GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 25 april 2019 Zaaknummer: 200.246.630/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/244190 / FA RK 17-4892 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J.A.N. Lap, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers. Als belanghebbende wordt aangemerkt: mr. [bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017, kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de bijzondere curator. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, vestiging: [vestiging] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 21 juni 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 september 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming om namens de moeder de minderjarige [minderjarige] te erkennen, alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2018, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans haar grieven af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond dan wel onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de moeder in de proceskosten van dit hoger beroep. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Lap, namens de moeder; de vader, bijgestaan door mr. Hoppers; de bijzondere curator; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . De moeder is niet verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 april 2018; - het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 14 maart 2019; - het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 27 maart 2019 waarin wordt verzocht om benoeming van een gerechtelijk deskundige; - het V-formulier met één bijlage van de advocaat van de vader van 27 maart 2017; - de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde stukken, te weten producties 12, 13 en 14. Hoewel de vader hiertegen bezwaar heeft gemaakt, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten, gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn. 3De beoordeling 3.1. Partijen hebben van januari 2015 tot medio mei 2017 een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader de verwekker is van [minderjarige] . 3.2.1. De vader heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat: aan hem vervangende toestemming zal worden verleend om namens de moeder [minderjarige] te erkennen; tussen hem en [minderjarige] omgang zal plaatsvinden, op een wijze zoals door hem in zijn inleidend verzoekschrift nader uiteen wordt gezet; nadat de erkenning heeft plaatsgevonden, beide partijen zullen worden belast met het gezag over [minderjarige] ; nadat de erkenning heeft plaatsgevonden, de moeder de vader iedere maand zal dienen te informeren omtrent het welzijn van [minderjarige] , onder toezending van een recente foto. 3.2.2. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 24 januari 2018 mr. [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] onder aanhouding van iedere verdere beslissing in afwachting van haar schriftelijk verslag over het verzoek van de vader om tot vervangende toestemming van [minderjarige] over te gaan. 3.2.3. In haar verslag van 6 maart 2018 heeft de bijzondere curator geadviseerd het verzoek van de vader tot vervangende toestemming toe te wijzen. Op 24 april 2018 heeft de zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze zitting heeft de rechtbank de bijzondere curator nogmaals verzocht om met de ouders in gesprek te gaan. In haar tweede verslag van 8 mei 2018 heeft de bijzondere curator gepersisteerd bij haar eerder uitgebrachte advies dat erkenning van [minderjarige] door de vader in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. 3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] onder aanhouding van iedere verdere beslissing. 3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen onder aanvoering van de volgende vijf grieven die, samengevat, als volgt luiden: Grief 1: De rechtbank heeft te weinig gekeken naar de belangen van het kind en belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en teveel naar de belangen van derden. Alle betrokkenen hebben er belang bij dat hun belangen op zichzelf, met open blik, worden vastgesteld. De moeder heeft de indruk dat de door haar gestelde feiten onvoldoende serieus zijn genomen. Grief 2: De rechtbank is ten onrechte van oordeel dat aan de mededeling van de moeder dat zij tijdens de relatie door de vader is mishandeld en verkracht, niet