GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 4 juli 2019 Zaaknummer: 200.243.044/01 Zaaknummer eerste aanleg: 4232569 OV VERZ 15-6117 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van: [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , advocaat: mr. S. Smeets, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: [verweerster] , enig erfgename van de op 1 maart 2017 overleden: [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] , hierna: [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] , advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton, Tilburg , van 15 februari 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2018, heeft [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te oordelen dat de door [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] geleden schade niet aan [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] kan worden toegerekend, althans dit onvoldoende in rechte kan worden bewezen en dat [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] derhalve niet aan betaling van dit bedrag ad € 54.543,25 wordt gehouden. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 december 2018, heeft [verweerster] verzocht, primair, [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep en, subsidiair, voor het geval [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] wel ontvankelijk zou zijn, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] in de kosten. 2.3. Op 25 september 2018 heeft een regiezitting bij het hof plaatsgevonden. Voor deze zitting zijn opgeroepen [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] en mevrouw [voormalig bewindvoerder] (hierna: [voormalig bewindvoerder] ) van [Bewindvoering] Bewindvoering te [plaats 1] , de voormalig bewindvoerder van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] . Ter zitting is verschenen [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , bijgestaan door haar advocaat. [voormalig bewindvoerder] is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Ter zitting is afgesproken dat het volledige procesdossier bij de rechtbank zal worden opgevraagd en dat een nieuwe mondelinge behandeling zal worden bepaald waarvoor belanghebbenden, waaronder enig erfgename [verweerster] , zullen worden opgeroepen. 2.4. Op 30 april 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: - [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , bijgestaan door mr. D. Strijbosch, waarnemend voor mr. Smeets; - [verweerster] , bijgestaan door haar advocaat. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het journaalbericht van de zijde van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] van 20 augustus 2018 met bijlage, ingekomen op 21 augustus 2018; het journaalbericht van de zijde van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] van 5 september 2018, met als bijlage onder meer de brief van [appellante] aan de advocaat van de vrouw waarin [appellante] , naar het hof begrijpt, ermee instemt dat de advocaat deze procedure namens [appellante] voert, ingekomen op 6 september 2018; het journaalbericht van de zijde van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] van 27 september 2018 met bijlage, ingekomen op 1 oktober 2018; de brief van 8 januari 2019 van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team Civiel, met als bijlage het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen op 9 januari 2019. 3De beoordeling 3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter vastgesteld dat: - [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] als voormalig bewindvoerster van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] , tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en dat de tekortkoming haar kan worden toegerekend, - [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] als voormalig bewindvoerster van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] , aansprakelijk is jegens de rechthebbende voor de door hem geleden schade, en [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] ingevolge artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (BW) veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de rechthebbende te betalen een bedrag van € 54.543,25. 3.2. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] voert in het beroepschrift, kort samengevat, het navolgende aan. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] is niet eerder bekend geworden met de bestreden beschikking dan op 25 april 2018, de dag waarop [verweerster] de bestreden beschikking aan [appellante] , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , heeft betekend. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] is tijdig, namelijk binnen drie maanden na betekening van de bestreden beschikking, in beroep gekomen tegen deze beschikking (artikel 806 lid 1 aanhef onder en b. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] stelt dat zij niet wist dat een procedure ter zake het door haar gevoerde bewind over de goederen van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] aanhangig is geweest en dat zij niet in de gelegenheid is gesteld zich in die procedure te verweren, omdat zij nooit bericht heeft ontvangen. Het is haar, bij gebreke aan bekendheid met het volledige procesdossier in eerste aanleg, onduidelijk waaruit de geleden schade bestaat en waarom deze schade aan haar wordt toegerekend. De schade is ten onrechte vastgesteld en kan haar niet worden toegerekend. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] ontkent iedere aansprakelijkheid. 3.3. [verweerster] voert, kort samengevat, het volgende aan. De termijn waarbinnen [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , aan wie blijkens de processtukken een afschrift van de bestreden beschikking is verzonden, hoger beroep kan instellen eindigt drie maanden na de bestreden beschikking, derhalve op 15 mei 2016 (artikel 806 lid 1 aanhef en onder a. Rv). Het hoger beroep d.d. 18 juli 2018 is te laat ingesteld en [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair voert [verweerster] inhoudelijk verweer. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] is op 15 oktober 2012 benoemd als bewindvoerster over de goederen van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] , die op dat moment in een verzorgingshuis in [plaats 2] verbleef. De kosten van het verzorgingshuis werden rechtstreeks ingehouden op de AOW uitkering van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] . Overige kosten (premie ziektekostenverzekering, kleding, wasserette, schoenen, persoonlijke verzorging) diende [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , als bewindvoerster, van de bankrekening van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] te voldoen. Op enig moment bleven deze betalingen uit en zijn er schulden ontstaan. [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] , die [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] nooit in het verzorgingshuis heeft bezocht, heeft nooit gereageerd toen het verzorgingshuis haar over de schulden van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] benaderde. Ten einde raad heeft het verzorgingshuis de griffie van het kantongerecht gebeld. Conform het aldaar gekregen advies heeft het verzorgingshuis verzocht een andere bewindvoerder te benoemen. Op 1 april 2015 is [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] als bewindvoerster ontslagen en is [voormalig bewindvoerder] benoemd als opvolgend bewindvoerster. [voormalig bewindvoerder] constateerde dat er niet alleen schulden waren ontstaan, maar ook bleek dat er van de bankrekening van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] vele pinbetalingen waren gedaan bij onder meer restaurants en supermarkten in [plaats 3] en dat er bedragen werden afgeschreven met de omschrijving ‘huur [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] en [echtgenoot] (de echtgenoot van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] )’. Slechts een klein deel van de afschrijvingen is ten behoeve van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] gedaan, de overige opnames en uitgaven zijn evident niet aangewend ten behoeve van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] . [verweerster] verwijst hiervoor naar de overgelegde bankafschriften en overzichten waarop [voormalig bewindvoerder] concreet heeft aangegeven welke betalingen ten behoeve van [de erflater (in eerste aanleg, de rechthebbende) ] zijn gedaan en welke niet. Op aangeven van [voormalig bewindvoerder] heeft de kantonrechter onderzoek gepleegd en is de procedure gevoerd die heeft geleid tot de bestreden beschikking met onder meer veroordeling van [betrokkene (in eerste aanleg, de bewindvoerder)] tot betaling aan de rechthebbende (thans [verweerster] ) van in totaal € 54.543,25. 3.3. Het hof overweegt het volgende. Ten aanzien van de ontvankelijkheid 3.3.1. In zaken betreffende het personen- en familierecht kan, in afwijking van artikel 358, lid Rv, krachtens artikel 806, lid 1 Rv van een beschikking hoger beroep worden ingesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.