GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer HD 200.220.716/01 arrest van 19 maart 2019 in de zaak van [appellant] , handelend onder de naam Bouwbedrijf [vestigingsnaam] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. R.A.J. Zomer te Oosterhout (NB), tegen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. K. Zeylmaker te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 3 juli 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) gewezen vonnis van 10 mei 2017 tussen appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en geïntimeerden – gezamenlijk [geintimeerden c.s.] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 5023156 CV EXPL 16-2734) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 24 augustus 2016. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep en het herstelexploot van 29 augustus 2017; - de memorie van grieven, met producties; - de memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast. In het voorjaar van 2014 heeft [geintimeerden c.s.] contact gezocht met [appellant] ten behoeve van het verbouwen van de aan te kopen woning op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Medio 2014 heeft [appellant] handgeschreven overzichten van werkzaamheden met bedragen opgesteld en aan [geintimeerden c.s.] verstrekt. Op 20 september 2014 hebben partijen elkaar gesproken over de kosten en de besparingen die [geintimeerden c.s.] kon behalen door zelf werkzaamheden te verrichten bij de verbouwing van de inmiddels aangekochte woning. Op 4 oktober 2014 is [appellant] aangevangen met de verbouwingswerkzaamheden. Op 24 oktober 2014 heeft [appellant] een eerste termijn van € 10.000,-- aan [geintimeerden c.s.] gefactureerd, welke door [geintimeerden c.s.] is voldaan. Bij e-mailbericht van 30 oktober 2014 heeft [appellant] een offerte aan [geintimeerden c.s.] verstrekt. Op 28 november 2014 heeft [appellant] een tweede termijn van € 10.000,-- aan [geintimeerden c.s.] gefactureerd, welke door [geintimeerden c.s.] is voldaan. Op 18 januari 2015 heeft [appellant] een factuur aan [geintimeerden c.s.] gezonden met als vermelding “afrekening t/m 31 december 2014” voor een bedrag van € 4.357,58. In een gesprek op 18 januari 2015 en bij e-mailbericht van 26 januari 2015 heeft [geintimeerden c.s.] aan [appellant] haar zorgen geuit over de voortgang van de werkzaamheden. Op 27 januari 2015 heeft [appellant] in een gesprek aan [geintimeerden c.s.] medegedeeld dat hij geen verdere werkzaamheden meer zal verrichten totdat de factuur van 18 januari 2015 wordt betaald. Op 28 januari 2015 is [appellant] in de woning van [geintimeerden c.s.] geweest om zijn gereedschap en werkmateriaal op te halen. Op 29 januari 2015 heeft [geïntimeerde 2] aangifte gedaan bij de politie van diefstal van spullen uit de woning, waaronder een zaag. Bij brief van 30 januari 2015 heeft de gemachtigde van [geintimeerden c.s.] [appellant] gesommeerd om zijn werkzaamheden te hervatten. Als reactie heeft [appellant] bij brief van 3 februari 2015 aan de gemachtigde van [geintimeerden c.s.] medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden zal hervatten na betaling van de factuur van 18 januari 2015. Op 13 februari 2015 heeft [appellant] een factuur aan [geintimeerden c.s.] gezonden voor geleverde materialen voor een bedrag van € 1.131,18. Bij brief van 23 februari 2015 heeft de gemachtigde van [geintimeerden c.s.] aan [appellant] medegedeeld dat het werk nog niet af is, dat daarom niet aan betalingsverzoeken wordt voldaan en dat het expertisebureau BBAN is ingeschakeld. Op 23 februari 2015 heeft het expertisebureau BBAN een inspectie ter plaatse uitgevoerd ter zake de verbouwingswerkzaamheden, waar [appellant] niet bij aanwezig is geweest. In het rapport van BBAN van 23 februari 2015 staat vermeld dat er gebreken zijn en dat de totale herstelkosten € 37.660,-- exclusief BTW zijn, waarvan € 16.357,-- aan nog uit voeren kosten en € 21.303,-- aan herstelkosten van gebreken. Op 4 mei 2015 heeft BBAN een