GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 18/00472 tot en met 18/00483 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2018, nummers BRE 17/4258 tot en met 17/4269, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te melden naheffingsaanslagen en beschikkingen. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn de navolgende naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) en boetebeschikkingen opgelegd. Kenmerk Hof Kenmerk Rechtbank Aanslagnummer Dagtekening BZM Verzuimboete 18/00472 17/4258 [aanslagnummer] .Z.60011.8 29 juli 2016 € 8 € 263 18/00473 17/4259 [aanslagnummer] .Z.60001.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00474 17/4260 [aanslagnummer] .Z.60002.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00475 17/4261 [aanslagnummer] .Z.60003.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00476 17/4262 [aanslagnummer] .Z.60004.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00477 17/4263 [aanslagnummer] .Z.60005.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00478 17/4264 [aanslagnummer] .Z.60006.8 28 juni 2016 € 8 € 263 18/00479 17/4265 [aanslagnummer] .Z.60007.8 15 juli 2016 € 8 € 263 18/00480 17/4266 [aanslagnummer] .Z.60008.8 15 juli 2016 € 8 € 263 18/00481 17/4267 [aanslagnummer] .Z.60009.8 15 juli 2016 € 8 € 263 18/00482 17/4268 [aanslagnummer] .Z.60010.8 15 juli 2016 € 8 € 263 18/00483 17/4269 [aanslagnummer] .Z.60012.8 1 september 2016 € 8 € 263 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken van 10 mei 2017: - de bezwaren tegen de naheffingsaanslag Z.60011.8 en de daarbij gegeven boetebeschikking niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve besloten deze naheffingsaanslag en boetebeschikking te vernietigen; - de overige bezwaren gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vernietigd; - een vergoeding voor de kosten bezwaar toegekend van € 738 voor alle zaken gezamenlijk. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. De Rechtbank heeft in de zaak 17/4265 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de bezwaren tegen de naheffingsaanslag Z.60007.8 en de daarbij gegeven boetebeschikking niet-ontvankelijk verklaard, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 501 veroordeeld, gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In de overige zaken heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. 1.3. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 maart 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [gemachtigde] , adviseur te [plaats] , als gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde), vergezeld door [A] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.5. Belanghebbende heeft kort voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof. Ter zitting is deze tevens aan de Inspecteur verstrekt, waarna een leespauze is ingelast. 1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. De Inspecteur heeft de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd omdat was geconstateerd dat met het motorrijtuig met kenteken [kenteken] gebruik van de weg was gemaakt zonder dat de verschuldigde BZM vooraf op aangifte was voldaan. Gelet op het arrest HR 24 februari 2017, nr. 15/02068, ECLI:NL:HR:2017:286, betreffende het gebruik van met ANPR-camera’s vastgelegde gegevens, heeft de Inspecteur vervolgens bij de uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen, al dan niet ambtshalve, vernietigd. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen: 1. Is de onderhavige BZM in strijd met het Unierecht geheven? 2. Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die welke de hoofdzaak heeft beslist? 3. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting? 4. Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding over de terug te betalen belasting, boete en griffierecht? 5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en werkelijke proceskosten? Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, voor zover daarbij de verzoeken om schadevergoeding en werkelijke kosten van bezwaar en proceskosten zijn afgewezen, en tot toewijzing van deze verzoeken. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. 4Gronden Vooraf en ambtshalve 4.1. De Inspecteur heeft verzocht de in de pleitnota van belanghebbende opgeworpen nieuwe stelling betreffende de hoogte van het geheven griffierecht tardief te verklaren. Het Hof acht het innemen van een nieuwe stelling in een dergelijk laat stadium van het geding in strijd met de goede procesorde, nu niet valt in te zien waarom belanghebbende deze stelling niet eerder had kunnen innemen. De door belanghebbende ter zitting gegeven reden dat hij zeer vele zaken onderhanden heeft en daardoor pas kort voor de zitting aan de voorbereiding van de zaak toekomt, acht het Hof onvoldoende. Het Hof zal dan ook deze nieuwe stelling als zijnde tardief buiten beschouwing laten. 4.2. Belanghebbende verzet zich in hoger beroep niet tegen het oordeel van de Rechtbank dat de bezwaren betreffende de naheffingsaanslagen Z.60007.8 en Z.60011.8 en de bijbehorende boetebeschikkingen te laat zijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk zijn. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank dienaangaande op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Ten aanzien van het geschil Vraag 1: Is de onderhavige BZM in strijd met het Unierecht geheven? 