GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer gerechtshof 200.159.624/01 (zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, C/02/257243) arrest van 26 maart 2019 in de zaak van CYCLE BEHEER B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna: Cycle Beheer, advocaat: mr. L.H.A. Andriessen, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] (België), geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. D.J.M.C. Sieler. 1Het verdere verloop van het geding 1.1. Voor het verloop van de procedure tot 8 september 2015 wordt verwezen naar het arrest van die datum. [geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord in principaal hoger beroep genomen, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende wijziging van eis. Vervolgens heeft Cycle Beheer een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep genomen (met producties). Daarop volgde het schriftelijk pleidooi van 12 december 2017 waarvan de pleitnota’s zich bij de stukken bevinden. 1.2. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1. [geïntimeerde] is actief geweest als professioneel wielrenner. [sports financial management] Sports & Financial Management B.V. (hierna: [sports financial management] ) heeft vanaf 2004 in opdracht van [geïntimeerde] voor hem bemiddeld bij de totstandkoming/wijziging van arbeidsovereenkomsten bij professionele wielerploegen. 2.2. De werkzaamheden van [sports financial management] als zaakwaarnemer van [geïntimeerde] werden feitelijk uitgevoerd door [zaakwaarnemer] . 2.3. Er bestaat een stuk genaamd “vertegenwoordigingsovereenkomst” waarin [sports financial management] en [geïntimeerde] als partij worden genoemd, gedateerd 9 januari 2006. 2.4. Vanaf 9 januari 2007 tot in ieder geval 22 augustus 2014 is de Holding [holding] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder geweest van het op 13 mei 2001 opgerichte Cycle Beheer B.V. Beide vennootschappen zijn gevestigd op de [adres] in [vestigingsplaats] , hetgeen blijkens productie 2 bij inleidende dagvaarding ook het privéadres van [zaakwaarnemer] is. 2.5. Door tussenkomst van [zaakwaarnemer] is [geïntimeerde] in september 2008 een arbeidsovereenkomst aangegaan met de Belgische wielerploeg Silence-Lotto. 2.6. Op 20 mei 2009 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [zaakwaarnemer] en een vriend van [geïntimeerde] , de heer [vriend van geintimeerde] (hierna: [vriend van geintimeerde] ). In het naar aanleiding hiervan opgestelde gespreksverslag van 24 mei 2009 (productie 20 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) is onder meer opgenomen dat [zaakwaarnemer] met een voorstel zou komen om de samenwerking te beëindigen. 2.7. Op 15 oktober 2009 hebben [zaakwaarnemer] en [geïntimeerde] een bespreking gehad. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [zaakwaarnemer] [geïntimeerde] op 16 oktober 2009 een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “(…) Zoals afgesproken stuur ik je deze mail met mijn bankgegevens en ook bevestig ik graag de herziene afspraak welke we samen en in goed overleg over de openstaande vorderingen/provisies maakte: • [geïntimeerde] [hof: [geïntimeerde] ], je betaalt de achterstand van 2007 / 2008 nu (vandaag 16-10-2009) ineens: te weten de € 58.075,80 op rekeningnummer RABO [rabobankrekeningnummer] met IBANcode: (…) • [geïntimeerde] , je betaalt me ook € 28.000 vóór het einde van dit jaar 31-12-2009 ter voldoening van een deel verschuldigd met betrekking tot 2009. • Het restant, zijnde een provisie van € 52.000,- o.b.v. contracten tot eind 2010, blijf je [geïntimeerde] aan mij [zaakwaarnemer] of een mij toebehorende vennootschap verschuldigd zij het slechts “voorwaardelijk” en behoeft dan en slechts door je te worden voldaan indien aan de navolgende voorwaarden werd voldaan: 1. Indien en wanneer jij, [geïntimeerde] weer na je aanstaande schorsing actief wordt als wielrenner; 2. Indien en wanneer de uit je hernieuwde wieleractiviteit en daaraan verbonden contracten en/of een beëindigingsovereenkomst met je huidige team, jou voldoende inkomsten verschaffen om geheel of in delen de vordering te voldoen. [geïntimeerde] zal, indien hij stelt dat aan deze voorwaarde (nog) niet en/of nog niet voldoende wordt voldaan en [zaakwaarnemer] hieraan twijfelt, op een transparante wijze hiertoe strekkende informatie verschaffen. [geïntimeerde] , ik zie graag heden je bevestiging en betaling van het bedrag bij het eerste gedachtebolletje tegemoet. Groeten, [zaakwaarnemer] ” 2.8. [geïntimeerde] heeft een bedrag van € 58.075,80 op een door [zaakwaarnemer] opgegeven rekeningnummer betaald. 