aanvullend rapport uitgebracht. Bij brief van 20 maart 2015 heeft de gemachtigde van [geintimeerden c.s.] [appellant] een kopie van het rapport van BBAN toegezonden, hem gesommeerd om het werk af te ronden en gebreken te herstellen conform het rapport. Op 21 april 2015 heeft [appellant] een contra-expertise laten uitvoeren door HMT Bouwtechniek. In mei 2015 heeft [geintimeerden c.s.] een voorlopig deskundigenonderzoek verzocht bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Op 17 december 2015 heeft de gerechtelijke deskundige, Kattevilder, het volgende geoordeeld: 3. Welke werkzaamheden zijn nog niet (geheel) uitgevoerd en welke kosten zijn verbonden aan het alsnog uitvoeren van deze onderdelen, zowel, (…)b. ervan uitgaande dat de werkzaamheden door een derde moeten worden uitgevoerd? (…) Ook hier zijn wij uitgegaan van de begroting gebaseerd op de tekening. De nog uit te voeren werkzaamheden zijn in het spreadsheet overzicht opgenomen kolom Q en de hierbij behorende kosten bedragen € 57.309,57 incl. 21% B.T.W. 4. Voldoen de uitgevoerde werkzaamheden aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap? Niet het gehele werk voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. (…). 5. Hoe hoog zijn de kosten die gemoeid zijn met herstel van de eventueel ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden? Deze kosten heb ik in het spreadsheet weergegeven in kolom S. totaal inclusief 2l% B.T.W. € 4.029,91. (…)” [appellant] is na de aangifte door [geïntimeerde 2] door de politie verhoord als verdachte en hij heeft vervolgens een klacht ingediend bij de politie over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en hij heeft inzage in het dossier gevraagd. 3.2. [appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd [geintimeerden c.s.] te veroordelen: - € 6.271,41 inclusief btw (onbetaalde facturen), - € 876,83 ( buitengerechtelijke kosten), - € 4.150,-- inclusief btw (winstmarge), - € 12.322,86 ( schadevergoeding, kosten deskundigen) en - € 618,88 ( advocaatkosten in verband met politieverhoor) aan hem te betalen, te vermeerderen met rente, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten van het geding. [geintimeerden c.s.] heeft verweer gevoerd. 3.3. [geintimeerden c.s.] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd: - primair betaling van € 39.147,13 inclusief btw (vervangende schadevergoeding), te vermeerderen met rente, - subsidiair benoeming van een nieuwe deskundige, een verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de geconstateerde gebreken en betaling van een bedrag, op te maken bij staat, - meer subsidiair € 4.029,94 inclusief btw (schadevergoeding), te vermeerderen met rente, - primair, subsidiair en meer subsidiair: teruggave van een zaag, een emmer, drie deurkozijnen en een bundel panlatten, op straffe van een dwangsom, € 1.757,10 inclusief btw (expertisekosten), € 2.874,36 (voorlopig deskundigenbericht), € 2.700,-- (dubbele woonlasten), € 26.262,30 (afsluiten tweede hypotheek), € 1.985,50 inclusief btw (kinderopvang), nader op te maken bedrag (art. 6:96 lid 2 sub c BW) dan wel € 1.253,64 dan wel € 902,47 inclusief btw (buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met rente, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. [appellant] heeft verweer gevoerd. 3.4. De kantonrechter heeft in het vonnis van 10 mei 2017 het gevorderde in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld: - € 32.159,71 ( vervangende schadevergoeding), - € 2.874,36 ( voorlopig deskundigenbericht), - € 2.987,32 ( extra hypotheekkosten) en - € 1.253,64 ( buitengerechtelijke kosten) aan [geintimeerden c.s.] te betalen, te vermeerderen met rente. De kantonrechter heeft het meer of anders in reconventie gevorderde afgewezen en [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld. 3.5. [appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot toewijzing van het door hem gevorderde en tot afwijzing van het door [geintimeerden c.s.] gevorderde. [geintimeerden c.s.] heeft verweer gevoerd. Zij heeft naar het hof begrijpt geconcludeerd tot bekrachtiging. Zij heeft een incidenteel appel in haar bewijsaanbod (memorie van antwoord, 110) en petitum genoemd, maar zij heeft naar het hof begrijpt geen incidenteel appel ingesteld. Nergens heeft zij grieven gericht tegen een vonnis van de kantonrechter. 