GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.205.562/01 arrest van 20 augustus 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] (mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. J.J.L. Paijmans te Breda, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 februari 2018 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, onder zaaknummer 3659744 CV EXPL 14-6851 gewezen vonnissen van 18 november 2015 en 24 augustus 2016. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 13 februari 2018 waarbij het hof een mondeling pleidooi heeft bepaald, welk niet heeft plaatsgevonden; het schriftelijk pleidooi, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd; de antwoordakte van [appellant] (aangeduid als ‘pleitnota - dupliek). Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in het tussenarrest vermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling 6.1. In het vonnis van 18 november 2015 (rov. 3.1) heeft de kantonrechter de volgende feiten als vaststaand aangenomen: - [appellant] heeft paardenboxen gehuurd van [geïntimeerde 1] . - De huurovereenkomst tussen partijen is per 31 januari 2013 geëindigd. Ook het hof zal deze feiten, die zijn niet betwist, als uitgangspunt nemen bij de beoordeling. 6.2.1. In eerste aanleg vorderde [appellant] om [geïntimeerde 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen: a. tot betaling van € 11.017,33; b. tot betaling van wettelijke rente over € 11.017,33 vanaf 4 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening; c. tot betaling van € 968,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; d. tot afgifte van de handpompwagen en de zak van 500 isolators, dan wel tot vergoeding van de waarde ad € 400,00; e. tot vergoeding van proceskosten. 6.2.2. Op hetgeen [appellant] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en het door [geïntimeerde 1] gevoerde verweer, zal het hof hierna, voor zover in hoger beroep van belang, ingaan. 6.3.1. Bij het vonnis van 18 november 2015 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vorderingen van [appellant] , betrekking hebbend op de kosten van hertrainen van zijn paarden en op de kosten betreffende het paard [paard] , voor afwijzing gereed liggen en [appellant] toegelaten te bewijzen - dat bij het aangaan van de huurovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] ten behoeve van [appellant] een onbeperkte toegang tot de stallen/paarden is overeengekomen; - dat aan [appellant] per 27 december 2012 nog slechts tweemaal per dag toegang werd verleend (uitsluitend) voor het voeren van zijn paarden. 6.3.2. In het vonnis van 24 augustus 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] ten aanzien van de bij aanvang overeengekomen openingstijden niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, zodat ook de door hem gevorderde inkomsten voor afwijzing gereed liggen. Ten aanzien van de beperkte toegang per 27 december 2012 is [appellant] evenmin in de bewijslevering geslaagd, zodat diens vordering ter zake de extra kosten voor de verzorging van een geblesseerd paard eveneens zal worden afgewezen, aldus de kantonrechter. 6.3.3. Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien met hetgeen in het vonnis van 18 november 2015 is overwogen, heeft de kantonrechter bij het vonnis van 24 augustus 2016 de vordering van [appellant] integraal afgewezen en hem in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. 6.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep (ongenummerde) grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot toewijzing van zijn gewijzigde eis. 6.4.2. Het hof verwijst voor de gewijzigde eis naar het petitum van de memorie van grieven. [geïntimeerde 1] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Bij de beoordeling zal dan ook worden uitgegaan van de gewijzigde eis. 6.5. De grieven van [appellant] vallen uiteen in grieven ten aanzien van geschil I – betreffende de eigendom van het paard [paard] – en grieven ten aanzien van geschil II – betreffende de huur van de paardenboxen. Het hof zal eerst de grieven ten aanzien van geschil I behandelen. Geschil I 6.6. Dit geschil betreft de eigendom van het paard [paard] . [appellant] stelt dat dit paard van januari 2012 tot medio mei 2013 gezamenlijk eigendom van hem en [geïntimeerde 1] is geweest. [appellant] stelt dat hij kosten heeft gemaakt ten behoeve van dit paard en dat [geïntimeerde 1] voor de helft moet bijdragen in deze kosten. [appellant] vordert daarvoor een bedrag van (€ 1.380,50 + 802,88 =) € 2.183,38. 6.7. In de eerste plaats betwist [geïntimeerde 1] dat het paard [paard] in gezamenlijk eigendom aan hem en [appellant] toebehoorde. Subsidiair heeft [geïntimeerde 1] de door [appellant] gevorderde kosten betwist. 6.8. De kantonrechter heeft in rov. 3.20 van het vonnis van 18 november 2015 voorop gesteld dat het op de voet van artikel 150 Rv aan [appellant] is om gemotiveerd te stellen, en bij voldoende betwisting te bewijzen, dat [paard] aan hem en [geïntimeerde 1] in gezamenlijke eigendom heeft toebehoord. Het is immers [appellant] die zich op de rechtsgevolgen van het gezamenlijk eigendom – te weten: een verplichting tot bijdrage in de kosten – beroept, aldus de kantonrechter. Partijen hebben deze vaststelling – terecht – niet bestreden. Ook het hof zal hierna ook van deze verdeling van de bewijslast uitgaan. 