GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.232.104/01 arrest van 18 juni 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, verder: [appellant] , advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, verder: [geïntimeerde] , advocaat: mr. B.F.H.L. van Campfort te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 2 november 2017 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 6184569 \ CV EXPL 17-6818) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 10 augustus 2017. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 19 januari 2018 met grieven, eiswijziging en een productie; de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van [geïntimeerde] van 13 maart 2018 met producties; de akte van depot van [appellant] van 18 mei 2018; de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellant] van 22 mei 2018 met een productie. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling In het principaal appel en in het incidenteel appel 3.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. Bij schriftelijke huurovereenkomst van 9 juli 2005 heeft [appellant] per 1 juli 2005 aan [geïntimeerde] verhuurd de bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW aan de [adres] te [vestigingsplaats] , bestemd om te worden gebruikt als sportschool. De huurprijs bedroeg bij aanvang op jaarbasis € 18.000,= en diende maandelijks met € 1.500,= bij vooruitbetaling te worden betaald. In artikel 2.1 van de huurovereenkomst is opgenomen dat daarvan deel uitmaken de Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (ROZ 2003). Daarbij is vermeld dat de inhoud van deze algemene bepalingen partijen bekend is en dat huurder en verhuurder een exemplaar van de algemene bepalingen hebben ontvangen. De bladzijde waarop deze bepaling staat is door beide partijen geparafeerd. De laatste bladzijde van de huurovereenkomst is door beide partijen ondertekend. Op de plaats waar ruimte is voor de afzonderlijke handtekening van de huurder voor de ontvangst van een eigen exemplaar van de algemene bepalingen, staat geen handtekening of paraaf. In artikel 4.4 van de huurovereenkomst is bepaald dat indexering van de huurprijs plaatsvindt overeenkomstig 9.1 tot en met 9.4 van de algemene bepalingen. Daarin is onder meer bepaald dat het voor de geldigheid van een nieuwe geïndexeerde prijs niet nodig is dat van een door te voeren of doorgevoerde indexering tevoren een afzonderlijke mededeling aan huurder is gedaan (9.3). Artikel 18.2 van de algemene bepalingen bevat een boetebeding dat inhoudt dat ingeval van niet tijdige betaling door de huurder deze een boete van minimaal € 300,= per maand verbeurt. In de periode 2015, 2016 en 2017 heeft [geïntimeerde] de huurpenningen niet tijdig en volledig voldaan, zoals weergegeven in het overzicht in punt 9 van de dagvaarding in eerste aanleg. In juli 2017 bedroeg de huurachterstand € 7.500,=. Bij brief van 3 juli 2017 heeft de gemachtigde van [appellant] onder verwijzing naar de algemene bepalingen [geïntimeerde] gesommeerd de huurachterstand en de daarna volgende huurtermijnen te voldoen. [geïntimeerde] heeft dat niet gedaan. Op 13 juli 2017 heeft [appellant] conservatoir beslag doen leggen op onroerende zaken en een bankrekening van [geïntimeerde] . 3.2 Bij dagvaarding van 13 juli 2017 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [appellant] dat [geïntimeerde] geruime tijd de huurpenningen niet tijdig/volledig voldoet en een huurachterstand van vijf maanden heeft laten ontstaan. Deze tekortkomingen in de nakoming van diens verplichtingen uit de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene bepalingen rechtvaardigen volgens [appellant] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Op grond hiervan vorderde [appellant] in eerste aanleg, samengevat, ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de volgende bedragen: € 7.500,= aan achterstallige huur, met boete/rente; € 16.500,= aan boetes wegens te late betalingen tot en met februari 2017; € 1.695,84 per maand vanaf 1 augustus 2017 aan huur respectievelijk schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, met indexatie en met boete/rente; € 750,= aan buitengerechte incassokosten, met rente; € 1.143,01 aan beslagkosten, met rente. [geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellant] bestreden. Hij is bereid de huurachterstand te voldoen wanneer [appellant] de beslagen opheft. Volgens [geïntimeerde] vertoont het gehuurde gebreken, zowel wat betreft de bedrijfsruimte zelf als wat betreft gebrek aan parkeerruimte en overlast van een naastgelegen bedrijf, waardoor de bedrijfsvoering in het gehuurde negatief wordt beïnvloed. 3.3 Bij tussenvonnis van 10 augustus 2017 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 29 september 2017 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 2 november 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van (ernstige) gebreken aan de het gehuurde en het daarop gebaseerde verweer van [geïntimeerde] verworpen. De gevorderde boeterente over de door [geïntimeerde] erkende huurachterstand oordeelde de kantonrechter niet toewijsbaar, de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente wel. De gevorderde boete heeft de kantonrechter gematigd tot nihil en de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. De huurovereenkomst is ontbonden en [geïntimeerde] is veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. De huur is toegewezen vanaf 1 augustus 2017 tot de ontbinding van de huurovereenkomst, met de wettelijke handelsrente. Als schadevergoeding wegens de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen een bedrag van € 6.000,= voor vier maanden vanaf de ontbinding, waarop in mindering strekken de inkomsten van [appellant] door het weer in gebruik geven van het gehuurde aan een derde. Aan beslagkosten is toegewezen een bedrag van in totaal € 856,01. [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten, met de wettelijke rente en nakosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. 3.4 [geïntimeerde] heeft aan het eindvonnis van 2 november 2017 voldaan; hij heeft het gehuurde op 20 november 2017 ontruimd. 3.5 In hoger beroep vordert [appellant] aan boetes wegens te late betalingen een bedrag van € 27.600,= subsidiair € 8.400,= althans de contractuele rente van 2% per maand dan wel de wettelijke handelsrente telkens vanaf de eerste van de maand. Ten opzichte van de oorspronkelijke vordering op dit onderdeel houdt dit een wijziging van eis in. Tegen deze eiswijziging heeft [geïntimeerde] geen processueel bezwaar aangevoerd. Ook het hof acht de eiswijziging niet ontoelaatbaar, zodat in het hierna volgende van de aldus vermeerderde eis zal worden uitgegaan. De gevorderde bedragen corresponderen met 92 respectievelijk 28 maal de boete van € 300,=. [appellant] stelt dat hem primair 95 maal de boete (€ 28.500,=) toekomt, maar dat bedrag vordert hij niet. 3.6 In het principaal appel heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. De eerste twee grieven betreffen de matiging van de boete tot nihil, met de hiervoor vermelde eiswijziging. Zijn primaire en subsidiaire vordering baseert [appellant] op artikel 18.2 van de algemene bepalingen, hiervoor in 3.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.