de waarde kan worden toegekend die de moeder daaraan toegekend wenst te zien, nu de vader deze feiten heeft ontkend en de moeder nooit aangifte heeft gedaan tegen de vader en er ook geen medische verklaringen/rapportages zijn overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. Dit oordeel is onzorgvuldig tot stand gekomen. Er is geen gelegenheid geboden nadere stukken in te brengen, evenmin is een raadsonderzoek gelast. De rechtbank heeft haar oordeel teveel gebaseerd op de formele werkelijkheid die in het proces tot stand is gekomen. Terwijl daarom uitdrukkelijk is verzocht, heeft de rechtbank nagelaten een deskundigenonderzoek te gelasten. Er zijn wel aangiftes van mishandeling, maar niet van verkrachting. Dit heeft te maken met een gevoel van schaamte en een door seksueel misbruik belast verleden. Door de hectiek van het jaar 2017 (met betrekking tot de relatie, de zwangerschap en geboorte van [minderjarige] ) heeft de moeder alle emoties weggestopt. Pas later, toen de moeder ten gevolge van deze procedure geconfronteerd werd met de vader, zijn de emoties en trauma’s bij de moeder naar voren gekomen. Grief 3: De rechtbank heeft aan het oordeel, dat enkel vastgesteld kan worden dat de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning van [minderjarige] , onvoldoende of de verkeerde consequenties verbonden. Bekend is dat het hebben van PTSS grote gevolgen kan hebben voor het psychisch welzijn van een mens en dat het kan leiden tot grote ontwrichting van een leven. Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder enige motivering voorbij is gegaan aan deze mogelijkheid. Grief 4: Ten onrechte overweegt de rechtbank dat vooralsnog niet is gebleken dat de moeder met professionele hulp haar weerstand en negatieve gevoelens ten opzichte van de vader niet zodanig zou kunnen beheersen dat [minderjarige] daarvan geen nadelige gevolgen ondervindt. Zoals de moeder zich nu voelt, is zij ervan overtuigd dat zij het niet aankan om de vader op enigerlei wijze in haar leven een plaats geven als ouder van [minderjarige] . Het idee alleen al roept bij haar zoveel weerstand op dat zij daarvan totaal uit balans is geraakt. Het gaat bovendien om ernstige beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader, tegen de achtergrond van een zeer belast verleden van zowel de vader als de moeder. Onduidelijk is wat dit gevolgen heeft voor [minderjarige] . Grief 5: De rechtbank oordeelt ten onrechte dat van een reëel risico dat [minderjarige] door de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling niet is gebleken en de rechtbank oordeelt ten onrechte dat de verzochte toestemming dient te worden verleend. Als er geen serieus onderzoek wordt gedaan, zal nooit iets blijken. 3.5. De vader voert in zijn verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. ad grief 1: het is juist dat de belangen van de vader een rol spelen bij de beoordeling van een verzoek tot erkenning en meegewogen dient te worden. Dit heeft de rechtbank terecht gedaan. Ook de belangen van de moeder en het kind zijn uitvoerig belicht en de rechtbank motiveert uitgebreid waarom deze belangen zich niet tegen toewijzing van het verzoek verzetten. ad grief 2: Indien de moeder wenst dat de rechter waarde hecht aan wat zij (pas zeer laat in de procedure) stelt, is het aan haar om te dienaangaande het nodige bewijs aan te dragen. Zelfs al zouden partijen op enig moment zonder het welbevinden van de moeder geslachtsgemeenschap hebben gehad, dan wel dat de vader haar ooit zou hebben mishandeld (hetgeen overigens zéér nadrukkelijk door de vader wordt weersproken), dan nog volgt daaruit niet rechtstreeks dat de vader zijn kind niet mag erkennen. De moeder heeft meer dan voldoende tijd en kansen gehad om aanvullend bewijs te leveren, maar doet dit niet. ad grief 3: Nergens blijkt uit dat de trauma’s door de moeder door de vader zouden zijn of worden aangewakkerd. De moeder kwam op het allerlaatste moment (nadat de bijzondere curator met haar had gesproken en een advies had gegeven) met de beschuldigingen jegens de vader en de geuite angst voor een voorziene PTSS. Hieruit blijkt dat dit een al dan niet weloverwogen strategiewijziging van de moeder is en niet een op waarheid berustend relaas. De moeder maakt thans van de erkenning zo iets groots dat zij daar zelf schijnbaar niet mee kan omgaan, terwijl erkenning in