GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 april 2019 Zaaknummer: 200.249.297/01 Zaaknummer eerste aanleg: 7107393 TT 18-538 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. C.C.A. Stallen. Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: - Bewindvoerderskantoor [bewindvoerderskantoor] , in haar hoedanigheid van curator van [appellant] en diens echtgenote mevrouw [echtgenote] (hierna te noemen: de curator). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 augustus
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 5 november 2018, heeft [appellant] (naar het hof begrijpt:) verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn verzoek tot opheffing van de curatele alsnog toe te wijzen. 2.
- Bij brief van 13 november 2018 heeft de griffier van het hof aan mr. Stallen bericht dat het hof de zaak niet verder in behandeling kan nemen, omdat de stukken niet compleet zijn. Het hof heeft mr. Stallen verzocht om uiterlijk op 27 november 2018 het beroepschrift inclusief de bestreden beschikking en het complete procesdossier van de eerste aanleg (inclusief bijlage(n)), in zevenvoud, per post toe te zenden. 2.
- Bij V5-formulier van 27 november 2018 heeft mr. Stallen het hof om vier weken uitstel verzocht voor het indienen van de ontbrekende stukken. 2.
- Bij brief van 28 november 2018 heeft de griffier van het hof het uitstelverzoek van mr. Stallen gehonoreerd en bepaald dat de ontbrekende stukken uiterlijk op 12 december 2018 in zevenvoud door het hof moeten zijn ontvangen. 2.
- Bij V5-formulier van 12 december 2018 heeft mr. Stallen het hof om twee weken uitstel verzocht voor het indienen van de ontbrekende stukken. 2.
- Bij brief van 21 december 2018 heeft de griffier van het hof het uitstelverzoek van mr. Stallen gehonoreerd en tot en met 2 januari 2019 uitstel verleend. 2.
- Bij V5-formulier van 2 januari 2019 heeft mr. Stallen het hof andermaal om twee weken uitstel verzocht voor het indienen van de ontbrekende stukken. 2.
- Het hof heeft, in reactie op voornoemd uitstelverzoek van mr. Stallen, bij brief van 10 januari 2019 [appellant] en de curator opgeroepen voor een mondelinge behandeling waarbij enkel de ontvankelijkheid van [appellant] in het verzoek in hoger beroep zou worden behandeld. 2.
- De mondelinge behandeling, waarbij dus uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is geweest, heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Stallen; namens de curator, mevrouw [medewerker 1] en de heer [medewerker 2] . 3De beoordeling Ontvankelijkheid 3.
- Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Stallen verklaard dat zij thans over het volledige procesdossier van de eerste aanleg beschikt en dat zij dit procesdossier alsmede een extra exemplaar van het beroepschrift naar de zitting heeft meegenomen. Mr. Stallen heeft – desgevraagd door het hof – het procesdossier van de eerste aanleg ter zitting aan het hof en de curator ter inzage gegeven. 3.
- Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep voor beraad heeft het hof vastgesteld dat het procesdossier van de eerste aanleg thans – voor zover bekend – volledig door mr. Stallen is overgelegd. 3.
- De curator heeft ter zitting verklaard dat de inhoud van de stukken in het procesdossier van de eerste aanleg hem niet onbekend is. De curator heeft ter zitting – desgevraagd door het hof – aan de (te) late indiening van het procesdossier van de eerste aanleg geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van [appellant] met betrekking tot diens verzoek in hoger beroep verbonden. 3.
- Het hof heeft vastgesteld dat mr. Stallen, na afloop van de mondelinge behandeling in hoger beroep, alsnog het beweerdelijke volledige procesdossier van de eerste aanleg ter griffie van het hof heeft ingediend. 3.
- Het hof overweegt dat op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad de sanctie van niet-ontvankelijkheid alleen kan worden uitgesproken als daartoe een wettelijke basis bestaat of als de goede procesorde zodanig geschonden is dat een dergelijke beslissing gerechtvaardigd is én niet zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarin de ontvankelijkheid aan de orde is gekomen. 3.
- Nu een wettelijke basis in de onderhavige zaak ontbreekt, ligt aan het hof voor de vraag of de goede procesorde zodanig geschonden is dat het gerechtvaardigd is om een niet-ontvankelijkheid uit te spreken. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is, nu de curator ter zitting van het hof waarin de ontvankelijkheid van het onderhavige hoger beroep aan de orde is gekomen, heeft verklaard dat de inhoud van de stukken in het procesdossier van de eerste aanleg hem niet onbekend is. Het hof zal [appellant] derhalve ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep. 3.
- Het hof stelt de curator in de gelegenheid om uiterlijk 23 mei 2019 een verweerschrift in te dienen. 3.
- Het hof houdt de zaak voor het overige aan. 4De beslissing Het hof: verklaart [appellant] ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep; stelt de curator van [appellant] in de gelegenheid om uiterlijk 23 mei 2019 een verweerschrift in te dienen; houdt de zaak voor het overige aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.A.M. Scheij en C.A.R.M. van Leuven en is op 11 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.