GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 24 januari 2019 Zaaknummer : 200.247.923/01 Beschikking van 24 januari 2019 in de zaak van Bauunternehmung [bauunternehmung] GMBH & Co, gevestigd te [vestigingsplaats] , Bondsrepubliek Duitsland), verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. A. Bonder, tegen [de vennootschap 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Italië), verweerster, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: mr. T.L. Claassens. 1De procedure 1.1. [verzoekster] heeft bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 11 oktober 2018, het hof verzocht om, zonder verplichting tot zekerheidsstelling, verlof te verlenen om de uitspraak (“Final Award”) van het ICC International Court of Arbitration, zaaknummer [zaaknummer] van 16 augustus 2017, met als plaats van arbitrage [plaats 1] (Zwitserland), in Nederland ten laste van [verweerster] ten uitvoer te leggen, de gegeven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding. [verzoekster] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [de vennootschap 2] te [plaats 2] . 1.2. Voorts zijn ter griffie binnengekomen: - een brief van [verzoekster] van 12 oktober 2018 (voor zover nodig mede woonplaats kiezende ter griffie van dit gerechtshof); - een faxbericht van [verweerster] van 30 november 2018; - een indieningsformulier van [verzoekster] van 5 december 2018 met bijlagen (producties 4 en 5); - een brief van [verweerster] van 5 december 2018 met bijlagen (producties 1 tot en met 16); - het verweerschrift van [verweerster] van 6 december 2018 tevens houdende exceptie van onbevoegdheid. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Verschenen zijn: - mr. Bonder, advocaat van [verzoekster] ; - mrs. Ruff, R.A.L. Markus en S. Elavarasan, advocaten van [verweerster] . Beide partijen hebben daarbij ter zitting pleitnota’s voorgedragen en aan het hof overgelegd. Het hof heeft vervolgens de datum voor uitspraak bepaald. 2De exceptie van onbevoegdheid 2.1. [verweerster] heeft zich voor alle weren beroepen op de onbevoegdheid van het hof om van deze zaak kennis te nemen. [verweerster] voert aan dat ingevolge art. 1075 Rv (oud) de voorzieningenrechter van een rechtbank bevoegd is om in eerste aanleg over het verzoek te beslissen. Zij betoogt dat ingevolge art. IV lid 2 en 4 van de Wet van 2 juni 2014, Stb 2014, 254 (Modernisering van het Arbitragerecht) de per 1 januari 2015 gewijzigde bepaling van art. 1075 Rv, waarbij het gerechtshof als enige feitelijke instantie bevoegd is verklaard, niet op het onderhavig verzoekschrift van toepassing is omdat de arbitrageprocedure, die tot de final award van 16 augustus 2017 heeft geleid, ruim vóór 1 januari 2015 aanhangig is gemaakt. 2.2. [verzoekster] bestrijdt niet dat de arbitrageprocedure ruim vóór 1 januari 2015 aanhangig is gemaakt. Zij betwist wel de stelling van [verweerster] dat op grond van het overgangsrecht art. 1075 (oud) van toepassing is. [verzoekster] voert aan dat de tekst van de wet ruimte laat voor meerdere zienswijzen. De wetgever heeft willen voorkomen dat op een en dezelfde arbitrale procedure als gevolg van de invoering van het nieuwe arbitragerecht eerst het oude en vervolgens per 1 januari 2015 het nieuwe procesrecht van toepassing zou zijn. Bij internationale arbitrages doet deze situatie zich volgens [verzoekster] niet voor nu de internationale arbitrage eerst bij het verzoekschrift waarbij verlof tenuitvoerlegging wordt gevraagd in de Nederlandse rechtssfeer belandt. Van toepassing is dan het recht zoals dat geldt ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, en dat is de nieuwe tekst van art. 1075 Rv. [verzoekster] zoekt voor haar standpunt onder meer steun bij de beschikkingen van het Gerechtshof Amsterdam van 29 mei 2018 (ECLI:GHAMS:2018:1842) en 6 november 2018 (ECLI:GHAMS:2018:4155). 2.3. Op de stellingen van partijen zal het hof, voor zover nodig, in het navolgende ingaan. 