feite niets anders is dan het in juridische zin vastleggen van hetgeen biologisch al bekend is, namelijk dat de vader de vader is van [minderjarige] . ad grief 4: De vader maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van [minderjarige] , waar de moeder zegt niet in staat te zijn om haar negatieve gevoelens jegens de vader te beheersen. In geval van instabiliteit aangaande het verwerken of uiten van emoties, kan dat leiden tot ernstige problemen in de (sociale) ontwikkeling van [minderjarige] . Hierdoor verwacht de vader dat de behoefte van [minderjarige] aan een (meer evenwichtige) vader alleen maar groter kan zijn. ad grief 5: De moeder heeft niets ingediend waaruit de rechtbank had kunnen afleiden dat er wel een risico verwacht kon worden ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] . Sterker nog, de moeder heeft erkend dat het goed gaat met [minderjarige] . 3.6. De bijzondere curator heeft in haar verweerschrift (wederom) gepersisteerd bij haar eerder uitgebrachte advies. Haar standpunt luidt als volgt: De feiten waarvan de moeder wil dat alle betrokkenen uitgaan, zijn geen feiten gebleken. Het is aan de moeder om haar mededelingen/stellingen in de procedure te onderbouwen. Tijdens het gesprek tussen de bijzondere curator en de moeder op 8 mei 2018 is besproken dat de moeder hulp zou zoeken bij het verwerken van haar trauma’s die zij had opgelopen in de relatie met de vader. Uit de verwijzingsbrief van 26 april 2018 blijkt dat het gaat om “Generalistische Basis GGZ: lichte tot matige, niet complexe psychische problemen of mensen met stabiel chronische problematiek”. Na de doorverwijzing zijn zeven maanden verstreken en gezien de aard van de geconstateerde problematiek rijst de vraag of behandeling enig effect heeft gehad. Van de psycholoog van de moeder zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat er bij de moeder sprake is van zodanige problematiek dat zij in een onevenwichtige psychische toestand verkeert ten gevolge waarvan zij niet in staat is om [minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Volgens de moeder wordt haar persoonlijke problematiek veroorzaakt door haar aanvaringen met de vader en zijn gewelddadigheid jegens haar. De beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader worden door hem met klem weersproken en zijn niet vast komen te staan. Bovendien is het dan nog van belang of de problematiek van de moeder alleen verband houdt met de vervangende toestemming voor de erkenning. De moeder heeft nooit kenbaar gemaakt dat er zorgen waren over de ontwikkeling bij [minderjarige] . De moeder heeft in de gesprekken met de bijzondere curator tegenstrijdige mededelingen gedaan: zij wilde de vader niet in het leven van [minderjarige] en tegelijkertijd gaf ze aan dat het voor [minderjarige] wel fijn zou zijn als hij een vader zou hebben, maar dan had ze wel zorgen over hoe de contacten tussen de vader en [minderjarige] zouden moeten plaatsvinden. De moeder heeft kenbaar gemaakt dat haar bezwaren tegen de erkenning ook zijn gericht tegen de mogelijke aanspraken die de vader hierdoor krijgt (omgang, gezamenlijk gezag). 3.7. De raad heeft ter zitting geadviseerd om de beslissing van de rechtbank in stand te laten. De weerstand van de moeder was vanaf het begin duidelijk. [minderjarige] heeft het recht om zijn vader te leren kennen en het is van belang voor zijn evenwichtige identiteitsontwikkeling. De moeder zal toch met de vader geconfronteerd blijven en zij moet dit hoe dan ook aangaan. De moeder heeft behoefte aan duidelijkheid en zij is niet gebaat bij een aanhouding. Dat roept alleen maar stress op en kan ook in de weg van haar behandeling staan. De moeder woont met [minderjarige] bij haar vader en zij is met zorgen omringd. De raad ziet nergens dat het met [minderjarige] niet goed zou gaan. Het hof overweegt het volgende. 3.8.1. Het hof stelt voorop zich op grond van de thans beschikbare informatie – uit de stukken en het verhandelde ter zitting – voldoende voorgelicht te achten om een verantwoorde beslissing kunnen nemen. Het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek wordt afgewezen. 3.8.2. Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming (tot erkenning) van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechter worden vervangen, tenzij deze erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.