bevestigt geheel het ook uit de gedingstukken rijzende beeld dat [appellant] volstrekt onvoldoende doet om tot een oplossing van de problemen in het pand en in de VvE te raken. 6.7.
  43. Hetgeen [appellant] als toelichting op grief 3 heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat [geïntimeerde] de realisatie van de splitsing onredelijke heeft bemoeilijkt door onredelijke eisen te stellen aan de uitvoering van de splitsing, heeft [appellant] die stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd. 6.7.
  44. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief
  45. Het hof zal het vonnis van 28 oktober 2015 daarom bekrachtigen, voor zover het de veroordeling van [appellant] tot het realiseren van de splitsing betreft. 6.7.
  46. De rechtbank heeft aan de veroordeling van [appellant] tot het realiseren van een feitelijke splitsing van het pand die voldoet aan de akte van splitsing en de daartoe van overheidswege te stellen eisen, een dwangsom verbonden van € 5.000,-- voor elke maand waarin [appellant] vanaf 6 maanden na betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de nakoming van die veroordeling, met dien verstande dat [appellant] niet meer aan dwangsommen zal verbeuren dan maximaal € 75.000,--. [appellant] heeft tegen de hoogte van deze dwangsom geen grief gericht. Het hof acht de hoogte van de door de rechtbank bepaalde dwangsom en de hoogte van het bedrag waarboven volgens het vonnis geen verdere dwangsommen worden verbeurd echter passend. Het hof zal het vonnis ook in zoverre bekrachtigen. Met betrekking tot grief 5: de verzekering van het privégedeelte van [appellant] 6.8.
  47. De rechtbank heeft op vordering van [geïntimeerde] voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] handelt, dan wel heeft gehandeld, doordat hij zijn privégedeelte niet heeft verzekerd, althans nalaat dat aan te tonen. 6.8.
  48. [appellant] is met grief 5 tegen deze verklaring voor recht opgekomen. In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij zijn pand vanaf 2001 op correcte wijze verzekerd heeft. Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellant] twee producties in het geding gebracht, te weten: een ‘Polisblad ZekerheidsPakket Particulieren’ van 11 april 2013 ter zake een woonhuisverzekering met appartementsclausule met een verzekeringstermijn van 1 juni 2013 tot 1 juni 2014 en een automatische verlening met telkens 1 jaar (productie 19); een ‘Polisblad ZekerheidsPakket Particulieren’ van 16 mei 2016 ter zake een woonhuisverzekering met appartementsclausule met een verzekeringstermijn van 1 juni 2016 tot 1 juni 2017 en een automatische verlening met telkens 1 jaar (productie 20). 6.8.
  49. [appellant] heeft hiermee voldoende aangetoond dat hij zijn privégedeelte heeft verzekerd en dat hij die verzekering niet heeft laten beëindigen. Bij deze stand van zaken heeft [geïntimeerde] geen belang meer bij de door haar ter zake deze verzekering gevorderde verklaring voor recht. Het hof stelt volledigheidshalve vast dat de rechtbank aan de gegeven verklaring voor recht geen dwangsom heeft verbonden. Omdat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij de verklaring voor recht, zal het hof het vonnis vernietigen, voor zover het deze verklaring voor recht betreft. Grief 5 slaagt in zoverre. Met betrekking tot grief 6: de vordering ter zake kosten die gemaakt zijn voor het gemeenschappelijk gedeelte van het pand 6.9.
  50. [geïntimeerde] heeft veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 28.205,
  51. Dat bedrag betreft volgens [geïntimeerde] het door [appellant] verschuldigde deel van kosten die door [geïntimeerde] gemaakt zijn ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeelten van het pand, inclusief de rente die over de verschillende posten is vervallen vanaf de opeisbaarheid van die posten. De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van € 26.205 toegewezen, omdat volgens de rechtbank (uitsluitend) een door [appellant] aan de VvE betaalde bedrag van € 2.000,-- op het gevorderde bedrag van € 28.205,-- in mindering diende te komen. [appellant] is met grief 6 tegen deze toewijzing opgekomen. De gedeeltelijk toegewezen vordering ligt dus ter beoordeling voor aan het hof. 6.9.
