Parketnummer : 20-002394-17 Uitspraak : 26 maart 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 13 juli 2017 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-016708-15 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 6.569,94 en is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Van de zijde van de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal afwijzen. Subsidiair heeft de verdediging zich achter de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de politierechter geschaard en bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd dient te worden in verband met de schending van de redelijke termijn. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, nu een eerdere oogst van de in de woning van de veroordeelde aangetroffen hennepkwekerij niet aannemelijk is geworden en de veroordeelde derhalve geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De in het dossier genoemde indicatoren zijn niet voldoende om aan te kunnen nemen dat er een eerdere oogst is gerealiseerd. De aangetroffen sporen duiden niet op een eerdere oogst, omdat de materialen en apparatuur tweedehands zijn gekocht. De aangetroffen hennepresten zijn afkomstig van de aangetroffen hennepplanten, welke zijn verplaatst in en vanuit de kweekruimte door te blijven hangen aan de kleding en de schoenen van de veroordeelde. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de voormelde bewijsmiddelen blijkt dat verbalisant [verbalisant] op 12 september 2014 in de woning van de veroordeelde aan de [adres 2] een inwerking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. De hennepkwekerij bestond uit één kweekruimte waarin 85 hennepplanten zijn aangetroffen, waarvan de gemiddelde lengte 25 tot 30 centimeter was. De veroordeelde heeft erkend dat hij de eigenaar was van de aangetroffen hennepkwekerij. Verbalisant Voeten heeft gerelateerd dat er omstandigheden zijn aangetroffen die duiden op één of meerdere eerdere opbrengsten uit de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij. Hierbij heeft de verbalisant, onder bijvoeging van foto’s, op de volgende sporen gewezen, die hij heeft gezien: gedroogde resten van hennepplanten op de vloer tegen de wand van de hennepkwekerij; gedroogde resten van hennepplanten op de vloer tegen de wand van de hennepkwekerij in de ruimte voor de afgetimmerde hennepkwekerij; gedroogde resten van een hennepplant verdeeld op de weegschaal, welke weegschaal in de ruimte voor de kwekerij stond; meerdere resten gedroogde henneptoppen en resten van hennepplanten in de twee droognetten, die in de ruimte voor de afgetimmerde kwekerij stonden; stof en kruimels van gedroogde hennepplanten op de gasfles in de ruimte voor de afgetimmerde kwekerij. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr, d.d. 16 september 2014, opgemaakt door rapporteur [verbalisant] blijkt dat er tevens stof is aangetroffen op de digitale weegschaal. Ten slotte blijkt uit de aangifte van Enexis dat er grote hoeveelheden stof zijn gevormd op de aanwezige apparatuur, wat een aanwijzing is dat de apparatuur al geruime tijd in gebruik is geweest. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen sporen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof aannemelijk dat de veroordeelde met de in zijn woning aan de [adres 2] aangetroffen hennepkwekerij één eerdere oogst heeft gerealiseerd. Voorts acht het hof aannemelijk dat de veroordeelde uit deze oogst wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De verklaring van de veroordeelde dat hij geen eerdere oogst heeft gerealiseerd en dat de aangetroffen sporen andere oorzaken zouden hebben acht het hof gelet op de veelheid en intensiteit van de sporen alsmede de verschillende plekken waar de sporen zijn aangetroffen onaannemelijk. Het aantreffen van resten op de weegschaal en een gasfles duidt niet op het vervoeren van deze resten via kleding of schoenen. Ook de hoeveelheid resten en de omvang er van maakt niet aannemelijk dat deze resten enkel afkomstig zijn van de aangetroffen kweek, die volgens Enexis tenminste 15 dagen oud was en waarvan door de politie is gerelateerd dat de planten 25 tot 30 centimeter hoog waren. Het hof schuift de verklaring van de veroordeelde dan ook terzijde. Het hof verwerpt mitsdien het verweer. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeling De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2017 (parketnummer 01-016708-15) in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 160 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, voor onder andere het “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, gepleegd op 12 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.