GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.228.051/01 arrest van 25 juni 2019 in de zaak van 1 [appellant 1] , 2. [appellante 2] , 3. [appellant 3] , 4. [appellante 4] , 5. [appellant 5] , allen wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. M. Akça-Altun, tegen: Stichting Alwel, voorheen Stichting Allee Wonen, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. A.A.M. Simons te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 8 november 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 9 augustus 2017 tussen appellanten - [appellanten c.s.] - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde - de Stichting - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. Appellanten sub 1 en 2 worden ook aangeduid als de ouders [appellant 1 en appellante 2] , appellanten sub 3, 4 en 5 als de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] . 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5440556 CV EXPL 16-5933) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 8 november 2017 met een productie; - de memorie van grieven van [appellanten c.s.] van 16 januari 2018 met een productie; - de memorie van antwoord van de Stichting van 27 maart 2018; - de akte van [appellanten c.s.] van 8 mei 2018 met een productie; - de antwoordakte van de Stichting van 5 juni 2018. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3. De beoordeling 3.1 In overweging 3.2 van het vonnis van 9 augustus 2017 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. Bij huurovereenkomst van 16 november 2007 heeft de Stichting met ingang van 17 november 2007 aan de ouders [appellant 1 en appellante 2] de woning aan de [adres 1] te [plaats] verhuurd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden woonruimte van de stichting van toepassing. De kinderen [appellanten 3, 4 en 5] zijn op dit adres bij de ouders gaan inwonen. [appellant 3] en [appellante 4] hebben zich op 5 september 2008 als woningzoekenden ingeschreven, de ouders [appellant 1 en appellante 2] op 24 februari 2010 en [appellant 5] op 5 april 2011. Bij brief van 12 juni 2013 heeft de Stichting naar aanleiding van een telefonisch verzoek daarover aan de ouders [appellant 1 en appellante 2] meegedeeld dat de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] niet in het gehuurde kunnen blijven wonen op het moment dat de ouders [appellant 1 en appellante 2] het gehuurde verlaten. In de brief wordt erop gewezen dat van de ouders [appellant 1 en appellante 2] nimmer een verzoek om toestemming voor inwoning is ontvangen. Bij brief van 24 oktober 2013 heeft de Stichting aan de ouders [appellant 1 en appellante 2] bericht dat zij toestemming moeten verzoeken om de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] te laten inwonen in het gehuurde. Bij brief van 11 december 2013 heeft [appellant 1] de Stichting laten weten dat [appellant 3] sinds 1987 bij de ouders [appellant 1 en appellante 2] inwoont, dat de familie gezamenlijk is verhuisd naar het gehuurde, dat na het trouwen van [appellant 3] diens vrouw, [appellante 4] , en kinderen ook zijn komen inwonen en dat de jongste zoon [appellant 5] tijdelijk bij hen inwoont wegens zijn ziekte. [appellant 1] heeft de Stichting verzocht dat [appellant 3] en zijn gezin in de woning kunnen blijven wonen als de ouders [appellant 1 en appellante 2] vertrekken. Bij brief van 27 december 2013 heeft de Stichting bericht dat het niet gebruikelijk is dat kinderen als medehuurder worden aangeduid en dat, indien sprake is van een duurzaam gezamenlijk huishouden, dit goed gedocumenteerd moet worden voor een eventueel te voeren procedure. Bij huurovereenkomst van 3 maart 2016 verhuurt de Stichting vanaf die datum de woning aan de [adres 2] te [plaats] aan de ouders [appellant 1 en appellante 2] . Bij brief van 6 juni 2016 heeft de toenmalige gemachtigde van ouders en kinderen [appellanten 3, 4 en 5] de Stichting verzocht om de huurovereenkomst van het gehuurde op naam van [appellant 3] te zetten. Bij brief van 27 juni 2016 heeft de Stichting dit verzoek afgewezen. In een andere brief van 27 juni 2016 heeft de Stichting de ouders [appellant 1 en appellante 2] aangeschreven de huurovereenkomst van de woning aan de [adres 1] op te zeggen. De ouders [appellant 1 en appellante 2] hebben dat niet gedaan. 