GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.234.986/01 arrest van 27 augustus 2019 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. B.J. Blindenbach te Utrecht, tegen [schadeverzekeringen 1] Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. V. Kortenbach te 's-Gravenhage, op het bij exploot van dagvaarding van 2 maart 2018 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/323540 / HA ZA 16-821 gewezen vonnis van 6 december 2017. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties; de memorie van antwoord; het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 2De beoordeling 2.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [appellant] is werkzaam geweest bij (een rechtsvoorganger van) Afab Geldservice B.V. (hierna Afab), een financiële dienstverlener, en heeft tevens als freelancer voor verschillende kredietbemiddelaars gewerkt. Hij is eigenaar en statutair bestuurder van [finance] Finance B.V. (hierna [finance] ). Tijdens die werkzaamheden is hij in 2006 in contact gekomen met de heer [de client] (hierna: [de client] ) en heeft hij voor [de client] onder meer een krediet overgesloten en een tweede hypotheek overgesloten. [de client] had twee levensverzekeringspolissen bij [schadeverzekeringen 1] Schadeverzekeringen NV. Op 18 januari 2013 is er een overeenkomst tot stand gekomen tussen [de client] en [finance] . De overeenkomst is opgesteld door [appellant] en door [de client] ondertekend. In die overeenkomst is onder meer bepaald dat [de client] aan [finance] (proces)volmacht geeft om hem te vertegenwoordigen in een (gerechtelijke) procedure tegen Afab, [levensverzekeringen] Levensverzekeringen NV, [schadeverzekeringen 2] Schadeverzekeringen NV, Jubilee Europe BV en [LGI] Ltd (prod. 1 inl. dagv., blz. 1). In de overeenkomst van 18 januari 2013 (blz. 2-3) zijn verder afspraken neergelegd over de verdeling van de kosten en de opbrengsten van de te voeren procedures en over wat [de client] en [appellant] over en weer aan elkaar verschuldigd zullen zijn. De overeenkomst houdt onder meer het volgende in:“a.) Alle kosten houdende verband met deze procedure, daaronder inbegrepen, doch niet uitsluitend verschuldigde griffierechten, buitengerechtelijke incassokosten, advocaatkosten, aquisitiekosten en een eventuele veroordeling in de proceskosten van de wederpartij, komen voor rekening van Volmachtnemer (zie onder punt c indien volmachtgever compensatie ontvangt). Volmachtgever betaalt aan Volmachtnemer een bedrag van EUR 7.000 als investering in de op te starten procedure. Deze EUR 7.000 vormt een risicokapitaal en hoeft door Volmachtnemer niet te worden terugbetaald. Alle overige (toekomstige) kosten komen voor rekening van Volmachtnemer. Deze kosten worden thans begroot op EUR 80.000. Een eventuele proceskostenveroordeling van de wederpartij komt toe aan Volmachtnemer. b.) Volmachtnemer zal zich er voor inspannen een groep van 40 tot 60 gedupeerden te verzamelen om gezamenlijk een juridische procedure op te starten.c.) Indien de wederpartij wordt veroordeeld tot het betalen van een geldsom dan wel een schikking wordt bereikt met de wederpartij (en daadwerkelijk volledig is betaald door de wederpartij) is Volmachtnemer aan Volmachtgever een vergoeding verschuldigd van EUR 76.000 (zijnde de saldi van de leningen bij Credit Agricole en Hollandsche Disconto Voorschotbank). Volmachtnemer is deze vergoeding verschuldigd aan Volmachtgever in het geval van een onherroepelijke uitspraak van de rechter. Het bedrag van EUR 76.000 is inclusief de investering van EUR 7.000 en de (eventueel toegewezen schade met betrekking tot koopsommen van Volmachtgever zelf). (…) Volmachtnemer blijft ongeacht het saldo van deze leningen in het geval van een veroordeling van de wederpartij een bedrag van EUR 76.000 verschuldigd. Alle kosten zoals genoemd onder punt a worden in mindering gebracht op de totale compensatie die gedupeerden ontvangen. Van het deel dat vervolgens overblijft voor Volmachtnemer zal Volmachtnemer aan Volmachtgever een bedrag van EUR 76.000 voldoen. Voor zover de financiële compensatie (voor het deel dat aan Volmachtnemer toekomt) na verrekening van kosten lager is dan EUR 76.000, zal Volmachtnemer aan Volmachtgever dit lagere bedrag verschuldigd zijn. Indien Volmachtgever