4.3. In het onder 2.1 genoemde arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen: “2.3.3. Verder wordt vooropgesteld dat in cassatie terecht niet in geschil is dat hier sprake is van een inmenging van het openbaar gezag in belanghebbendes privéleven. Immers, door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR‑camera’s verkregen gegevens, wordt het privéleven van de betrokkenen geraakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.). De omstandigheid dat de voor fiscale controle niet relevant geachte gegevens binnen korte tijd worden verwijderd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Die omstandigheid beperkt weliswaar het aantal personen ten aanzien waarvan een inmenging in het privéleven plaatsvindt, maar laat onverlet dat een zodanige inmenging plaatsvindt ten aanzien van degenen van wie de gegevens wel worden bewaard, zoals belanghebbende. Aan de aanwezigheid van een inmenging in het privéleven doet evenmin af, zoals het Hof terecht heeft overwogen, dat belanghebbende zelf heeft gekozen voor het achterwege blijven van fiscale inhoudingen, door bij de Inspecteur een verklaring geen privégebruik aan te vragen en deze verklaring aan de inhoudingsplichtige te overleggen. 2.3.4. Aangezien daardoor het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt, behoeft het verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en gebruiken van de ANPR‑gegevens, zoals dat in feite heeft plaatsgevonden, een voldoende precieze wettelijke grondslag als hiervoor bedoeld in onderdeel 2.3.2 (tweede alinea). De algemene taakstelling van de Belastingdienst, zoals geformuleerd in artikel 2, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, voldoet niet aan dit vereiste. Dat artikel bepaalt slechts in algemene zin dat de Belastingdienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen. Artikel 20 AWR, op grond waarvan de inspecteur te weinig geheven belasting kan naheffen, biedt evenmin een voldoende precieze wettelijke grondslag voor de gevolgde handelwijze. Hetzelfde geldt voor de regeling over belastingheffing wegens privégebruik van auto’s in artikel 13bis Wet LB 1964. De vereiste wettelijke grondslag kan evenmin worden gevonden in artikel 55 AWR, op grond waarvan – kort gezegd – overheidslichamen aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen verstrekken die hun door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd. Ook daarin is geen voldoende precieze grondslag voor het verzamelen, vastleggen, bewaren, bewerken en gebruiken van de ANPR-gegevens gelegen. Er is ook geen andere wettelijke bepaling die de Inspecteur een voldoende precieze grondslag verschaft voor de gevolgde handelwijze. 2.3.6. Uit het hiervoor in 2.3.3 en 2.3.4 overwogene volgt dat de Inspecteur over de met ANPR-camera’s verzamelde gegevens beschikt zonder de daarvoor vereiste wettelijke grondslag en als resultaat van een systematische inbreuk op artikel 8 EVRM. Onder die omstandigheden kan deze informatie door de Inspecteur niet worden gebruikt om daarop de naheffingsaanslagen te baseren.” 4.4. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 4.5. Het bepaalde in artikel 8 EVRM is tevens vastgelegd in artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Ingevolge dat artikel heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. 4.6. Artikel 51 van het Handvest bepaalt dat de bepalingen van het Handvest zijn gericht tot lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De BZM is gebaseerd op het Verdrag van 9 februari 1994 tussen de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op grond van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, ter vervanging van Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006. Aldus is sprake van een situatie dat Nederland het recht van de Unie ten uitvoer brengt en toetsing van de bepalingen van het Handvest kan plaatsvinden. 4.7. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad is van inmenging van het openbaar gezag in belanghebbendes privé-leven in het onderhavige geval geen sprake. Het betreft immers het gebruik van een vrachtauto die uitsluitend bestemd is voor goederenvervoer over de weg. Belanghebbende is houder van de vrachtauto. Niet gezegd kan worden dat bij een heffing als de onderhavige BZM, inmenging in belanghebbendes privé-leven plaatsvindt. Dat de Inspecteur desondanks het arrest ook heeft toegepast op de onderhavige heffing van BZM, doet daar niet aan af. 4.8. Hieruit volgt dat vraag 1 ontkennend dient te worden beantwoord. Vraag 2: Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die welke de hoofdzaak heeft beslist? 4.9. De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraken geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat deze vraag in een andere formatie had moeten worden beslist dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd. 4.10. De Hoge Raad heeft op 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, het volgende, voor zover hier van belang, overwogen: “2.2.1. Middel III bestrijdt het hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt onder meer dat andere rechters dan degenen die de hoofdzaak behandelden, hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak. Het middel beroept zich in dit verband op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). 2.2.2. In het arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 (hierna: het arrest van 10 juni 2011) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Omdat dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM, heeft de Hoge Raad aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over dat verdragsartikel. Bij overschrijding van die redelijke termijn heeft de belanghebbende op grond van die jurisprudentie in beginsel recht op compensatie. Het EHRM heeft een aantal factoren genoemd waaraan die compensatie en de daarmee gemoeide procedure moeten voldoen (zie o.a. EHRM 21 december 2010, nr. 50973/08, Vassilios Athanasiou e.a. tegen Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2010:1221JUD005097308, paragraaf 55). Die voorwaarden houden voor zover hier van belang in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.