3.2 Bij dagvaarding van 30 september 2016 heeft de Stichting de onderhavige procedure tegen [appellanten c.s.] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt de Stichting dat de ouders [appellant 1 en appellante 2] twee woningen van de Stichting huren en dat zij door de woning aan de [adres 1] niet zelf te bewonen maar te laten bewonen door hun kinderen, tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst betreffende die woning. Op grond daarvan vordert de Stichting in conventie ten aanzien van de ouders [appellant 1 en appellante 2] ontbinding van de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres 1] en veroordeling van de ouders [appellant 1 en appellante 2] tot ontruiming ervan en ten aanzien van de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] voorwaardelijk, voor het geval sprake is van een onderhuurovereenkomst, ontbinding daarvan en veroordeling van de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] tot ontruiming van de woning. [appellanten c.s.] hebben de vorderingen van de Stichting bestreden en zich beroepen op medehuurderschap op grond van het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. In reconventie vorderen [appellanten c.s.] te bepalen dat de kinderen [appellanten 3, 4 en 5] ten aanzien van de woning aan de [adres 1] de status van medehuurders zullen krijgen. De Stichting heeft deze vordering op haar beurt bestreden. 3.3 Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat zowel ten aanzien van [appellant 5] als ten aanzien van [appellant 3] en zijn gezin onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, als bedoeld in artikel 7:267 lid 3 BW, met de ouders [appellant 1 en appellante 2] , en dat daarbij komt dat evenmin van duurzaamheid van een gezamenlijk huishouden sprake is. Het medehuurderschap is daarom afgewezen, terwijl de omstandigheid dat de ouders [appellant 1 en appellante 2] niet langer hun hoofdverblijf in de woning aan de [adres 1] hebben, meebrengt dat de vorderingen tot ontbinding en ontruiming toewijsbaar zijn. Van een onderhuurovereenkomst is niet gebleken, zodat de Stichting bij de daarop gebaseerde (voorwaardelijke) vorderingen geen belang heeft. In conventie is de huurovereenkomst betreffende de woning aan de [adres 1] te [plaats] ontbonden met veroordeling van [appellanten c.s.] tot ontruiming daarvan. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. [appellanten c.s.] zijn hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie. 3.4 [appellanten c.s.] hebben tegen het vonnis van 9 augustus 2017 elf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen in reconventie en tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting in conventie. De grieven betreffen, kort gezegd, het oordeel dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en de consequenties daarvan voor de vorderingen over en weer. 3.5 De grieven lenen zich grotendeels voor gezamenlijke behandeling. 3.6 De Stichting heeft de grieven van [appellanten c.s.] bestreden en daarbij meegedeeld dat de woning aan de [adres 1] te [plaats] op 10 september 2017 is ontruimd en inmiddels aan derden is verhuurd. 3.7 [appellanten c.s.] baseren hun stelling dat sprake is van medehuurderschap op het bepaalde in artikel 7:267 BW. In artikel 7:267 lid 1 BW is opgenomen, kort gezegd, dat als het gezamenlijk verzoek van een huurder en van een ander persoon tot medehuurderschap is afgewezen door de verhuurder, het verzoek kan worden voorgelegd aan de rechter. Artikel 7:267 lid 3 BW houdt in dat dit verzoek alleen wordt afgewezen als: de voorgestelde medehuurder niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft; mede gelet op hetgeen hierover is komen vast te staan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de voorgestelde medehuurder op korte termijn de positie van huurder te verschaffen; de voorgestelde medehuurder vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor behoorlijke nakoming van de huur. Ten tijde van het verzoek van [appellant 1] van 6 juni 2016, hiervoor in 3.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.