gedurende de procedure (ongeacht of Volmachtgever zelf nog deel uitmaakt van de procedure) bij de rechter komt te overlijden, dan zal Volmachtnemer het bedrag van EUR 56.000 waarvoor Volmachtgever thans bij [levensverzekeringen] Levensverzekeringen N.V. middels een tweetal polissen (met certificaatnummers [certificaatnummer 1] en [certificaatnummer 2] ) is verzekerd verschuldigd zijn aan Volmachtnemer. Volmachtnemer heeft vanaf het overlijden van Volmachtgever een vordering van EUR 56.000 op de nalatenschap van Volmachtgever. Volmachtgever zal de begunstigde op de polissen/certificaten met voornoemde certificaatnummers, indien gewenst door Volmachtnemer wijzigen ten gunste van Volmachtnemer of aan Volmachtnemer gelieerde natuurlijke personen dan wel rechtspersonen. De verplichting van Volmachtnemer aan Volmachtgever om in het geval van een veroordelend vonnis van de wederpartij een bedrag van EUR 76.000 te voldoen, komt met het overlijden van Volmachtgever te vervallen. Volmachtnemer blijft na het overlijden van Volmachtgever verplicht eventueel toegewezen schade met betrekking tot de koopsomverzekeringen van Volmachtgever zelf te vergoeden aan de nabestaanden van Volmachtgever. De investering van EUR 7.000 wordt in mindering gebracht op de verschuldigde EUR 56.000 in geval van overlijden van Volmachtgever. (…)”. Op 7 februari 2013 heeft [de client] een bedrag van € 7.000,-- als bijdrage in de proceskosten aan [finance] betaald en later op verzoek van [appellant] nog een keer een bedrag van € 2.000,--. Op 18 januari 2014 heeft [de client] (opnieuw) een volmacht aan [finance] ondertekend om hem te vertegenwoordigen in een (gerechtelijke) procedure tegen Afab. Deze volmacht houdt verder onder meer het volgende in:“De lasthebber ( [finance] Finance BV) draagt alle kosten voor deze procedure.Onder deze kosten vallen in ieder geval de verschuldigde griffierechte, buitengerechtelijke kosten, advocaatkosten en een eventuele veroordeling in de proceskosten van de wederpartij (Afab).Indien deze procedure wordt gewonnen en de wederpartij wordt veroordeeld tot het betalen van een geldsom danwel een schikking wordt bereikt met de wederpartij (en daadwerkelijk wordt betaald door de wederpartij) is de lastgever aan lasthebber verschuldigd vijftig procent van de aan lastgever toegekend schadevergoeding/geldsom. (…) Een eventuele proceskostenveroordeling van Afab komt toe aan [finance] Finance BV. (…)”. Begin 2015 heeft [de client] te horen gekregen dat hij ernstig ziek was en niet lang meer te leven zou hebben. Een brief van 26 januari 2015, opgesteld op verzoek van [finance] /door [appellant] , afkomstig van [de client] gericht aan [schadeverzekeringen 1] houdt het volgende in:“(…) Geachte heer, mevrouw,Op 14-01-2006 en 26-06-2006 heb ik bij [geïntimeerde] een overlijdensrisicoverzekering gesloten (zie bijlagen). De certificaten (met nummers [certificaatnummer 1] en [certificaatnummer 2] ) vermelden als begunstigde Dsb Bank. Bij Dsb Bank heb ik geen kredieten meer lopen.Ik wil de begunstigde wijzigen. De begunstigde dient te worden:[de begunstigde](…)Ik verzoek u deze wijziging op te nemen in uw administratie. Met vriendelijke groet,[de client] (…).” Naar aanleiding van deze brief heeft [geïntimeerde] in de persoon van [fraudecoördinator bij geintimeerde] (hierna: [fraudecoördinator bij geintimeerde] ), fraudecoördinator bij [geïntimeerde] , op 4 februari 2015 telefonisch contact opgenomen met [de client] . Van dit telefoongesprek heeft [fraudecoördinator bij geintimeerde] een verslag gemaakt dat hij per mail op dezelfde dag naar [de client] heeft verzonden. Dit mailbericht houdt het volgende in:“Geachte meneer [de client] ,Vandaag hebben wij elkaar telefonisch gesproken. De reden hiervoor is omdat u per aangetekende brief, van 26-01-2015, een verzoek tot wijziging van de begunstigde voor u[w] verzekeringen heeft gedaan. Dit soort verzoeken komen bij deze verzekeringen bijna niet voor. We vragen ons daarom af of dit daadwerkelijk uw bedoeling is en of u op de hoogte bent van de consequenties in geval u komt te overlijden.Omdat wij onder andere op grond van ons telefoongesprek en de betrokkenheid van de heer [appellant] het gevoel hebben dat u nog niet goed op de hoogte bent van de consequenties van uw verzoek zullen