← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2019:2762

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 18 juli 2019 Zaaknummer : 200.253.396/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/349954 / JE RK 18-1737 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E. Sijnesael, tegen Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats], verweerster, hierna te noemen: de GI. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie], hierna te noemen: de raad. als vervolg op de beschikking van 16 mei

  1. 5De beschikking d.d. 16 mei 2019 Bij deze beschikking heeft het hof partijen en/of belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om zich in het kader van deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv uit te laten over de naam van een te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen onderzoeksvragen. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.
  2. Het hof heeft kennis genomen van de volgende stukken: de brief van de GI d.d. 28 mei 2019; het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder d.d. 3 juni
  3. 7De verdere beoordeling 7.1 De moeder heeft ingestemd met de benoeming van een deskundige die door het NIFP zal worden voorgedragen en zij heeft ingestemd met de vragen, zoals in de beschikking van 16 mei 2019 door het hof zijn geformuleerd. 7.
  4. De GI heeft zich niet expliciet uitgelaten over voornoemde (voorlopige) vraagstelling en heeft zelfstandig nieuwe onderzoeksvragen geformuleerd. 7.
  5. Op grond van de reacties van de moeder en de GI wenst het hof de volgende onderzoeksvragen aan de nog te benoemen deskundige voor te leggen: Hoe kan het functioneren van de moeder worden beschreven en is er bij de moeder sprake van persoonlijke problematiek die haar belemmert in haar huidige functioneren? Beschikt de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden om toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] en sluiten deze vaardigheden aan bij hetgeen zij, nu en in de toekomst nodig heeft? Indien de moeder thans niet over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige], bestaan er mogelijkheden deze vaardigheden te ontwikkelen en, zo ja, welke hulpverlening is daarvoor aangewezen en welke termijn is daarmee gemoeid? Hoe gaat het met [minderjarige] en is er bij haar sprake van kindeigen problematiek? Te denken valt aan haar psychologische, sociale en emotionele ontwikkeling. Zijn er (contra-)indicaties voor thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder? Zo ja, welke zijn dat? Zijn er (contra-)indicaties voor continuering van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin? Welke zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder komt tegemoet aan de belangen van [minderjarige] indien zij verder opgroeit in een pleeggezin? Acht de deskundige het van belang, gelet op de uitkomst van de vorige vragen, dat er professionele hulpverlening of begeleiding wordt ingezet en zo ja, voor wie en aan welke hulpverlening/begeleiding wordt gedacht? In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissingen? 7.
  6. Het hof zal het NIFP verzoeken te bemiddelen bij de te verstrekken onderzoeksopdracht en te beoordelen welke deskundigheid er voor het onderzoek nodig is en welke deskundige hiervoor beschikbaar is. Het hof verneemt daarnaast graag binnen welke termijn het onderzoek gereed is en welke kosten hiermee gemoeid zijn. In de offerte dient de deskundige er vooralsnog geen rekening mee te houden dat het hof het wenselijk acht dat het rapport op een nader te bepalen zitting wordt toegelicht. 7.
  7. In afwachting van het bericht c.q. de voordracht van het NIFP zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden. 7.
  8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 8De beslissing Het hof: verzoekt het NIFP zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 15 augustus 2019 een deskundige voor te dragen, met inachtneming van het hiervoor overwogene; houdt iedere overige beslissing aan tot pro forma 29 augustus
  9. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, J.C.E. Ackermans-Wijn en P. Vlaardingerbroek en is op 18 juli 2019 door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.