2.9. In een brief van 16 oktober 2012 van [geïntimeerde] aan de raadsman van Cycle Beheer staat onder meer: “(…) Onder Nederlands Recht kan de door u genoemde vertegenwoordigingsovereenkomst d.d. 9 januari 2006 niet zonder mijn medewerking worden overgedragen aan een derde partij. Zou ik al een bedrag verschuldigd zijn, wat ik overigens ten zeerste betwist, dan zeker niet aan uw cliënte. Uw cliënte heeft geen werkzaamheden voor mij uitgevoerd onder een nieuwe vertegenwoordigingsovereenkomst en heeft derhalve geen enkel recht op welke vordering dan ook. Ik wens graag het verleden achter me te laten en adviseer uw cliënte dat ook te doen, zodat we allebei niet genoodzaakt zijn nog meer oude koeien uit de sloot te halen via een rechtsgang of de media. Wellicht ten overvloede wens ik uw cliënte erop te wijzen dat de voornoemde vertegenwoordigingsovereenkomst is opgesteld naar Nederlands Recht en elk dispuut aan een daartoe bevoegde rechter in Nederland kan worden voorgelegd, zo ook de betwiste vorderingen. (…) Voorts zal ik hier en nu niet verder inhoudelijk ingaan op de door u uiteengezette punten en argumentatie in uw schrijven d.d. 12 september 2012. Ik voel me niet gehouden om tot welke betaling dan ook over te gaan en verwerp de door u opgelegde ingebrekestelling. Voor het verdere verloop van deze kwestie behoud ik me alle rechten en weren voor.” 3. De motivering van de beslissing in zowel principaal als incidenteel hoger beroep 3.1. Het gaat in deze zaak allereerst over de vraag of Cycle Beheer (een in Nederland gevestigde onderneming) van [sports financial management] het contract met [geïntimeerde] (die in België woont) heeft overgenomen. De rechtbank heeft zich bevoegd geoordeeld om hierover te beslissen, heeft Nederlands recht van toepassing verklaard en heeft de vorderingen van partijen over en weer afgewezen. Cycle Beheer vorderde in conventie uit hoofde van de contractsoverneming in hoofdsom € 83.250,00 van [geïntimeerde] , terwijl [geïntimeerde] in reconventie een verklaring voor recht heeft gevorderd erop neerkomend dat er geen sprake is geweest van contractsoverneming. Voorts zijn voor het geval in conventie een toewijzing zou volgen, in voorwaardelijke reconventie een groot aantal vorderingen door [geïntimeerde] ingesteld, maar aan de beoordeling daarvan is de rechtbank niet toegekomen. 3.2. Tegen het vonnis van de rechtbank heeft Cycle Beheer vier grieven aangevoerd. Ook heeft zij haar eis gewijzigd in die zin dat zij thans vordert veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 83.250,00 aan haarzelf dan wel aan [zaakwaarnemer] . 3.3. [geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en eveneens zijn eis in hoger beroep gewijzigd in die zin dat hij zijn in eerste aanleg ingestelde onvoorwaardelijke vorderingen in reconventie in hoger beroep intrekt. In zijn enige grief betoogt [geïntimeerde] dat hiermee het hof alsnog niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Bevoegdheid van het hof 3.4. Het hof stelt voorop dat tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is niet is gegriefd, zodat het hof daarvan hierna zal uitgaan. In geschil is wel of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening EG 44/2001 (Brussel-I). Deze verordening is immers temporeel van toepassing omdat de dagvaarding is uitgebracht op 12 november 2012 (art. 76 jo. 66 lid 1 Brussel-I). Daarnaast gaan partijen er - terecht - van uit dat het hier een burgerlijke- of handelszaak betreft in de zin van art. 1 Brussel-I en de in dat artikel genoemde uitzonderingen zich niet voordoen, zodat deze verordening ook materieel van toepassing is. Formeel is de verordening Brussel-I van toepassing reeds omdat [geïntimeerde] , de verweerder in eerste aanleg, woonplaats heeft in België, een EU-lidstaat. 3.5. De rechtbank heeft haar bevoegdheid gebaseerd op haar in rechtsoverweging 3.13 in het vonnis te lezen uitleg van art. 6 sub 3 Brussel-I in relatie tot de litispendentie- en connexiteitsregeling van art. 27 e.v. Brussel-I. De bevoegdheidsgronden die Cycle Beheer had aangevoerd heeft de rechtbank verworpen en daartegen grieft Cycle Beheer met haar tweede en derde grief in het principaal hoger beroep stellende dat de rechtbank haar bevoegdheid op een van die gronden had moeten aannemen. Ook [geïntimeerde] heeft - in het incidenteel hoger beroep - een grief gericht tegen de overweging in het vonnis op basis waarvan de rechtbank haar bevoegdheid heeft aangenomen, stellende dat het hof zich onbevoegd moet verklaren. Het hof overweegt over de bevoegdheidsvraag als volgt. 3.6. De door [geïntimeerde] in eerste aanleg ingediende reconventionele vordering dient verknocht te zijn aan de vordering van Cycle Beheer in eerste aanleg in conventie. Van verknochtheid is hier sprake. De vordering in conventie is gegrond op het bestaan van een overeenkomst terwijl de tegenvordering gericht is op een verklaring voor recht dat er geen overeenkomst als in conventie gesteld, tussen partijen bestaat. De tegenvordering spruit derhalve voort uit het zelfde feitencomplex waarop de vordering in conventie is gegrond (zie ook HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3105). 3.7. Maar anders dan de rechtbank kennelijk heeft overwogen geeft art. 6 sub 3 Brussel-I geen van de conventie te scheiden bevoegdheidsgrond voor de tegenvordering. Art. 6 sub 3 Brussel-I geeft een accessoire bevoegdheidsregel waarbij het ontbreken van rechtsmacht in de conventie tevens het lot van de bevoegdheid ten aanzien van de verknochte tegenvordering bepaalt en niet andersom. Dit wordt niet anders met de door de rechtbank in haar overwegingen betrokken litispendentie-en/of connexiteits aangelegenheden omdat zij enkel bevoegdheid kunnen ontnemen en niet bevoegdheid kunnen creëren. Maar dit betekent nog niet dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geoordeeld. 3.8. Met haar tweede en derde grief komt Cycle Beheer op tegen overwegingen 3.9 tot en met 3.11 van de rechtbank op grond waarvan de rechtbank heeft geconcludeerd dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet kan volgen uit een forumkeuzebeding in de zin van art. 23 Brussel-I, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.