wij uw verzoek (nog) niet uitvoeren. Per telefoon heb ik u een aantal vragen gesteld m.b.t. uw wijzigingsverzoek. Omdat de verbinding niet al te best was geef ik hieronder een korte samenvatting van het gesprek, indien u aanvullingen hebt hoor ik dat graag:U geeft aan dat u op de hoogte bent van de brief die per aangetekende post naar ons is verstuurd. U geeft aan de brief zelf te hebben ondertekend. Ook geeft u aan dat deze brief is opgesteld door de heer [appellant] en dat hij deze brief heeft opgestuurd. Ik leg in het kort uit dat na het uitvoeren van deze wijziging het totaal uit te keren bedrag (56.000), bij overlijden, geheel ten gunste komt van de heer [appellant] . U reageert hierop verbaas[d] en geeft aan dat u in de veronderstelling was dat het slechts om een paar honderd euro zou gaan. U geeft aan dat u dit niet begrijpt en dat u bij de heer [appellant] om opheldering gaat vragen. Wanneer ik u vraag wat u relatie is met de heer [appellant] geeft u aan dat hij al jaren uw adviseur is.(…)Omdat de verbinding slechter wordt vraag ik u of ik u per mail kan bereiken. U geeft dit mail adres op.(…) Ik wil u graag het volgende vragen:Wilt u a.u.b. uw begunstigingswijziging van 26-01-2015 heroverwegen?(…)”. Op 9 februari 2015 heeft de dochter van [de client] aan [fraudecoördinator bij geintimeerde] het volgende mailbericht verzonden:“Ha [roepnaam fraudecoördinator] ,Ik ben de dochter van de heer [de client] mijn vader heeft jullie mail aan mij doorgestuurd omdat hij het niet helemaal begrijpt, vandaar mijn reactie. Zoals ik het begrijp heeft de heer [appellant] nogal misbruik gemaakt van mijn vader. (…) Ook de wijziging tot begunstigde willen we nietig verklaren omdat dit in geen geval de bedoeling is geweest. (…)”. Vanaf het mailadres van [de client] heeft de zoon van [de client] aan [fraudecoördinator bij geintimeerde] op 9 februari 2015 het volgende bericht verzonden:“Deze overeenkomst is nooit gezien door mijn vader en ook de handtekening is niet door hem gezet. Hier is dus zeer zeker sprake van fraude door de heer [appellant] en word deze begunstigingswijziging dus nietig verklaard.(…)”. Op 3 maart 2015 heeft [geïntimeerde] een ongedateerde (door de dochter van [de client] opgestelde) verklaring van [de client] ontvangen, die onder meer het volgende inhoudt:“Dhr. [appellant] is al enkele jaren mijn financieel adviseur. Afgelopen januari heb ik te horen gekregen dat ik terminale kanker heb. Eind januari kwam dhr. [appellant] bij mij langs en ik vertelde hem dit zodat hij het een en ander voor mij kon uitzoeken. De week erop kreeg ik het verzoek toegestuurd voor wijziging van de begunstigde, deze had ik echter nog nooit gezien terwijl er wel mijn handtekening onder stond. Daags erop werd ik gebeld door dhr. [appellant] om deze brief weg te gooien, dit wekte mijn argwaan en later werd ik door [geïntimeerde] gebeld wat mijn argwaan bevestigde. Hierop terugdenkend herinner ik mij dat ik afgelopen augustus 2014 een aantal handtekeningen gezet heb i.v.m. de DSB bank volgens [appellant] . Deze papieren waren blanco. Ik heb al jaren vertrouwen in dhr. [appellant] en had geen idee dat hij bezig is om van mijn aankomende dood misbruik te maken door deze 56000 euro afhandig te maken. (…)”. Op 12 maart 2015 heeft [de client] een brief ontvangen van Osborn Clarke advocaten met de mededeling dat [finance] hen had verzocht namens [de client] een vordering in te stellen tegen Afab en dat er door [de client] met [finance] een no cure no pay afspraak is gemaakt. Op 16 maart 2015 heeft [de client] een schriftelijke verklaring ondertekend, opgesteld door [appellant] . Die verklaring houdt het volgende in: “Naar aanleiding van het verzoek tot wijziging van de begunstigde dat recent bij [geïntimeerde] is binnengekomen, ben ik door [geïntimeerde] onophoudelijk gebeld om een (belastende) verklaring over [appellant] op te stellen. Ik had hier geen behoefte aan. Door het aandringen van [geïntimeerde] , heb ik uiteindelijk mijn dochter verzocht een verklaring op te stellen, die door mij is ondertekend. (…) Begin 2013 heb ik EUR 7.000 overgemaakt naar [finance] Finance BV als investering in een tegen Afab te voeren procedure. In het geval van een veroordeling van Afab zou ik een veelvoud van dit bedrag kunnen ontvangen. De