GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 juli 2019 Zaaknummer: 200.245.045/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/298800 / FA RK 15-5047 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. C.H.J. Willemsen, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. K.C.A. Ariëns. Betreffende de minderjarigen: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002; [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] , Engeland, op [geboortedatum] 2004. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging: [vestiging] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2018, heeft de vader het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en: - een bijzondere curator te benoemen en/of een onderzoek te laten verrichten door de raad; - te bepalen dat de vader gerechtigd is tot omgang met [jongmeerderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 2002 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Engeland, op [geboortedatum] 2004 gedurende een zondagmiddag per veertien dagen dan wel een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen die het hof juist acht. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2018, heeft de moeder het hof verzocht het door de vader verzochte af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Willemsen en een tolk in de Somalische taal, de heer S. Mahed (tolknummer 3757); de moeder, bijgestaan door mr. Ariens en een tolk in de Somalische taal, de heer I.A. Mohamed (tolknummer 4640); [vertegenwoordiger van de raad] , als vertegenwoordigster van de raad. 2.3.1. Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties 28 en 29 van de advocaat van de vader, zijnde de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 maart 2016 respectievelijk 6 februari 2017, ingekomen ter griffie op 9 oktober 2018. 2.5. Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Willemsen van 27 mei 2019. 3De beoordeling 3.1. Het internationale karakter van de zaak vraagt beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na ambtshalve onderzoek, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. 3.2. Met betrekking tot de vraag welk recht op het onderhavige geschil moet worden toegepast overweegt het hof dat het geschil de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft en daarmee valt binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb.1997, 299 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Ingevolge artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast. Het onderhavige verzoek zal het hof dan ook, evenals de rechtbank, beoordelen naar Nederlands recht. 3.3. Partijen zijn voor de Islamitische wet met elkaar gehuwd. Er geen sprake van een burgerlijk huwelijk volgens de Nederlandse wet. Partijen leven reeds twaalf jaar duurzaam gescheiden. Uit de relatie van partijen zijn geboren: [jongmeerderjarige] (hierna: [jongmeerderjarige] ), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , Engeland. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] zijn door de vader erkend. [minderjarige 2] is niet door de vader erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder. 3.3.1. Nu [jongmeerderjarige] reeds de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, is hij niet verder in de onderhavige procedure betrokken. 3.4. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, aan de vader voor de erkenning van [minderjarige 2] vervangende toestemming verleend en bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met de drie voornoemde kinderen in het omgangshuis te [plaats] van Stichting Maashorst, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en Stichting Maashorst. De rechtbank heeft de verdere behandeling aangehouden in afwachting van het verloop van de begeleide omgang. 3.5. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 maart 2017 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, vervolgens (uitvoerbaar bij voorraad) bepaald dat de moeder de vader met ingang van 1 mei 2017 eenmaal per twee maanden zal informeren over de algemene ontwikkeling, interesses en schoolprestaties van [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsmede dat zij de vader met ingang van 1 mei 2017 eenmaal per half jaar een recente en goedgelijkende foto van de kinderen stuurt. De rechtbank heeft iedere verdere behandeling pro forma aangehouden en heeft partijen verzocht uiterlijk 8 juni 2017 zich schriftelijk uit te laten omtrent de voortgang van het traject bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en de stand van zaken. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aangehouden. 3.6. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het verzoek van de vader tot het vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. 3.7. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.8. De vader stelt in zijn beroepschrift, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen heeft afgewezen. Daarnaast meent de vader dat de rechtbank ten onrechte geen bijzondere curator heeft benoemd dan wel aan de raad een opdracht heeft gegeven om een onderzoek te verrichten en op die manier te zorgen dat er een gesprek tussen de kinderen en de vader wordt georganiseerd, in het bijzijn van een medewerker van de raad. 3.9. De moeder heeft de grieven van de vader gemotiveerd betwist. 3.10. De raad verklaart ter zitting van het hof dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen. De raad acht het maximaal haalbare op dit moment een gesprek tussen de vader en de kinderen waarin de vader aan de kinderen duidelijk maakt dat hij hen met rust zal laten. In de toekomst zal dit mogelijk ruimte creëren voor nieuw contact tussen de vader en de kinderen. Het bedoelde gesprek tussen de vader en de kinderen houdt volgens de raad een afronding in van een periode voor zowel de vader als de kinderen. Van groot belang is dat de vader zich in kan leven in de situatie van de kinderen en hij aan de kinderen laat weten dat hij hun standpunt respecteert. Uiteindelijk zal dit meer rust brengen voor beide partijen. Mede gelet op de voorafgaande jaren waarin er veel hulpverlening en begeleiding is ingezet. De kinderen hebben gedurende deze periode geen connectie gevoeld en voelden zich niet begrepen door de vader. Daarbij speelt tevens een rol dat de kinderen voelen dat de moeder niet volledig achter totstandkoming van contact(herstel) tussen de vader en de kinderen staat. De vader dient naar de kinderen toe te erkennen dat hij begrijpt hoe ingewikkeld voor hen is om, mede gelet op de voorgeschiedenis van de ouders, contact met hem te hebben. Dit kan een helende werking hebben voor de kinderen. Op dit moment voelen zij alleen de druk, wat maakt dat zij constant jegens de vader weerstand laten zien. 3.11. Het hof acht zich, voor zover de vader heeft verzocht om een onderzoek door de raad naar de mogelijkheden om omgang tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Omgangsregeling 3.12.1. Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 3.12.2. Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.