GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.178.360/01 arrest van 30 april 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. A. Kolder te Groningen, op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 24 april 2013, 18 december 2013, 11 juni 2014 en 2 september 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/137590/HA ZA 06-245) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en de daaraan voorafgaande vonnissen van 21 juni 2006 en 28 februari 2007. Het vonnis van 28 februari 2007 is bekrachtigd bij arrest van dit hof van 10 november 2009. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, twee incidentele vorderingen en producties 1 t/m 5 van [appellant] ; de conclusie van antwoord in incident van [geïntimeerde] ; het arrest in de incidenten van 22 december 2015; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging van eis, met producties 1 t/m 15 van [geïntimeerde] ; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoordakte wijziging van eis met producties 6 t/m 10 van [appellant] ; de akte indiening producties ten behoeve van schriftelijk pleidooi van [geïntimeerde] met producties 16 t/m 30; het schriftelijk pleidooi, te weten de pleitnota van [appellant] en de pleitnota van [geïntimeerde] . Daarnaast is het hof ambtshalve bekend met de beschikking van dit hof van 1 december 2016 waarbij het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, opgeworpen als incident bij de appeldagvaarding, na verwijzing op de voet van artikel 69 Rv. naar de kamer van het hof die belast is met de behandeling van verzoekschriften, is afgewezen. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. De feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. [appellant] en [geïntimeerde] (geboren [geboortedatum] 1956) zijn neven. Op 5 mei 2001 heeft zich een incident voorgedaan waarbij [appellant] [geïntimeerde] heeft geslagen en met een geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt. [geïntimeerde] heeft daarbij onder meer zijn neus gebroken, zoals blijkt uit het verslag van de radioloog van 7 mei 2001, waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van een fractuur van het os nasale. [appellant] is in verband daarmee bij vonnis van 21 november 2002 door de politierechter te ’s-Hertogenbosch onherroepelijk veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur wegens mishandeling. De vordering benadeelde partij van [geïntimeerde] werd door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 2.500,-. 3.2. Het geding in eerste aanleg en tussentijds hoger beroep 3.2.1. [geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding een verklaring voor recht gevorderd dat het causaal verband tussen de litigieuze geweldpleging en de gestelde schade aanwezig is en gevorderd dat [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - zal worden veroordeeld tot integrale vergoeding van de schade zoals smartengeld, inkomensschade en vergoeding van diverse overige kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure. Nadat [appellant] verweer heeft gevoerd bij conclusie van antwoord heeft de rechtbank bij vonnis van 21 juni 2006 een comparitie van partijen gelast, die is gehouden op 10 augustus 2006. 3.2.2. De rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2007 vastgesteld dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door hem op 5 mei 2001 met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en geoordeeld dat [appellant] aan [geïntimeerde] de schade moet vergoeden die hij ten gevolge van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op eigen schuld en uitlokking van [geïntimeerde] verworpen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd en [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat [geïntimeerde] letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeval. Omdat de omvang en de (blijvende) gevolgen daarvan gemotiveerd betwist werden door [appellant] achtte de rechtbank het noodzakelijk om deskundigen te benoemen, zoals met partijen besproken ter comparitie. De rechtbank heeft een deskundigenbericht bevolen en mw. drs. M.A.O. de Bijl (hierna: De Bijl), neuropsycholoog, en de hr. dr. W.I.M. Verhagen (hierna: Verhagen), neuroloog, als deskundigen benoemd. De rechtbank heeft in dat vonnis reeds aangekondigd dat de rechtbank nadien een arbeidsdeskundige zou benoemen en mogelijk een verzekeringsarts indien partijen dat noodzakelijk achtten. 