3De beoordeling omtrent de bevoegdheid 3.1. Het hof overweegt dat de per 1 januari 2015 inwerking getreden wet tot Modernisering van het Arbitragerecht in beginsel onmiddellijke werking heeft, tenzij de wet zelf anders bepaalt. Artikel IV van genoemde wet regelt het overgangsrecht en luidt: “ 1. Deze wet is van toepassing op arbitrages die aanhangig zijn geworden op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Op arbitrages die aanhangig zijn of waren voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold. 3. Deze wet is van toepassing op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding of door het indienen van een inleidend verzoekschrift indien en voor zover het arbitrages betreft als bedoeld in het eerste lid. 4. Deze wet is niet van toepassing op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt of waren door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding of door het indienen van een inleidend verzoekschrift indien en voor zover het arbitrages betreft als bedoeld in het tweede lid. Op die zaken blijft het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold.” 3.2. Nu het arbitraal geding, dat tot de op 16 augustus 2017 te [plaats 1] gedane uitspraak (“Final Award”) van het ICC International Court of Arbitration, zaaknummer [zaaknummer] heeft geleid, ruim vóór 1 januari 2015 aanhangig is gemaakt, is ingevolge de letterlijke tekst van art. IV lid 2 en 4 de nieuwe arbitragewet niet op de onderhavige arbitrage en verzoekschriftprocedure van toepassing. 3.3. Vervolgens is het de vraag of de bedoeling van de wetgever tot een andere uitleg dan de letterlijke tekst van de wet aanleiding geeft. 3.3.1. De toelichting op de overgangsbepaling (Kamerstuk 33 611, nr. 3 MvT) luidt als volgt: “ De huidige regeling blijft van toepassing op zaken die al aanhangig zijn (geweest) voor de datum van inwerkingtreding (lid 2). Zodoende wordt niet alleen voorkomen dat op een en dezelfde arbitrale rechtsgang achtereenvolgens twee verschillende soorten arbitraal procesrecht van toepassing zijn. Voorkomen wordt ook dat een frictie optreedt met op het huidige arbitrale procesrecht afgestemde arbitragereglementen van arbitrage-instituten, omdat die niet zelden op grond van die reglementen op aanhangige arbitrages van toepassing blijven. Het voorgestelde overgangsrecht stelt scheidsgerechten in staat hun arbitragereglementen in overeenstemming te brengen met het voorgestelde arbitrale procesrecht en van toepassing te verklaren op zaken die aanhangig worden gemaakt met ingang van de datum waarop het voorgestelde arbitrale procesrecht in werking treedt. (…)”. 3.3.2 Het hof overweegt dat prof. H.J. Snijders (Snijders, GS Burgerlijke rechtsvordering , Vierde Boek Arbitrage, Algemene Inleiding, aant.4.1) over de overgangsbepaling van art. VI (later, bij Kamerstuk 33 611, nr. 6 Nota van Wijziging, vernummerd tot IV) het volgende opmerkt: “ (…) Het oude recht blijft intussen nog lang relevant, gegeven dat op alle voor 1 januari 2015 (in eerste aanleg) aanhangig gemaakte arbitrages én op de procedures bij de overheidsrechter naar aanleiding daarvan het oude recht toepasselijk blijft. Aan te nemen valt dat dit ook geldt voor verzoekschriftprocedures die vanaf 1 januari 2015 worden geïnitieerd inzake arbitrages welke voor 1 januari 2015 in het buitenland aanhangig werden gemaakt, al gelden voor die arbitrages niet art. 1020-1073 Rv (titel IV.1 Rv inzake arbitrage in Nederland), maar art. 1074-1076 Rv (titel IV.2 Rv inzake arbitrage in het buitenland). De tekst van de wet maakt op dit punt geen onderscheid en een dergelijk onderscheid lijkt ook niet gepast. Die buitenlandse arbitrages werden aanhangig gemaakt voor 1 januari 2015 en werden dus voor zover het Nederlandse arbitragerecht er al op van toepassing was (en dan gaat het om art. 1074-1076 Rv), ook geregeerd door het destijds geldende Nederlandse arbitragerecht. Er is geen enkele reden om op dit punt te differentiëren tussen Nederlandse en buitenlandse arbitrages”. 3.3.3. G.J. Meijer (in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Vierde Boek Rv Arbitrage, Inleidende opmerkingen, aant. 12b) merkt op: “ De overgangsbepaling in art. IV Wijzigingswet Boek 3 BW enz. (modernisering Arbitragerecht) zal niet of nauwelijks tot vragen aanleiding geven. Uitzondering lijdt wellicht de vraag of de huidige dan wel de voordien geldende arbitragewet van toepassing is op een verzoekprocedure bij de gewone rechter strekkende tot (erkenning
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.