3.6. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.7. Het hof is bevoegd van het geschil kennis te nemen. [geïntimeerde 1] had ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding woonplaats in [woonplaats] (conclusie van antwoord in conventie, 3). Partijen hebben er kennelijk voor gekozen de zaak aan de kantonrechter te Breda voor te leggen (conclusie van antwoord in conventie, 3). 3.8. Het hof verwerpt het standpunt van [geintimeerden c.s.] over de appeldagvaarding (memorie van antwoord, 5). [geintimeerden c.s.] heeft ter toelichting opgemerkt dat de appeldagvaarding is uitgebracht aan een voormalig kantooradres van mr. Zeylmaker (ARAG) en dat het herstelexploot na het verstrijken van de appeltermijn is uitgebracht. Het hof is van oordeel dat de appeldagvaarding voldoet aan de eisen genoemd in de artikelen 45 lid 3 en 111 Rv (zie ook de e-mail aan de advocaten namens de rolraadsheer, gedateerd 29 augustus 2017). 3.9. Het hof verwerpt het bezwaar van [appellant] tegen de memorie van antwoord (brief van 29 januari 2018). [appellant] heeft ter toelichting opgemerkt dat deze memorie is ondertekend door mr. Evers, dus niet mr. Zeylmaker. Het hof overweegt dat mr. Evers verbonden is aan hetzelfde kantoor als mr. Zeylmaker en klaarblijkelijk in opdracht van mr. Zeylmaker heeft getekend. 3.10. Het eerste geschilpunt spitst zich toe op de vraag of [appellant] zich heeft verbonden het gehele werk (het verbouwde huis) op te leveren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] werkzaamheden moest uitvoeren en dat [geintimeerden c.s.] daarvoor een prijs moest betalen. [appellant] kwalificeert de afspraken als regie (dus geen verbintenis het gehele werk op te leveren voor een vast bedrag) (onder andere memorie van grieven, randnummer 37). [geintimeerden c.s.] kwalificeert de afspraak als aanneming voor een vaste prijs van € 43.890,00 inclusief btw (productie 1, inleidende dagvaarding). De kantonrechter heeft een richtprijs voor het gehele werk aangenomen: € 45.237,00 richtprijs inclusief btw (“offerte”, productie 1 bij inleidende dagvaarding) + 10% maximale marge zonder nader overleg = € 49.760,70. [geintimeerden c.s.] heeft deze benadering geaccepteerd. 3.11. Het hof neemt de stelling van [geintimeerden c.s.] in aanmerking dat [appellant] de gehele verbouwing moest uitvoeren voor de vaste prijs (memorie van antwoord, 10-13). [geintimeerden c.s.] heeft zich beroepen op: - de rapportages van haar adviseur BBAN (3.1 p-t hiervoor; producties 27 en 28 bij conclusie van antwoord in conventie), - het rapport van de afdeling toezicht van de gemeente Breda (productie 26 bij conclusie van antwoord in conventie), - een offerte van [adviesbureau] adviesbureau voor bouwconstructies b.v. (productie 36 bij de eerste akte van 21 november 2016), - het bestek van ASR Bouwbedrijf BV (productie 37 bij de eerste akte van 21 november 2016), - een rapport van WBI Service B.V. (productie 42 bij de tweede akte van 21 november 2016) en - de door de rechtbank benoemde deskundige Kattevilder (3.1 v en w hiervoor; voorlopig deskundigenonderzoek; productie 15 bij inleidende dagvaarding). Partijen waren betrokken bij het onderzoek van de deskundige Kattevilder. Het rapport van Kattevilder heeft dan ook dezelfde bewijskracht als een deskundigenbericht dat op de gewone wijze in een aanhangig geding heeft plaatsgehad (art. 207 lid 1 Rv). Alle voornoemde deskundigen hebben gerapporteerd dat het werk niet af is en dat er gebreken zijn. 3.12. Deze deskundigen hebben ook gewezen op onduidelijkheid wat betreft de afspraken (memorie van grieven, 42-44). 