GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer: 200.248.983/01 zaaknummer rechtbank: C/08/163317 / ES RK 14-3003 zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: 200.168.906 beschikking van de meervoudige kamer van 4 april 2019 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. T. Hermans te Enschede, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo. Na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij beschikking van 8 september 2017 1Het geding tot en met de beschikking van de Hoge Raad 1.1 Bij beschikking van de rechtbank Overijssel (Almelo) van 29 januari 2015, heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 23 april 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank Overijssel (Almelo) voorts, voor zover thans van belang, overwogen dat de volledige waarde van de echtelijke woning in de verdeling wordt betrokken en bepaald dat aan de man wordt toebedeeld deze echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] , alsmede de geldlening bij de [bank] onder leningnummer [leningnummer] en is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag ad € 181.617,69 (de helft van de overwaarde van de woning). 1.2 Bij beschikking van 4 februari 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden partijen verzocht aan het hof bij akte mede te delen welke waarde van de woning zij zullen hanteren, zoals overwogen in rov. 5.6 van die beschikking. 1.3 Bij beschikking van 26 april 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank Overijssel (Almelo) van 29 januari 2015 vernietigd, uitsluitend voor zover het betreft het door de man aan de vrouw te betalen bedrag en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 159.117,69 (de helft van de overwaarde van de woning). 1.4 Tegen deze beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, met subonderdelen. Bij beschikking van 8 september 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onderdeel 1 feitelijke grondslag mist, de onderdelen 2.3, 2.4 en 2.5 slagen en dat de klachten van onderdeel 3 geen behandeling behoeven. Naar aanleiding van de onderdelen 2.1 en 2.2 heeft de Hoge Raad “met het oog op de procedure na verwijzing (…)” nog het volgende overwogen: “Indien, zoals de man in hoger beroep onder verwijzing naar HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378, heeft betoogd en hij in onderdeel 2.2 bepleit, de akte aldus moet worden uitgelegd dat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen dat ertoe strekte de tegenprestatie voor de verkrijging van het aandeel van de moeder in de woning ten laste van het door de man van haar onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen te laten komen, leidt (analoge toepassing van) art. 1:124 lid 2 (oud) BW ertoe dat de woning buiten de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw is gebleven. In dat geval kan de vrouw aanspraak maken op een vergoeding aan de huwelijksgemeenschap ter zake van het aandeel in de woning dat de man zonder uitsluitingsclausule uit de nalatenschap van zijn vader heeft verkregen.” De Hoge Raad heeft de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2016 en 26 april 2016 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. 1.5 De vrouw heeft bij exploot van 4 juli 2018 de man gedagvaard/opgeroepen om te verschijnen op de rol van dinsdag 16 oktober 2018 teneinde met de vrouw verder te procederen. Dit hof heeft de zaak daarop ingeschreven onder zaaknummer 200.247.788/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.