3.2.3. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep van het vonnis van 28 februari 2007 toegestaan. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 10 november 2009 heeft het hof de grief van [appellant] aldus verstaan, dat de rechtbank (eerst) aan [geïntimeerde] bewijs had moeten opdragen om door middel van het horen van zijn behandelend artsen het gestelde causale verband en de gestelde schade te laten aantonen, zodat de rechtbank in zoverre ten onrechte een deskundigenbericht heeft gelast. Verder maakte [appellant] bezwaar tegen het aanstellen van deskundigen op zijn kosten. Het hof heeft geoordeeld dat het een discretionaire bevoegdheid van de rechter is om te beslissen of en op welk moment in de procedure een deskundigenbericht wordt gelast. Verder overwoog het hof onder meer: “4.4.4. (…) In het onderhavige geval staat vast dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en staat eveneens de aansprakelijkheid van [appellant] voor de gevolgen daarvan vast. Anders dan [appellant] stelt is het niet juist dat nog van geen enkele schade is gebleken en dat het causale verband met enige door [geïntimeerde] gestelde schade evenmin vast staat. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat vast staat dat [geïntimeerde] letsel heeft opgelopen door het ongeval. Om de omvang daarvan vast te stellen en vast te stellen of alle door [geïntimeerde] gestelde klachten in causaal verband staan met het ongeval, heeft de rechtbank terecht een deskundigenonderzoek gelast. 4.4.5. Ook de stelling van [appellant] dat het causale verband reeds is doorbroken doordat [geïntimeerde] kort na het ongeval is gezien terwijl hij op de tractor reed en in de tuin aan het werk was, zodat reeds op deze grond een deskundigenbericht niet in aanmerking komt, moet worden verworpen. De feiten op dit punt staan immers nog niet vast, terwijl [appellant] alle gelegenheid heeft om in de verdere loop van de procedure, bijvoorbeeld in de vorm van vragen aan de deskundige, dit argument naar voren te brengen. Het is echter volstrekt prematuur om nu reeds te oordelen dat het causale verband is verbroken zodat een deskundigenbericht achterwege kan blijven. 4.4.6. (…) In dit geval heeft de rechtbank terecht in de omstandigheid dat [appellant] jegens [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en aansprakelijk is voor de daaruit voortgevloeide schade, aanleiding gezien om het voorschot ten laste van [appellant] te brengen.(…)” Het hof heeft het vonnis van 28 februari 2007 bekrachtigd. 3.2.4. Het rapport van Verhagen is van 26 mei 2010. Hij heeft op het vakgebied van de neurologie geen beperkingen vastgesteld. Het rapport van De Bijl is van 9 februari 2011. Zij heeft op de gestelde vragen onder meer geantwoord dat [geïntimeerde] kampt met geheugen- en concentratieproblemen, met veel psychische klachten waaronder herbelevingen van de mishandeling, slecht slapen, vermoeidheid, angst en paniekgevoelens en verder dat bij [geïntimeerde] sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), DSM-IV code 309.81. De Bijl acht de benoemde klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven en zij vermeldt dat er geen andere factoren, pre-existente ziekten of aandoeningen in het spel zijn, die mede een verklaring zouden kunnen vormen voor de klachten van [geïntimeerde] . Naar de mening van De Bijl is er nog geen sprake van een eindtoestand. Alle genoemde beperkingen bij activiteiten, met name bij de beroepsuitoefening, acht zij een gevolg van de mishandeling van 5 mei 2001. 