3.13. [appellant] stelt dat werkzaamheden zoals het werk van de dakdekker, de nutsvoorzieningen en het werk van de loodgieter en de elektricien in elk geval, buiten [appellant] om, door [geintimeerden c.s.] rechtstreeks zouden worden geregeld en betaald (memorie van grieven, 15 b, 18, 23, 49, 54; memorie van antwoord, 19-20). Dergelijke werkzaamheden zijn kennelijk wel meegenomen door Kattevilder in zijn begroting van het “totale werk” (€ 93.149,29; memorie van grieven, 25). 3.14. Het had bij deze stand van zaken naar het oordeel van het hof op de weg van [geintimeerden c.s.] gelegen nader uit te leggen wat onder “het werk” (door [appellant] uit te voeren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70) moet worden verstaan. [geintimeerden c.s.] heeft dat nagelaten. [geintimeerden c.s.] heeft geen analyse gemaakt van welke werkzaamheden [appellant] moest uitvoeren voor welk bedrag. 3.15. [geintimeerden c.s.] heeft wel gewezen op de handgeschreven geschriften en de “offerte”. De inhoud van deze stukken biedt echter geen duidelijkheid over wat “het werk” betekent (3.1 b hiervoor; productie 1 bij inleidende dagvaarding). Uit deze stukken kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat ( [geintimeerden c.s.] redelijkerwijs mocht verwachten dat) [appellant] het gehele verbouwde huis, conform de begroting van Kattevilder, moest opleveren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70. Dit blijkt uit het volgende. In de handgeschreven geschriften (productie 1, inleidende dagvaarding) staat onder meer (in het handschrift van [appellant] ): - onder “Woonkamer”: vloer uitnemen, balklaag uitnemen, zand inbrengen, isolatie vloer, betonwapening, beton storten, vloerverwarming (enz., onleesbaar); - onder “Sloopwerk”: achterkamer/bijkeuken, garage, betonplaat verwijderen, wanden bovenverdieping; - onder “Achterbouw”: uitzetten, uitgraven fundering, bekisting, isolatie vloer, betonwapening, beton storten, profielen stellen, metselwerk, achterpui (onder, boven, dak), garagedeuren, kozijnen stellen, staalconstructie, voorzetwanden, wanden bovenverd., balklaag (1e verd., 2e verd.), HEA, vloeren leggen, trap, isolatie gevels, dakbeschot, constructie, dakdekker, pannen, goot voorzijde, stucwerk, steiger, dakramen, dakkapel voorzijde; - “ excl. CV-installatie, elektra, water/gas”. In de “offerte” (productie 2, inleidende dagvaarding) staat onder meer: - uitnemen vloer woonkamer en vervangen door betonvloer (€ 4.800,--); - eventueel vloerverwarming aanbrengen (€ 1.100,--); - bestaande achterkamer en bijkeuken slopen, nieuwe fundering aanbrengen t.b.v. nieuwe achterkamer, keuken en uitbouw garage. Opbouw balkon, nieuwe badkamer en achterkamer (€ 19.400,--); - dakkapel uitvoer voor en achterzijde (€ 7.800,--); - totaal inclusief btw € 45.237,--; - excl. CV installatie, Electra, Water/Gas (versie “d”). In versie “d” (productie 1, inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde 1] (c.s.) in haar handschrift onder meer toegevoegd: - “ offertebespreking [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] zat. 20 sept. 2014” - voorstel 4 oktober start, mensen regelen sloop, container regelen, [appellant] zelf +/- € 43890,-, [appellant] + K2 +/- € 36890,-, rekening houdend met stelposten, uitgewerkte offerte volgt + opdracht ter bevestiging, volgende week contact na definitieve aanvraag vergunning. Uit het voorgaande blijkt dat onduidelijk is gebleven of [appellant] bij de uitvoering van “het werk” het gehele huis moest verbouwen. 