6.9. De kantonrechter is aan bewijslevering niet toegekomen, kort gezegd, omdat naar zijn oordeel [appellant] onvoldoende gesteld had tegenover de betwisting van [geïntimeerde 1] . De kantonrechter heeft de vordering ter zake de gemaakte kosten afgewezen omdat niet in rechte is komen vast te staan dat [paard] aan [appellant] en [geïntimeerde 1] in gezamenlijk eigendom heeft toebehoord. 6.10. De grieven van [appellant] inzake geschil I strekken ten betoge dat hij de onderhavige vordering wel voldoende heeft onderbouwd. Voorts heeft hij zijn vordering in hoger beroep nader onderbouwd door overlegging van een verklaring van 31 januari 2017 van de heer [derde 1] (productie 1 bij de memorie van grieven). Voor zover onvoldoende zou vast staan dat het paard aan hem en [geïntimeerde 1] in gezamenlijk eigendom heeft toebehoord, dient naar de mening van [appellant] in ieder geval aan nadere bewijslevering te worden toegekomen. Hij heeft daartoe ook een bewijsaanbod gedaan. 6.11. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook in hoger beroep met zijn stellingen en producties nog niet aangetoond dat het paard [paard] aan hem en [geïntimeerde 1] in gezamenlijke eigendom heeft toebehoord. Ter toelichting dient het volgende. 6.12. [appellant] stelt dat [geïntimeerde 1] erkend heeft dat het paard gezamenlijk eigendom van partijen is. Hij beroept zich op een (niet in het geding gebrachte) e-mail van 28 januari 2013 van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde 1] aan de toenmalige advocaat van [appellant] , waarin staat opgenomen: “(….) Resteert het feit dat partijen nog afspraken dienen te maken over het paard dat zij gezamenlijk bezitten. (…)”. Voorts heeft [appellant] verwezen naar een brief van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde 1] van 13 september 2013 (productie 16 bij de inleidende dagvaarding). [geïntimeerde 1] heeft hierover opgemerkt dat hij destijds in de veronderstelling verkeerde dat het paard gezamenlijk eigendom was en dat hij op dat moment nog geen bewijs had om aan de koop van het paard te twijfelen. Het hof overweegt dat van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv geen sprake is, reeds niet omdat de gestelde erkenning niet in rechte is gedaan. Het staat [geïntimeerde 1] vrij om in rechte alsnog te betwisten dat het paard gezamenlijk eigendom was. In de gegeven omstandigheden acht het hof dit ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 6.13. Voorts kan niet zonder meer worden afgegaan op de in hoger beroep overgelegde verklaring van [derde 1] . Volgens [appellant] blijkt uit deze verklaring dat [derde 1] het paard heeft verkocht aan [appellant] en dat [derde 1] wist dat [appellant] mede namens [geïntimeerde 1] handelde. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat [appellant] in eerste aanleg een andere verklaring van [derde 1] heeft overgelegd waarover de kantonrechter heeft vastgesteld dat [derde 1] aangeeft dat hij weliswaar wist dat [appellant] het paard met iemand anders kocht, maar dat hij niet wist met wie (zie het vonnis van 18 november 2015 in rov. 3.25). Tegen deze vaststelling van de kantonrechter zijn de grieven van [appellant] niet gericht, zodat van de juistheid van die vaststelling kan worden uitgegaan. Laatstgenoemde verklaring van [derde 1] ontbreekt overigens in het griffiedossier van het hof. Het hof verzoekt [appellant] deze verklaring (productie 1 bij de akte uitlaten producties d.d. 19 augustus 2015) alsnog in het geding te brengen als in het dictum is vermeld. 6.14. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat in het door [appellant] overgelegde stuk d.d. 26 januari 2012 (productie 4 bij de conclusie van repliek) met betrekking tot het paard [paard] [derde 1] (althans [naam] ) als verkoper en alleen [appellant] als ‘Neuer Besitzer’ is vermeld, en niet ook [geïntimeerde 1] . Bewijs dat het paard gezamenlijk eigendom is geworden van [appellant] en [geïntimeerde 1] kan dit stuk dus niet opleveren. Hierbij komt dat het paard op naam van [derde 1] (althans [naam] ) is blijven staan (zie ook de documenten overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord). [appellant] heeft voor een en ander een verklaring gegeven. Dat neemt niet weg dat [geïntimeerde 1] aanleiding heeft om te twijfelen of het paard [paard] inderdaad gezamenlijk eigendom van hem en [appellant] is geworden zoals [appellant] stelt. [geïntimeerde 1] betwist de authenticiteit van het overgelegde stuk. Ook wijst [geïntimeerde 1] erop dat [appellant] geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt wat de koopsom was en of die daadwerkelijk is betaald. Dit blijkt inderdaad niet uit de stuk en ook heeft [appellant] geen factuur of een kwitantie in het geding gebracht. 6.15. Niettemin is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van [appellant] niet kan worden gepasseerd. De beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.