3.2.5. Bij vonnis van 24 april 2013 heeft de rechtbank geconstateerd dat door een onfortuinlijke vergissing van de deskundigen [appellant] niet heeft kunnen reageren op de conceptrapporten van de deskundigen. Omdat [appellant] het heeft gelaten bij die enkele constatering en daar geen gevolgtrekkingen aan verbindt, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat [appellant] door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft verder overwogen dat de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] is gezien terwijl hij werkzaamheden verrichtte na de mishandeling nog niet wil zeggen dat hij geen klachten heeft. Het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt achtte de rechtbank in zoverre niet relevant. In hoeverre [geïntimeerde] door de klachten daadwerkelijk niet meer in staat zou zijn werkzaamheden te verrichten, zou moeten blijken uit een onderzoek door een arbeidsdeskundige. De rechtbank overwoog verder: “Voor het overige heeft [appellant] niets aangedragen waaruit de conclusie getrokken kan worden dat Verhagen zich door [geïntimeerde] op het verkeerde been heeft laten zetten. In feite doet [appellant] niet anders dan het herhalen van zijn stelling dat de diagnose louter is gebaseerd op de anamnese van [geïntimeerde] , dat [geïntimeerde] klachten simuleert dan wel al klachten had voor de mishandeling. Gelet op het feit dat er nu een rapport ligt van een onafhankelijke, door de rechtbank benoemde, deskundige had het op de weg van [appellant] gelegen om zijn vermoedens met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. (…) Het aanbod van [appellant] om dr. [getuige] als getuige te horen wordt (…) verworpen”. Met betrekking tot de bezwaren van [appellant] tegen het rapport van De Bijl overwoog de rechtbank in gelijke zin. De rechtbank heeft het rapport van Verhagen in haar oordeel betrokken en (de conclusie van) het rapport van De Bijl overgenomen en tot de hare gemaakt, ook voor wat betreft de mening van De Bijl dat nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Een en ander betekent, aldus de rechtbank, dat vast staat dat [geïntimeerde] lijdt aan een PTSS. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij het - ondanks het feit dat nog geen sprake is van een medische eindtoestand - zinvol acht om een verzekeringsgeneeskundige en/of arbeidsdeskundige te benoemen teneinde voor de periode vanaf de mishandeling tot dan toe concreet te krijgen wat de beperkingen voor [geïntimeerde] als gevolg van de mishandeling zijn. De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast en aan [appellant] verzocht stukken in verband met de door hem gestelde schade over te leggen. De comparitie van partijen is gehouden op 5 november 2013. 3.2.6. Bij vonnis van 18 december 2013 heeft de rechtbank aangekondigd om, zoals met partijen ter comparitie besproken, over te gaan tot de benoeming van een arbeidsdeskundige. Deze zou zijn vaste verzekeringsgeneeskundige en/of medisch adviseur kunnen benaderen voor het opstellen van een belastbaarheids- en beperkingenprofiel. Partijen werden in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de rechtbank voorgestelde vragen aan de deskundige. 3.2.7. Bij vonnis van 11 juni 2014 heeft de rechtbank een arbeidsdeskundigenonderzoek bevolen en R. de Vree als deskundige benoemd. De rechtbank bepaalde dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [appellant] diende te worden voldaan en heeft overwogen dat indien [appellant] het voorschot niet tijdig betaalt, de rechtbank daaruit conform het bepaalde in artikel 196 lid 2 Rv de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht. Bij rolbeslissing van 23 juli 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] tot het openstellen van tussentijds hoger beroep afgewezen. 