3.16. [geintimeerden c.s.] lijkt ervan uit te gaan dat [appellant] het gehele werk conform de tekeningen moest opleveren (conclusie van antwoord in conventie, 11; lijst gebreken, blz. 7-8, brief van 30 november 2015 van mr. Zeylmaker, bijlage bij het deskundigenbericht, productie 15 bij inleidende dagvaarding; memorie van antwoord, 13, 17, 43). [geintimeerden c.s.] wijst erop dat zij de tekeningen heeft opgezocht respectievelijk laten opmaken en dat de tekeningen voor de aanvang van de werkzaamheden aan [appellant] ter hand zijn gesteld (conclusie van antwoord in conventie, 9, 11). Maar [geintimeerden c.s.] heeft niets gesteld waaruit volgt dat [appellant] zich heeft verbonden alle werkzaamheden die uit de tekeningen voortvloeien te realiseren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70. [geintimeerden c.s.] heeft niet uitgelegd wat [appellant] concreet heeft gezegd of gedaan waaruit [geintimeerden c.s.] mocht afleiden dat [appellant] daarmee wenste in te stemmen (conclusie van antwoord in conventie, 11-13; memorie van antwoord, 12 en verder). De handgeschreven geschriften en de getypte “offerte” (producties 1-2 bij inleidende dagvaarding) zijn in dat kader onvoldoende. In deze stukken wordt niet verwezen naar de tekeningen. De geschriften zijn niet ondertekend. De geschriften zijn kennelijk, gezien het handschrift, in niet geringe mate opgesteld door [geintimeerden c.s.] De letters “ [letter 1] ” en “ [letter 2] ” zijn op enig moment door iemand toegevoegd, waaruit volgt dat bepaalde werkzaamheden zouden worden uitgevoerd door [appellant] ( [appellant] ) en andere door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ( [geintimeerden c.s.] ). [geintimeerden c.s.] gaat ervan uit dat “besparingen” mogelijk waren (dus een lagere prijs) indien zij zelf bepaalde werkzaamheden zou uitvoeren (conclusie van antwoord in conventie, 12). [geintimeerden c.s.] heeft niet concreet de omstandigheden omschreven: wanneer en in overleg met wie zijn de verschillende onderdelen opgemaakt? Deze geschriften maken aldus niet duidelijk dat [appellant] zich heeft verbonden het gehele werk conform tekeningen op te leveren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70. 3.17. De omstandigheid dat de deskundige Kattevilder de redelijke kosten van de werkzaamheden conform tekeningen heeft begroot op € 93.149,29 inclusief btw levert een duidelijke aanwijzing op dat [geintimeerden c.s.] pas op grond van ondubbelzinnige gedragingen van [appellant] redelijkerwijs zou mogen aannemen dat [appellant] bereid was het gehele werk conform tekeningen op te leveren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70. Over dergelijke gedragingen is niets gesteld (memorie van antwoord, 18). 3.18. De conclusie wat betreft het eerste geschilpunt – de vraag of [appellant] zich heeft verbonden het gehele werk (het verbouwde huis) op te leveren voor € 43.890,00, € 45.237,00 of € 49.760,70 – is dat de stellingen van [geintimeerden c.s.] op dit punt onvoldoende zijn onderbouwd en niet tot toewijzing van het door haar gevorderde kunnen leiden. 3.19. Het tweede geschilpunt betreft de vraag hoe partijen met elkaar moeten afrekenen. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst verder niet wordt uitgevoerd. Zij hebben zich in feite neergelegd bij een beëindiging van de overeenkomst onder voorbehoud van aanspraken op schadevergoeding (memorie van grieven, 117; vergelijk HR 08-07-2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012, 684, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (G4 Beheer/Hanzevast Beleggingen)). Het hof leidt dit af uit de volgende omstandigheden. [appellant] heeft het werk gestaakt. [geintimeerden c.s.] heeft nagelaten de laatste facturen te voldoen. [geintimeerden c.s.] heeft het werk door derden laten afmaken. [geintimeerden c.s.] maakt aanspraak op vervangende schadevergoeding (niet: nakoming in de zin van uitvoering van werkzaamheden). [geintimeerden c.s.] wenst dus in geld af te rekenen. [appellant] meldt dat [geintimeerden c.s.] hem in de gelegenheid had moeten stellen voor herstel van gebreken (memorie van grieven, 31). Echter, dit verweer heeft (indien juist) mogelijk gevolgen voor de hoogte van de schadevergoeding, maar niet voor het recht van [geintimeerden c.s.] om schadevergoeding te vorderen (zie de conclusie van advocaat-generaal mr. Valk, ECLI:NL:PHR:2017:1164, nr. 2.18). Ook [appellant] wenst (in dit stadium) in geld af te rekenen. 3.20. Het voorgaande betekent dat de vragen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.