wijziging begunstigde hield verband met de afspraken opgenomen in de volmacht. (…)”. Bij brief van 24 maart 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bericht dat een registratie van zijn persoonsgegevens in het externe verwijzingsregister (EVR) bij de stichting Centraal Informatie Systeem (CIS) heeft plaatsgevonden in verband met vermeende oplichting van [de client] en valsheid in geschrifte. Op enig moment in april 2015 heeft een telefoongesprek tussen [appellant] en [de client] plaatsgevonden, dat door [appellant] is opgenomen. In de door [appellant] overgelegde transcriptie van dit gesprek staat onder meer weergegeven:“ [appellant] : oké, maar wat vroegen ze dan met die eeeehhhhhhh m.b.t. die wijziging begunstigde, wat wilde zij daar dan van, van u?[de client] : ja, dat ik een andere begunstigde aanwees. [appellant] : oké en wie dan bijvoorbeeld of. [de client] : ja, een bekende of een familielid of wat dan ook of een goede vriend van mij. (…) [appellant] : maar toe zij dat tegen u zeiden van’ne misschien dat een goede vriend wat heeft u toen gezegd? [de client] : neeeeee daar begin ik niet aan. Ik zeg wantte, dat geld komt niet binnen bij de kinderen terecht want er zit, mijn huis staat onder water, dus daar komen ze nooit aan (…) [appellant] : en toen heeft u uiteindelijk een briefje moeten sturen, of niet moeten, u heeft een briefje ondertekend van uw dochter. [de client] : ja, dat klopt. [appellant] : die is door uw dochter opgesteld. [de client] : ja. (…) [appellant] : ja maar, u heeft toch dat briefje van uw dochter ondertekend [de client] : ja, nou, dat is het enigste [appellant] : u heeft niet nog een ander briefje ondertekend? [de client] : nee [appellant] : oké want zij zeggen dat u ook nog een briefje heeft gemaakt met uw waarin u die begunstigde wijziging terugdraait, dat u dat op papier heeft gezet (…) [de client] : (…) dat is hetzelfde briefke (…)”. Op 15 april 2015 heeft de dochter van [de client] namens [de client] bij de politie aangifte van fraude en valsheid in geschrifte tegen [appellant] gedaan. Die aangifte houdt onder meer het volgende in:“(…) Begin januari 2015 heeft mijn vader te horen gekregen dat hij zeer ernstig ziek is en nog maar een korte tijd te leven heeft. Toevalligerwijs was Dhr. [appellant] bij mijn vader op bezoek om het verloop van de eerder genoemde procedure te bespreken. Dhr. [appellant] was zodoende op de hoogte van het ziektebeeld van mijn vader. Dhr. [appellant] gaf aan dat mijn vader nog een bedrag van een paar honderd euro open had staan bij [schadeverzekeringen 1] . Dit zou moeten zijn van een doorlopend krediet wat mijn vader inderdaad had bij [schadeverzekeringen 1] . Op het moment dat mijn vader zou sterven zou dat geld verdwijnen zei Dhr. [appellant] . Hierop heeft mijn vader toestemming verleen[d] aan Dhr. [appellant] om een verzoek tot wijziging begunstigde in te dienen. (…)”. [de client] is overleden op 20 juni 2015. In juli 2015 heeft [appellant] verzocht om uitkering van de twee levensverzekeringspolissen aan hem. [geïntimeerde] heeft uitkering geweigerd. [geïntimeerde] heeft de uitkering uit hoofde van de twee levensverzekeringspolissen van [de client] nadien overgemaakt aan de erfgenamen van [de client] . 2.2.1. In de onderhavige procedure vordert [appellant]A. een verklaring voor recht dat de persoonsgegevens van [appellant] ten onrechte zijn opgenomen in het externe verwijzingsregister bij de stichting CIS; B. veroordeling van [schadeverzekeringen 1] tot het (doen) verwijderen van de persoonsgegevens van [appellant] bij het externe verwijzingsregister van de stichting CIS, op straffe van een dwangsom; C. veroordeling van [schadeverzekeringen 1] tot uitkering aan [appellant] van de twee levensverzekeringspolissen en derhalve tot betaling van een bedrag van € 56.000,-; D. veroordeling van [schadeverzekeringen 1] in de proceskosten. 2.2.2. Aan de vordering onder A en B heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem handelt door in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zijn persoonsgegevens op te nemen in het EVR bij de stichting CIS. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] verzuimd om de jegens hem gemaakte beschuldigingen van valsheid in geschrifte en oplichting deugdelijk te onderbouwen, terwijl de opname van zijn persoonsgegevens voor [appellant] en diens onderneming verstrekkende gevolgen heeft bij het aanvragen van financiële producten en verzekeringen. Aan de vordering onder C legt [appellant] ten grondslag dat hij als begunstigde van de twee verzekeringspolissen van [de client] recht heeft op uitkering van het bedrag van € 56.000,--. Daartoe stelt [appellant] dat [de client] bij brief van 26 januari 2015 de begunstigde op deze polissen op grond van artikel 7:966 lid 1 sub c BW heeft gewijzigd ten gunste van [appellant] en dat [geïntimeerde] deze wijziging dient te respecteren. 2.2.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 2.2.4. In het tussenvonnis van 12 april 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. 2.2.6. In het eindvonnis van 6 december 2017 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 2.3. [appellant] heeft in hoger beroep elf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Wijziging van de begunstiging 2.4. Het hof zal eerst de grieven 9 tot en met 11 gezamenlijk behandelen. [appellant] betoogt daar allereerst dat de rechtbank ten onrechte het schriftelijkheidsvereiste als bedoeld in artikel 7:966 lid 1 BW relativeert. Voorts heeft de rechtbank naar zijn mening ten onrechte geoordeeld dat het verzoek tot wijziging van de begunstiging door [de client] niet langer gewenst was en dat dit verzoek door [de client] , of namens hem, is ingetrokken. Bovendien is het onbegrijpelijk dat de rechtbank oordeelt dat uit de verklaring van 16 maart 2015, opgesteld door [appellant] , en het telefoongesprek van [de client] met [appellant] uit april 2015 niet blijkt dat [de client] toch weer [appellant] als begunstigde wilde aanwijzen. 2.5. Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Bij de uitleg van de aanwijzing van de begunstigde bij een sommenverzekering komt het aan op de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing. Bij de vaststelling van die bedoeling dient mede te worden gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling op de voet van art. 7:966 lid 1 BW in verbinding met art. 7:974 BW, ook indien deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden (vgl. HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6728) Ook latere verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer kunnen daarbij een rol spelen, voor zover zij kunnen bijdragen aan het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing (vgl.HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR2018:1102). De rechtbank heeft deze (vaste) jurisprudentie terecht eveneens tot uitgangspunt genomen (rov. 3.12). 2.6. Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat allereerst dient te worden beoordeeld of [de client] met de wijziging van de begunstigde bij brief van 26 januari 2015 ten gunste van [appellant] ook daadwerkelijk bedoeld en gewild heeft om [appellant] als begunstigde van de twee levensverzekeringspolissen aan te wijzen en om uit hoofde van deze polissen € 56.000,-- aan [appellant] te laten uitkeren (rov. 3.13). Tegen deze overweging is (naar het oordeel van het hof terecht) geen grief gericht door [appellant] . 2.7. Tijdens het pleidooi is door [fraudecoördinator bij geintimeerde] namens [geïntimeerde] toegelicht dat er in 2015 een onderzoek gaande was omdat er veel kredietpolissen, met name van Afab, werden opgevraagd door derden. Er is toen een “alert” in het systeem gezet dat als er een kredietpolis van Afab werd opgevraagd of als er een wijzigingsverzoek binnenkwam, de aanvraag of het verzoek eerst nader diende te worden onderzocht ter bescherming van de polishouders (zie ook prod. 5 en 6 bij cva eerste procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 juli 2016). Enkele dagen na de vermelding in het systeem is de brief van 26 januari 2015 van [de client] ontvangen waarin werd verzocht om een wijziging van de begunstiging. Als gevolg van het “alert” in het systeem is het verzoek tot wijziging van de begunstiging bij [fraudecoördinator bij geintimeerde] beland. Door [fraudecoördinator bij geintimeerde] is vervolgens telefonisch contact gezocht met [de client] . 2.8. Het hof stelt vast dat uit de (niet door [appellant] bestreden) samenvatting van het telefoongesprek (2.1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.