3.2.8. Bij eindvonnis van 2 september 2015 heeft de rechtbank geconstateerd dat [appellant] het voorschot niet heeft voldaan. Daarmee heeft [appellant] het onderzoek naar de concrete arbeidsdeskundige beperkingen gefrustreerd, terwijl hij geen poging heeft gedaan om duidelijk te maken dat hij niet in staat is om het voorschot te betalen, aldus de rechtbank. De rechtbank is op grond van het bepaalde in artikel 196 lid 2 Rv uitgegaan van de juistheid van de volgende standpunten van [geïntimeerde] met betrekking tot de vraag in hoeverre de vastgestelde medische gevolgen van de mishandeling ook tot arbeidsdeskundige beperkingen hebben geleid: [geïntimeerde] was niet meer in staat om in Canada een landbouwbedrijf bestaande uit 1.200 opfokvarkens en 160 hectare landbouwgrond uit te oefenen; [geïntimeerde] was niet meer in staat het voergeldcontract voor 1.200 vleesvarkens d.d. 18 april 2001 met [naam 1] uit te voeren; [geïntimeerde] was niet meer in staat om de werkzaamheden zoals genoemd in de overeenkomst van 18 april 2001 met [de vennootschap] en de offerte meerprijs van Metselbedrijf [metselbedrijf] in eigen beheer uit te voeren; er is sprake van een behoefte aan huishoudelijke hulp; er is behoefte aan hulp bij werkzaamheden als gevolg van beperkingen in de sfeer van zelfwerkzaamheid. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om zich nader over de schade uit te laten omdat hij reeds ten behoeve van de comparitie van 5 november 2013 een overzicht van de schade had overgelegd en het op zijn weg had gelegen een eventuele nadere toelichting op de schade in een eerder stadium te geven. Gelet op het feit dat geen sprake was van een medische eindtoestand ging de rechtbank alleen in op de tot dan toe geleden schade. De rechtbank besliste - per saldo - als volgt op de volgende schadeposten (zie akte indiening producties d.d. 5 november 2013 en aantekeningen t.b.v. comparitie van partijen d.d. 5 november 2013 van [geïntimeerde] ), welke schadeposten deels zijn vermeld in de ‘schadestaat’ over de periode van 5 mei 2001 tot 20 oktober 2013 (prod. 37 bij genoemde akte): - 1. Canada-project: toegewezen: a. managementvergoeding zus CAD 12.525,- b. property taxes CAD 19.400,- afgewezen: c. verschil aan- en verkoopprijs bedrijf CAD 105.000,- d. vermogensgroeischade CAD 2.374.000,- e. retourvluchten, treinreizen, autohuur pm f. werkzaamheden [medewerker] CAD 27.149,58 g. koersverliezen pm - 2. Voergeldcontract: toegewezen: a. 2001 € 12.252,06 afgewezen: b. schade minder voergeld pm € 14.657,10 p.j. + verlenging contract - 3. Verbouwing huis: toegewezen: a. meerwerk [de vennootschap] incl. btw € 7.960,66 afgewezen: b. meerwerk [de vennootschap] incl. btw € 12.402,67 c. meerwerk [metselbedrijf] incl. btw € 12.728,84 d. renteverlies € 1.123,30 - 4. Caravanstalling: toegewezen: a. € 12.000,- afgewezen: b. niet gerealiseerde uitbreiding € 20.000,- - 5. Schade in verband met loonwerk: toegewezen: a. 2001 € 17.117,- afgewezen: b. 2002 € 17.117,- - 6. Kleding: toegewezen: a. € 172,- afgewezen: b. € 128,-- - 7. Telefoonkosten: toegewezen: a. € 115,- afgewezen: b. € 135,- - 8. Parkeerkosten: toegewezen: € 100,- - 9. Reiskosten: toegewezen: € 1.806,40 - 10. Ziektekosten toegewezen: a. neuropsycholoog [getuige] € 1.200,- b. eigen risico IZZ € 1.500,- afgewezen: c. eigen risico IZZ € 1.489,29 d. reflexzonetherapeut € 1.080,- - 11. Verlies zelfwerkzaamheid toegewezen: a. 5 mei 2001 tot datum eindvonnis € 3.600,- afgewezen: b. 5 mei 2001 tot 5 mei 2013 € 10.800,- schadestaat: c. 5 mei 2013 tot 70e jaar € 12.951,60 - 12. Huishoudelijke hulp toegewezen: a. 5 mei 2001 tot datum eindvonnis € 10.770,- schadestaat: b. pm - 13. Kosten mr. Sleegers toegewezen: € 4.947,50 - 14. Immateriële schade toegewezen: a. voorschot € 10.000,- minus al toegewezen door Politierechter € 2.500,- € 7.500,- schadestaat: b. € 15.000,- De posten in de linker kolom werden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente. Voor de toekomstige schade vanaf 20 oktober 2013 en de immateriële schade verwees de rechtbank naar de schadestaat. Het betreft de posten 11 c., 12 b. en 14 b., zoals hiervoor weergegeven. 