Parketnummer : 20-003637-16 Uitspraak : 28 mei 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 15 november 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-889117-12 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd (feiten 1 en 3), diefstal (feiten 2 en 4), gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen (feit 5) en medeplegen van valsheid in geschrifte (feit 6), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een in beslag genomen auto verbeurdverklaard en de benadeelde partij SNS-bank niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat hieromtrent niet behoeft te worden beslist nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de in beslag genomen bestelauto. De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij Het hof zal voorts de alsdan toepasselijke wetsartikelen opnemen. Tevens vult het hof - naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht - de gronden aan met betrekking tot de verbeurdverklaring van de in beslag genomen auto. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hennepteelt op twee locaties (respectievelijk 540 en 1247 hennepplanten), waarbij telkens elektriciteit is weggenomen. Hij heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) gewoontewitwassen, hetgeen op grote schaal is gebeurd. Tevens heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte om een hypothecaire geldlening te verkrijgen waarvoor hij niet in aanmerking kwam. Het gebruik van hennep kan bij regelmatig gebruik gevaar opleveren voor het welzijn en de (geestelijke) gezondheid van de (vaak jeugdige) jeugdige gebruikers. Het telen van hennep heeft allerlei maatschappelijk ongewenste effecten tot gevolg en gaat veelal gepaard met andere, zware, vormen van criminaliteit. Ten behoeve van de hennepteelt heeft verdachte op beide locaties illegale stroomvoorzieningen aangelegd (of laten aanleggen). Deze voorzieningen waren onveilig en leverden voor de bewoners en gebruikers van de betrokken panden en voor de nabije omgeving een groot brandrisico op. Verdachte heeft voor al die gevolgen geen oog gehad, maar zich slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Het wegnemen van elektriciteit levert energiemaatschappijen aanzienlijke schades, onnodige kosten en overlast op. Het hof overweegt voorts dat het bewezen verklaarde (gewoonte)witwassen een bedreiging vormt voor de legale economie en dat het de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. De aanpak van witwassen is van groot belang voor de effectieve bestrijding van allerlei vormen van criminaliteit. Ook het valselijk opmaken van documenten zoals een inkomensverklaring en een hypotheekaanvraagformulier ondermijnt de integriteit van de economie en doet afbreuk aan het vertrouwen dat banken en andere betrokkenen ontlenen aan dergelijke documenten. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat de verdachte reeds eerder, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2019 ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld (vonnis Politierechter ’s-Hertogenbosch d.d. 26 november 2009, te weten hennepteelt en diefstal van elektriciteit), hetgeen hem er niet van heeft weerhouden om wederom in de fout te gaan. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het vorenstaande niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met een andere straf zou de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komen. Om die reden acht het hof de door de raadsman bepleite oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf dan ook niet passend. Nu het hof het opleggen van een voorwaardelijke straf niet opportuun acht, zal het hof, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, de gevangenisstraf geheel onvoorwaardelijk opleggen. De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden (360 dagen). Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat ten tijde van het wijzen van het vonnis sinds het tijdstip waarop de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, geruime tijd was verstreken en verdachte, voor zover bekend, sindsdien geen nieuwe strafbare feiten had gepleegd. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend en geboden. De omstandigheid dat verdachte zich sinds het wijzen van het vonnis door de rechtbank, voor zover het hof bekend, niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, doet daar niet aan af. Redelijke termijn in hoger beroep Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. De rechtbank heeft op 15 november 2016 vonnis gewezen. Hiertegen is op 25 november 2016 hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het hof wijst dit arrest op 28 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.