  52. Ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] het door [geïntimeerde] gestelde bedrag aan haar moet voldoen, heeft [geïntimeerde] als productie 31 bij haar akte houdende wijziging en vermeerdering van eis een brief van haar accountant van 21 november 2014, een bij die brief behorende kostenopstelling en aantal facturen ter zake op de kostenopstelling genoemde posten overgelegd. Van de gefactureerde bedragen is vervolgens de helft ten laste van [appellant] gebracht. De oudste op het overzicht genoemde factuur dateert van 14 juni 1999 en de meest recente factuur die op het overzicht is genoemd dateert kennelijk van het najaar van
  53. De gefactureerde bedragen zijn op het overzicht voor de helft ten laste van [appellant] gebracht. Daarnaast zijn op het overzicht bepaalde VvE-bijdragen verwerkt. 6.9.
  54. [appellant] heeft in de toelichting op grief 6 aangevoerd dat hij tijdens het geding in eerste aanleg de kosten niet heeft kunnen betwisten. Dat argument kan op zichzelf niet tot vernietiging van dit onderdeel van het vonnis leiden. [appellant] heeft immers in hoger beroep (met name in de toelichting op grief 6) alsnog de gelegenheid gehad om de kosten te betwisten. 6.9.
  55. [appellant] heeft in de toelichting op grief 6 voorts, onder verwijzing naar hetgeen hij eerder in de memorie van grieven heeft aangevoerd, gesteld dat [geïntimeerde] ondeskundige bedrijven heeft ingeschakeld om de verschillende werkzaamheden uit te voeren. Volgens [appellant] is daardoor veel schade ontstaan in plaats van verholpen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] deze stelling onvoldoende onderbouwd. Voor zover al vast zou komen te staan dat een bepaalde klus niet geheel correct zou zijn uitgevoerd, is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat daarvan aan [geïntimeerde] een verwijt te maken valt en dat dit tot het gevolg zou moeten leiden dat [appellant] niet in de betreffende – in het belang van de VvE gemaakte – kosten zou moeten bijdragen. 6.9.
  56. Enig ander bezwaar heeft [appellant] in de toelichting op grief 6 niet aangevoerd tegen de door de rechtbank op dit punt uitgesproken veroordeling. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen, voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag van € 26.205,06, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 3 december
  57. Met betrekking tot grief 7: de vordering ter zake extra stookkosten 6.10.
  58. [geïntimeerde] heeft veroordeling van [appellant] tot betaling van € 4.940,-- aan extra stookkosten gevorderd. De rechtbank heeft die vordering als onbetwist toegewezen en [appellant] is daar met grief 7 tegen opgekomen. De vordering ligt dus ter beoordeling voor aan het hof. 6.10.
  59. [geïntimeerde] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat haar stookkosten in vergelijking met vergelijkbare woningen extreem hoog zijn omdat de verwarming in de woning van [appellant] al vanaf 2010 is afgesloten en [appellant] zijn woning in het geheel niet verwarmt. Volgens [geïntimeerde] wordt zij daardoor geconfronteerd met extra gaskosten van € 1.235,-- per jaar, hetgeen over een periode van vier jaar (naar het hof begrijpt: de vier jaren voorafgaand aan de eisvermeerdering van 3 december 2014) een schade van € 4.940,-- oplevert. 6.10.
  60. [appellant] heeft in de toelichting op grief 7 allereerst aangevoerd dat hij tijdens het geding in eerste aanleg dit onderdeel van de vordering niet heeft kunnen betwisten. Dat argument kan op zichzelf niet tot vernietiging van dit onderdeel van het vonnis leiden. [appellant] heeft immers in hoger beroep (met name in de toelichting op grief 7) alsnog de gelegenheid gehad om de vordering ter zake de extra stookkosten te betwisten. 6.10.
  61. [appellant] heeft in de toelichting op de grief voorts aangevoerd dat de woning van [geïntimeerde] veel warmte verliest doordat zij een serre heeft laten plaatsen. De in dit verband door [appellant] genoemde productie 15 bevat overigens geen relevante informatie met betrekking tot de serre en de isolatie daarvan. 6.10.