3.3. De grieven in principaal appel van [appellant] 3.3.1. Grief I is gericht tegen het vonnis van 24 april 2013, r.o. 2.2. en 2.3., waarin de rechtbank - samengevat - heeft overwogen dat [appellant] door een onfortuinlijke vergissing van beide deskundigen niet heeft kunnen reageren op de conceptversies van de rapporten van de deskundigen Verhagen en De Bijl, maar dat [appellant] daar geen gevolgtrekkingen aan heeft verbonden, zodat er geen grond is om te oordelen dat [appellant] door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Grief II is gericht tegen het dictum van het vonnis van 11 juni 2014 waarin de rechtbank een onderzoek heeft bevolen door een arbeidsdeskundige en heeft bepaald dat [appellant] het voorschot op de kosten van die deskundige moet betalen. Grief III is gericht tegen het eindvonnis van 2 september 2015, naar het hof begrijpt tegen r.o. 2.3, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] , door het voorschot voor de kosten van de deskundige niet te voldoen, het onderzoek naar de concrete arbeidsdeskundige beperkingen heeft gefrustreerd. [appellant] heeft verzocht het eindvonnis te vernietigen en aan [geïntimeerde] zijn vorderingen te ontzeggen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 3.3.2. [geïntimeerde] heeft betoogd dat [appellant] niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Met betrekking tot grief II en grief III heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat niet is aangegeven tegen welke rechtsoverwegingen deze grieven zijn gericht, zodat deze niet aan de daaraan te stellen eisen (het kenbaarheidsvereiste) voldoen. Dit verweer faalt. Hoewel [geïntimeerde] gelijk heeft dat de toelichting op de grieven niet goed aansluit op de tekst van de grieven zoals in r.o. 3.3.1. weergegeven, zijn de grieven desalniettemin begrijpelijk. De toelichting op de grieven maakt immers deel uit van de grieven en uit hetgeen [geïntimeerde] subsidiair heeft betoogd blijkt, dat hij de grieven ook zo heeft begrepen als het hof hierna in r.o. 3.3.4. heeft weergegeven. 3.3.3. Het hof overweegt als volgt. In de toelichting op grief I heeft [appellant] weliswaar gesteld dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hij niet heeft kunnen reageren op de conceptrapporten van de deskundigen Verhagen en De Bijl en hun geen vragen heeft kunnen stellen, maar ook in hoger beroep verbindt [appellant] daaraan geen gevolgtrekkingen. Met name heeft [appellant] niet gesteld dat er sprake is van schending van artikel 19 Rv. of artikel 6 EVRM, vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2741 in aansluiting op EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, (Mantovanelli). Daarbij komt dat [appellant] in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich uit te laten over de aan de deskundigen te stellen vragen (zie vonnis 28 februari 2007 r.o. 4.6.). Ook in hoger beroep heeft hij niet aangegeven welke vragen hij op welk moment aan de deskundigen had willen stellen. In zoverre faalt grief I. Het gaat [appellant] bij deze grief en bij de grieven II en III, gelet op de door hem gegeven toelichting, om de volgens hem onjuiste anamnese waarvan de deskundigen zijn uitgegaan. Het hof komt daarop hierna terug. In de toelichting op grief III heeft [appellant] nog - niet nader gemotiveerd - gesteld dat de rechtbank artikel 196 lid 2 Rv onjuist heeft toegepast. Het hof verwijst naar en neemt hetgeen de rechtbank heeft overwogen in r.o. 2.4 en 2.5 van het eindvonnis over. Met betrekking tot grief III heeft [geïntimeerde] verder nog gesteld dat hij niet in aanmerking kwam en komt voor gefinancierde rechtsbijstand, maar dat dat niet wil zeggen dat hij voldoende liquide middelen tot zijn beschikking heeft om een aanzienlijk bedrag aan voorschot te voldoen. Bij schriftelijk pleidooi heeft [appellant] echter gesteld dat hij wel in staat was het voorschot te voldoen. In zoverre faalt grief III. Voor zover door [appellant] nieuwe grieven/stellingen zijn opgeworpen bij schriftelijk pleidooi verwijst het hof naar r.o. 3.3.6. hierna. 