GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.247.326/01 zaaknummer rechtbank : C/03/246680 / FA RK 18-627 beschikking van de meervoudige kamer van 18 april 2019 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. C.B.E. Noijen te Heerlen, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. P.J.C. Bolton te Heerlen. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 20 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De man is op 5 oktober 2018 in hoger beroep gekomen. 2.2. De vrouw heeft op 30 november 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3. De man heeft op 16 februari 2019 een aanvullend beroepschrift ingediend. 2.4. Bij het hof is voorts ingekomen: - op 14 december 2018 een journaalbericht van de zijde van de man van 14 december 2018. 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2019 plaatsgevonden. De man is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De advocaat van de vrouw is wel verschenen. 2.6. De advocaat van de vrouw heeft ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het aanvullend beroepschrift, behoudens de daarbij gevoegde producties 8 tot en met 10. Het hof acht het indienen van een aanvullend beroepschrift in strijd met de twee-conclusie-regel. Van een uitzondering daarop is niet gebleken. Het hof laat dit aanvullend beroepschrift dan ook buiten beschouwing, met uitzondering van de in het beroepschrift aangekondigde producties 8 tot en met 10. 3De feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. i.partijen zijn met elkaar gehuwd op 30 juni 1995 te [plaats] , Duitsland; er zijn geen huwelijkse voorwaarden opgesteld; ii. partijen hebben de Duitse nationaliteit; iii. partijen wonen vanaf juni 1995 samen in Nederland; iv. de vrouw heeft de echtelijke woning verlaten op 3 augustus 2017; v. de man is in de periode van 22 augustus tot 4 september 2017 gedetineerd geweest; vi. de vrouw heeft op 20 februari 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht; vii. daarop is bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken; viii. de echtscheiding is op 24 december 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw geheel draagplichtig is voor de schuld aan [woningstichting] van € 9.031,10. 4.2. De grieven van de man betreffen: - de door de rechtbank vastgestelde draagplicht voor de schuld aan [woningstichting] (grief I); - de inboedel (grief II); - het doorlopend krediet (grief III); - de erfenis (grief IV); Zoals ter zitting nader toegelicht verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen: 1. primair dat in de onderlinge verhouding tussen partijen de vrouw geheel draagplichtig is voor de schuld aan [woningstichting] van € 9.031,10; subsidiair dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld; 2. dat de inboedelgoederen bij helfte worden gedeeld conform de als productie 5 overgelegde inboedellijst; 3. dat hij zijn persoonlijke bezittingen als kleding, schoeisel, sieraden en verzorgingsproducten van de vrouw dient te ontvangen binnen een door het hof te bepalen termijn; 4. dat de aflossing van het krediet door partijen bij helfte dient te worden gedragen en dat hij, voor zover hij meer dan zijn aandeel zou hebben afgelost, een vordering heeft op de vrouw; 5. dat de door hem ontvangen erfenis aan hem toekomt en dat hij hieruit een vordering heeft op de vrouw, althans een verdeling vast te stellen die het hof juist acht. 5De motivering van de beslissing 5.1. Het hof stelt allereerst vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Bij brief van 14 december 2018, overgelegd bij voornoemd journaalbericht van dezelfde datum, heeft de man het hof evenwel bericht dat hij geen beroep instelt tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding als zodanig, maar enkel tegen de nevenvoorziening. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de man voor zover het de echtscheiding betreft, afwijzen. Rechtsmacht 5.2. Ingevolge art. 4 lid 3 Rv brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak (waarvan hier sprake is op grond van art. 3 Brussel IIbis: de laatste gewone verblijfplaats van partijen bevindt zich in Nederland en de man verblijft daar nog) ook rechtsmacht met betrekking tot het verdelingsverzoek mee, ongeacht de plaats van ligging van de boedelbestanddelen. Toepasselijk recht 5.3. Gezien de huwelijksdatum van partijen, 30 juni 1995, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1978, nr. 130; het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, hierna: het Verdrag). Nu partijen vóór noch staande het huwelijk een rechtskeuze hebben uitgebracht zoals bedoeld in art. 3 respectievelijk art. 6 van het Verdrag, wordt ingevolge (art. 4 lid 1 in samenhang met art. 4 lid 2 sub 2 onder a in samenhang met art. 7 aanhef lid 2 van) het Verdrag het huwelijksvermogensregime van partijen vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking door Duits recht beheerst en vanaf de datum waarop partijen na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, door Nederlands recht. Nu partijen sinds hun huwelijksvoltrekking (op 30 juni 1995) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben gehad, is met ingang van 30 juni 2005 het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing. Op grond van art. 8 lid 1 van het Verdrag heeft deze wijziging van Duits naar Nederlands recht slechts gevolgen voor de toekomst en is het vermogen dat vóór de wijziging aan een van partijen toebehoorde niet onderworpen aan het vanaf 30 juni 2005 geldende Nederlands recht. Op hetgeen partijen voordien hebben verworven en de voordien aangegane schulden blijft het Duits huwelijksvermogensregime van toepassing. De schuld aan [woningstichting] (grief I) 5.4. De eerste grief betreft de schuld van partijen aan [woningstichting] van € 9.031,10. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij in de onderlinge verhouding met de vrouw geheel draagplichtig is voor deze schuld. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. De vrouw heeft de echtelijke woning verlaten per 3 augustus 2017. Hij is in de periode van 22 augustus tot 4 september 2017 gedetineerd geweest. Tot aan zijn detentie heeft hij de woning goed onderhouden. Na zijn detentie is hij terechtgekomen in een opvang van het Leger des Heils. Hij beschikte niet over een sleutel van de woning en in verband met een contactverbod dat zich uitstrekte over het gebied waarin de woning zich bevond, kon hij niet naar de woning terugkeren. In november 2017 is hij onder begeleiding van de politie en een medewerker van de reclassering in de woning geweest (nadat zijn zoon de sleutel van de woning ter beschikking had gesteld) om hetgeen daarin was achtergebleven op te halen. Wat hij toen in de woning heeft aangetroffen, was een schok voor hem. De woning was vernield. Dit kan niet aan hem worden toegerekend. De huur is opgezegd per 1 december 2017. De man verzoekt primair te bepalen dat in hun onderlinge verhouding de vrouw geheel draagplichtig is voor de schuld aan [woningstichting] van € 9.031,10 en subsidiair dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. 5.5. De vrouw voert daartegen het volgende aan. De huurschuld en schade zijn na haar vertrek uit de woning op 3 augustus 2017 (waarna de man in de woning is blijven wonen) ontstaan. De man kan hierover een verwijt worden gemaakt en daarom dient in de onderlinge verhouding deze schuld voor zijn rekening te komen. Omdat zij in een opvanglocatie verbleef, heeft zij de huurovereenkomst niet kunnen opzeggen. Vanwege de bedreigingen van de man en zijn gewelddadige uitbarstingen is zij ook nimmer naar de woning teruggekeerd. 5.6. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Gezien de periode waarop de schuld aan [woningstichting] betrekking heeft (eind 2017), dient deze schuld te worden beoordeeld naar Nederlands recht. Met inachtneming hiervan overweegt het hof als volgt. Op grond van het bepaalde in art. 1:94 (oud) BW valt deze schuld, nu deze tijdens huwelijk is ontstaan, in de huwelijksgemeenschap. Voor schulden die in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap vallen, geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW een gelijke draagplicht (partijen zijn beiden voor de helft draagplichtig). Voor een uitzondering op deze hoofdregel is slechts plaats in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748; HR 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1393 en HR 9 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1066). De vraag die moet worden beantwoord, is of in deze zaak sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het hof zal die vraag beantwoorden ten aanzien van de twee onderdelen van de schuld aan [woningstichting] , te weten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.