← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2019:3231

Parketnummer : 20-003857-18 Uitspraak : 28 augustus 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 december 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-212543-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de aan hem primair ten laste gelegde diefstal. Ter zake van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de subsidiair ten laste gelegde opzetheling bewezen zal verklaren en de verdachte voor dat feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof en een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat: primair hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2018 tot en met 27 oktober 2018 te Eindhoven een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; subsidiairhij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2018 tot en met 27 oktober 2018 te Eindhoven, een goed, te weten een fiets heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak primair ten laste gelegde Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem primair ten laste gelegde diefstal van een fiets. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat het hof niet is gebleken van aanknopingspunten die erop duiden dat het de verdachte is geweest die de fiets heeft weggenomen. Bovendien is de tijdspanne tussen het moment waarop de fiets is weggenomen (tussen 25 oktober 2018 omstreeks 19:30 uur en 26 oktober 2018 omstreeks 08:30 uur) en het aantreffen van de fiets bij de verdachte (op 27 oktober 2018 omstreeks 08:10 uur) niet van zodanige korte duur om op basis daarvan al de gerechtvaardigde conclusie te kunnen trekken dat het de verdachte is geweest die de fiets heeft weggenomen. Het hof zal de verdachte mitsdien vrijspreken van hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 27 oktober 2018 te Eindhoven, een goed, te weten een fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: schuldheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen sanctie Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, al dan niet met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag. Daartoe is – kort gezegd – het navolgende aangevoerd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft negatieve gevolgen voor de behandeling van de PTSS van de verdachte. Bovendien heeft een dergelijke sanctie gevolgen voor de bijstandsuitkering die de verdachte momenteel ontvangt. Bij de bepaling van de op te leggen sanctie is gelet op: - de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan; - de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en - de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt een schuldheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt van gestolen fietsen en heeft hij het slachtoffer hinder en overlast bezorgd. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 mei 2019. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook ter zake van soortgelijke feiten. Voorts blijkt daaruit dat zowel artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, alsmede artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van het feit, alsmede de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 2 weken. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Aldus gewezen door: mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter, mr. M.L.P. van Cruchten en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier, en op 28 augustus 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.