3.3.4. Naar het hof begrijpt, gaat het er [appellant] met zijn grieven dus in hoofdzaak om dat zijn verzoek om (tegen)bewijs te mogen leveren door middel van het horen van getuigen is genegeerd althans gepasseerd. [appellant] meent dat hem ongelooflijk tekort is gedaan wat betreft zijn rechten op grond van artt. 149 t/m 155 Rv. Hij wenst getuigen te doen horen in verband met het feit dat de verklaringen die [geïntimeerde] heeft afgelegd niet waar kunnen zijn, althans elkaar tegenspreken. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de gevolgen van het gebeurde op 5 mei 2001 compleet uit zijn grote duim gezogen teneinde te kunnen stellen dat hij psychisch ernstige gevolgen daaraan heeft overgehouden. De gegevens uit de anamnese van de deskundigen zijn onbetrouwbaar; het kan volgens [appellant] toch niet waar zijn dat de anamnese van [geïntimeerde] ten overstaan van een arts zonder enige kanttekening in rechte wordt aangenomen als vaststaande feiten. De rechtbank had eerst het causaal verband moeten vaststellen. [appellant] stelt dat sprake is van een rechterlijke dwaling c.q. misslag van de rechtbank. De arbeidsdeskundige zou er op grond van parameters, die absoluut niet in overeenstemming zijn met de waarheid, ten onrechte zonder meer vanuit zijn gegaan dat [geïntimeerde] beperkingen heeft. [appellant] heeft verder gesteld dat als hij gaat bewijzen, de kosten van een arbeidsdeskundige voor het sterfhuis zijn (zie ook r.o. 3.3.6.). Uit één van de bij memorie van grieven opgeworpen incidenten (op pag. 15) leidt het hof af dat [appellant] wenst te doen horen: [geïntimeerde] , zichzelf, een broer van [appellant] , een broer van [geïntimeerde] , een neef van [geïntimeerde] , dr. [naam 2] en dr. [getuige] . Dit om aan te tonen dat de stellingen van [geïntimeerde] bezijden de waarheid zijn en dat er van een causaal verband geen sprake is. 3.3.5. Voor zover [appellant] meent dat het causaal verband tussen de daad en enige schade (nog) niet is vastgesteld, is dat onjuist. De rechtbank heeft in het vonnis van 28 februari 2007 immers beslist over dat causaal verband. Het hof heeft dat nog eens met zoveel woorden overwogen in het arrest van 10 november 2009 in het hoger beroep van [appellant] tegen voormeld tussenvonnis, zie de hiervoor de in r.o. 3.2.3. aangehaalde passage uit dat arrest. Het ging er, aldus het hof, nog om de vaststelling van de omvang van de schade vast te stellen en om de vaststelling of alle klachten in causaal verband staan met het ongeval. Daarvoor is het deskundigenonderzoek gelast, aldus het hof in 2009. Van een en ander heeft het hof ook nu uit te gaan. [appellant] kan niet ten tweeden male grieven opwerpen met betrekking tot het (geheel) ontbreken van causaal verband. [appellant] heeft er gedurende de procedure in eerste aanleg en ook in hoger beroep (zie ook het verzochte voorlopig getuigenverhoor) voortdurend op gehamerd dat de deskundigen Verhagen en De Bijl zijn uitgegaan van een onjuiste anamnese en dat ook de arbeidsdeskundige uit zou zijn gegaan van die onjuiste anamnese. Dit standpunt faalt voor zover [appellant] bedoelt dat de deskundigen aan waarheidsvinding zouden moeten doen. Een anamnese is immers wat een patiënt (in dit geval: [geïntimeerde] ) met betrekking tot de voorgeschiedenis en relevante omstandigheden van zijn ziekte of aandoening aan een zorgverlener (in dit geval: de deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.