  62. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat het feit dat zij een serre die zij bij haar woning heeft laten plaatsen, veroorzaakt dat zij meer stookkosten heeft dan een bewoner van een vergelijkbaar appartement zonder serre. Dat neemt echter niet weg dat ook de omstandigheid dat [appellant] al jarenlang in het geheel niet heeft gestookt in zijn appartement, tot gevolg heeft gehad dat [geïntimeerde] meer stookkosten heeft moeten maken om haar eigen appartement tot een acceptabele temperatuur te verwarmen. 6.10.
  63. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat de door haar gemaakte extra stookkosten die zijn veroorzaakt door het feit dat [appellant] zijn appartement in het geheel niet heeft verwarmd, moeten worden begroot op € 1.235,-- per jaar, zijnde (afgerond) € 103,-- per maand. Het hof passeert het aanbod van [geïntimeerde] om op dat punt bewijs door een deskundige te leveren. Indien [geïntimeerde] haar standpunt met een opinie van een deskundige had willen onderbouwen, had zij die opinie uiterlijk bij de memorie van antwoord in het geding moeten brengen. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om schattenderwijs vast te stellen welk deel van de stookkosten van [geïntimeerde] is veroorzaakt door het feit dat [appellant] zijn appartement ten onrechte in het geheel niet heeft verwarmt. Het hof zal het betreffende bedrag vaststellen op gemiddeld € 40,-- per maand, derhalve € 480,-- per jaar. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de extra stookkosten met name gemaakt worden in de wintermaanden en dat van extra stookkosten in aanzienlijk mindere mate sprake is in de zomermaanden. Verder heeft het hof bij de schatting rekening gehouden met hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld over de omvang van haar appartement en met hetgeen overigens uit het dossier is gebleken omtrent de situatie in het pand. Hetgeen door partijen is aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten om van een ander bedrag uit te gaan. 6.10.
  64. [geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de extra stookkosten over een periode van vier jaar. Het hof zal ter zake daarom een bedrag van vier keer € 480,-- is € 1.920,-- toewijzen. Het betreden vonnis moet dus worden vernietigd voor zover daarbij het hogere bedrag van € 4.940,-- is toegewezen. Grief 7 heeft dus ten dele doel getroffen. Met betrekking tot grief 8: de proceskosten van het geding bij de rechtbank 6.11.
  65. De rechtbank heeft [appellant] in de proceskosten van de verzetprocedure en de verstekprocedure veroordeeld. [appellant] is daar met grief 8 tegen opgekomen. 6.11.
  66. Naar het oordeel van het hof moet [appellant] gelet op hetgeen naar aanleiding van de grieven 1 tot en met 7 is geoordeeld, worden beschouwd als de in het geding in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof acht het daarom juist dat [appellant] in de proceskosten van de verstekprocedure en de verstekprocedure is veroordeeld. Het hof volgt [appellant] ook niet in zijn stelling dat de rechtbank de proceskosten op een onredelijk hoog bedrag heeft vastgesteld. Dit brengt mee dat grief 8 moet worden verworpen. Conclusie en afwikkeling 6.12.
  67. Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis ten dele moet worden bekrachtigd en ten dele moet worden vernietigd. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. 6.12.
  68. Naar het oordeel van het hof is [appellant] in dit hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld. Het hof zal [appellant] daarom veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 7De uitspraak Het hof: vernietigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/260831 en rolnummer HA ZA 13-206 in verzet gewezen vonnis van 28 oktober 2015, uitsluitend voor zover het betreft: de verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] handelt, dan wel heeft gehandeld, doordat hij zijn privé gedeelte niet heeft verzekerd, althans nalaat dat aan te tonen; de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 4.940,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 3 december 2014; in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst de vordering van [geïntimeerde] ter zake de verklaring voor recht met betrekking tot de verzekering van het privé gedeelte van [appellant] af; veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] € 1.920,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 3 december 2014; verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/260831 en rolnummer HA ZA 13-206 in verzet gewezen vonnis van 28 oktober 2015 voor het overige; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 718,-- aan griffierecht en op € 1.737,-- aan salaris advocaat Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 februari
  69. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.