GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.182.062/01 arrest van 22 januari 2019 in de zaak van [beheer] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. J.N.A. Kilian te Tilburg, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 23 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 juli 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3396277 CV EXPL 14-5456) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met productie; de memorie van antwoord; de akte uitlating van [appellante] ; de antwoordakte uitlating van [geïntimeerde] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellante] en [holding] Holding B.V. (hierna: [holding] ) hebben op 27 oktober 2011 een huurovereenkomst gesloten voor het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] . De huur is ingegaan op 1 november 2011. [geïntimeerde] is enig (statutair) bestuurder van [holding] . 3.1.2. [holding] heeft vanaf januari 2012 de door haar verschuldigde huur onbetaald gelaten. Na een vordering daartoe van [appellante] is de huurovereenkomst bij vonnis van de kantonrechter te Breda van 15 augustus 2012 ontbonden en is [holding] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Daarnaast is [holding] veroordeeld tot betaling van € 13.440,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, de huur ad € 2.368,10 vanaf 1 september 2012 tot de feitelijke ontruiming, de schade wegens de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst (nader op te maken bij staat) en proceskosten ad € 1.122,41. Na betekening van het vonnis heeft [holding] het gehuurde op 12 september 2012 ontruimd. 3.1.3. [holding] is op het daartoe strekkende verzoek van [appellante] bij uitspraak van 27 augustus 2013 in staat van faillissement verklaard. [appellante] heeft een concurrente vordering ad € 17.689,66 en een preferente vordering (betreffende de kosten voor het aanvragen van het faillissement) ad € 1.632,82 bij de curator ter verificatie ingediend. 3.1.4. In het faillissementsverslag van [holding] van 14 april 2014 vermeldt de curator: “1.7 Oorzaak faillissement: De vennootschap was oorspronkelijk houdstermaatschappij van de aandelen in [metaal] Metaal B.V. Deze vennootschap is reeds eerder gefailleerd. Er werd binnen de vennootschap om die reden geen omzet meer gerealiseerd en konden (oudere) schulden niet worden voldaan. Een van de schuldeisers heeft het faillissement aangevraagd. (…) 7.5 Onbehoorlijk bestuur: Geen onrechtmatigheden geconstateerd. 7.6 Paulianeus handelen: Geen reden om aan te nemen dat er sprake is van paulianeus handelen. (…) 8.2 Pref. vord. van de fiscus: € 147.794,43 (…) 8.4 Andere pref. crediteuren: € 1.632,82 (…) 8.6 Bedrag concurrente crediteuren: € 62.588,40 (…)”. 3.1.5. Het faillissement van [holding] is bij beschikking van 24 juni 2014 opgeheven bij gebrek aan baten. Er zijn geen uitkeringen gedaan aan de schuldeisers. 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [appellante] dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 19.798,92, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 19.322,48 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, en de proceskosten. 3.2.2. [appellante] stelt hiertoe dat [geïntimeerde] op grond van onrechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade van [appellante] die zij heeft geleden, nu haar vordering die zij ter verificatie in het faillissement van [holding] heeft ingediend niet tot een uitkering heeft geleid. 3.2.3. [geïntimeerde] betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] . Wanneer de vorderingen van [appellante] toch voor toewijzing vatbaar zouden zijn, dan moet daarop de waarborgsom van € 7.104,30 die [holding] aan [appellante] heeft betaald in mindering worden gebracht, aldus [geïntimeerde] . 3.2.4. In het vonnis van 1 juli 2015 heeft de kantonrechter geoordeeld dat van ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] geen sprake is. Evenmin heeft [geïntimeerde] volgens de kantonrechter als bestuurder van [holding] onrechtmatig gehandeld jegens [appellante] . Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. 3.3. [appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. Onrechtmatige daad 3.4. Het hof ziet aanleiding om eerst grief IV te bespreken. In deze grief betoogt [appellante] , voor zover hier van belang, dat het niet geheel of gedeeltelijk terugbetalen van de geldlening door [geïntimeerde] aan [holding] een grond voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als bestuurder van [holding] oplevert, omdat [geïntimeerde] ter zake een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Naast schuldenaar van [holding] was [geïntimeerde] ook statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [holding] . Enerzijds behartigde [geïntimeerde] zijn privébelangen, als schuldenaar van de geldlening van [holding] en aandeelhouder van [holding] ; anderzijds moest hij als bestuurder van [holding] de zelfstandige belangen van [holding] ten opzichte van zichzelf in privé behartigen. [geïntimeerde] had zich onder deze omstandigheden niet enkel door zijn privé belang mogen laten leiden, maar had als bestuurder van [holding] pogingen moeten ondernemen om de vordering van [holding] op [geïntimeerde] te incasseren, om met de opbrengst daarvan crediteuren van [holding] te voldoen. Elke andere bestuurder had onder de gegeven omstandigheden pogingen ondernomen om de vordering van [holding] op [geïntimeerde] te incasseren. 3.5. [geïntimeerde] verweert zich met de stelling dat de kantonrechter met juistheid heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] zijn persoonlijk belang voor heeft laten gaan op dat van de schuldeisers van [holding] , door niet af te lossen op zijn lening, op zichzelf onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van een persoonlijk ernstig verwijt. Voorts heeft de kantonrechter volgens [geïntimeerde] terecht geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat het faillissement veroorzaakt is door het opnemen, dan wel niet terugbetalen van de lening door [geïntimeerde] . 3.6. Het hof stelt voorop dat wanneer een schuldeiser van een vennootschap is benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering er ook grond kan zijn, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap, voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.