← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2019:3495

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.254.396/01 arrest van 24 september 2019 gewezen in het voorwaardelijk incident ex artikel 843a lid 1 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. L. Isenborghs te Heerlen, tegen [geïntimeerde] mede handelend onder de naam [Woningontruiming & Verhuizingen] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 maart 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 6834277 \ CV EXPL 18-2336 gewezen vonnis van 17 oktober

  1. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 26 maart 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van comparitie van 6 mei 2019; de memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van eis en voorwaardelijk incident ex artikel 843a lid 1 Rv met een productie; de memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a lid 1 Rv. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De beoordeling In het incident 6.
  2. [appellant] vordert in voorwaardelijk incident [geïntimeerde] - voor zover het hof het door [appellant] aangedragen bewijs niet voldoende mocht achten en geen aanleiding ziet voor een omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid - te veroordelen tot:
  3. het verstrekken van inzage in al het beeldmateriaal dat is opgenomen bij de verhuizing van [appellant] op 14 april 2017 ten behoeve van de te maken promotiefilm voor [geïntimeerde] ;
  4. afgifte van het polis blad van de verzekering die [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] heeft afgesloten. 6.
  5. Het hof acht een beslissing op dit voorwaardelijk incident prematuur aangezien [appellant] eerst wil dat in de hoofdzaak door de behandelend kamer over de verdeling van de bewijslast en de waardering van het bewijs moet worden beslist. [appellant] werpt immers het incident op voor zover het hof het door hem aangedragen bewijs niet voldoende mocht achten en geen aanleiding ziet voor een omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Pas als hieraan is voldaan, komt het hof toe aan de behandeling van het incident. Het hof zal dan ook de beslissing in het voorwaardelijk incident aanhouden totdat is beslist in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 6.
  6. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 7De beslissing Het hof: in het voorwaardelijk incident: houdt de beslissing in het voorwaardelijk incident aan tot aan de beslissing in de hoofdzaak; houdt de beslissing over de proceskosten aan; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 5 november 2019 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 september
  7. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.